Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAA:2026:236

Op 9 September 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is AUA202600671BB, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:236.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
AUA202600671BB
Datum uitspraak:
9 September 2026
Datum publicatie:
21 September 2026

Indicatie

Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de tussen partijen overeengekomen aanbetaling aan gedaagde heeft voldaan. De enkele betwisting door gedaagde (zonder enige onderbouwing daarvan) dat niet aan haar is betaald, is onvoldoende.

Uitspraak

Vonnis van 9 september 2026

Behorend bij B.B. no. AUA202600671

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[Eiseres],

in Aruba,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

tegen:

[Gedaagde],

in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes.

Procesverloop

1
HET PROCESVERLOOP
1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 4 maart 2026;

- het verweerschrift, ingediend op 14 april 2026;

- producties zijdens [eiseres], ingediend op 15 juni 2026;

- de comparitie van partijen na antwoord, gehouden op donderdag 18 juni 2026, in aanwezigheid van [eiseres] bijgestaan door haar gemachtigde. [Gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen. [Eiseres] heeft het woord gevoerd en vragen van het Gerecht beantwoord.

1.2

De datum voor vonnis is bepaald op heden.

2
DE FEITEN
2.1

Op 13 februari 2024 heeft [eiseres] van [gedaagde] - op grond van een koopovereenkomst - een perceel eigendomsgrond, groot 700 m2, kadastraal bekend als rooibrief [perceel nummer] (hierna: het perceel) gekocht voor de koopprijs van Afl. 100.000,--. [Gedaagde] trad daarbij op als vertegenwoordiger van de erfgenamen van wijlen de heer [erfgenaam] (hierna: de erfgenamen).

2.2

In verband met de koopovereenkomst is een zogenoemde “Money Agreement” opgesteld, waarin onder meer bepaald is dat een bedrag van Afl. 20.000,-- als aanbetaling contant dient te worden voldaan aan [gedaagde].

2.3 [

Eiseres] heeft, ter uitvoering van voormelde “Money Agreement”, een aanbetaling van in totaal Afl. 20.000,-- verricht. Deze aanbetaling is in twee delen voldaan, te weten een betaling van Afl. 10.000,-- op de bankrekening van de heer [zoon van gedaagde] (hierna: [zoon van gedaagde], de zoon van [gedaagde]) en een contante betaling van Afl. 10.000,-- aan een derde.

2.4

Op enig moment is gebleken dat [gedaagde] niet bevoegd was om voormelde koopovereenkomst aan te gaan. Dit volgt ook uit het vonnis van dit Gerecht van 26 juli 2024, geregistreerd onder zaaknummer AUA202402111KG, waarbij het volgende is bepaald:

“(…)

5.1

verbiedt [gedaagde] om met onmiddellijke ingang na betekening aan [gedaagde] van dit vonnis, zolang [gedaagde] niet van alle erven van wijlen [erfgenaam] een daartoe strekkende rechtsgeldige volmacht heeft gekregen met betrekking tot de percelen op welke wijze dan ook:

- zich uit te (doen) geven als vertegenwoordiger van de erven van wijlen [erfgenaam];

- (potentiële) kopers te (doen) benaderen en/of met hen contacten te (doen) onderhouden, met het oogmerk hen daartoe te bewegen een koop- of andersluidende overeenkomst aan te gaan, dan wel van die (potentiële) koper c.q. wederpartijen aanbetalingen c.q. gelden in ontvangst te nemen, althans andersoortige rechtshandelingen zijnde beschikkingshandelingen te (doen) verrichten; (…).”

2.5 [

Zoon van gedaagde] heeft de door hem van [eiseres] ontvangen aanbetaling van Afl. 10.000,-- op 15 april 2025 terugbetaald aan [eiseres].

2.6 [

Gedaagde] is bij brief van 17 november 2025 aangemaand om het bedrag van Afl. 10.000,-- terug te betalen aan [eiseres].

2.7 [

Gedaagde] heeft op bovenvermeld schrijven bij brief van dezelfde datum als volgt gereageerd:

“(…).

Ik, Mevrouw [gedaagde] heeft uw cliënte reeds meerdere malen geïnformeerd dat deze kwestie in handen is van mijn advocaat, mevr. Desiree Croes. Zoals het wellicht bekend is, betreft dit een zaak van oplichterij gepleegd door [betrokkene]. En daarom heb ik een procedure tegen haar opgestart.

Daarnaast heb ik uw cliënte uitdrukkelijk aangeboden om zich – zonder enige kosten – aan te sluiten bij deze procedure teneinde het resterend bedrag, dat destijds in contanten aan [betrokkene] is overhandigd, terug te vorderen. Uw cliënte heeft er echter voor gekozen dit aanbod niet te aanvaarden.

(…).

Bovendien verklaar ik nadrukkelijk dat mevrouw [betrokkene] nooit toestemming heeft gekregen om namens mij documenten te ondertekenen of contant geld te ontvangen in verband met deze kwestie.”

2.8 [

Eiseres] heeft tot op heden voormeld bedrag niet ontvangen.

3
HET GESCHIL
3.1 [

Eiseres] vordert dat het Gerecht bij betalingsbevel:

a. a) [Gedaagde] veroordeelt om aan haar het bedrag van Afl. 10.000,--, zijnde het door [eiseres] aan [gedaagde] betaalde bedrag als aanbetaling voor de koop van het perceel, terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025 tot de dag der algehele voldoening en;

b) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 [

Eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij - in verband met de koop van het perceel en conform de door partijen opgestelde “Money Agreement” - het bedrag van Afl. 20.000,-- als aanbetaling heeft verricht, waarvan zij het bedrag van Afl. 10.000,--, zijnde de helft van de aanbetaling aan [zoon van gedaagde] heeft voldaan en het restantbedrag van Afl. 10.000,-- rechtstreeks aan [gedaagde] heeft betaald. Achteraf is gebleken dat [gedaagde] niet bevoegd was om namens de erfgenamen op te treden, met als gevolg dat de koopovereenkomst geen doorgang kon vinden. De door [eiseres] voldane aanbetaling is daarom onverschuldigd betaald. [Zoon van gedaagde] heeft de door hem van [eiseres] ontvangen aanbetaling van Afl. 10.000,-- terugbetaald aan [eiseres] en [gedaagde] dient het restantbedrag van Afl. 10.000,-- aan [eiseres] terug te betalen.

3.3 [

Gedaagde] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door [eiseres] gevorderde, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

Overwegingen

4
DE BEOORDELING
4.1

Vast staat dat partijen op 13 februari 2024 een koopovereenkomst zijn aangegaan met betrekking tot het perceel en dat [eiseres] in het kader daarvan en de door partijen opgestelde “Money Agreement” een bedrag van Afl. 20.000,-- als aanbetaling heeft voldaan, waarvan het bedrag van Afl. 10.000,-- aan [zoon van gedaagde] is betaald. Vast staat verder dat sprake was van onverschuldigde betaling, nu de koop geen doorgang heeft kunnen vinden, omdat [gedaagde] niet bevoegd was om het betreffende perceel te verkopen. Eveneens staat vast dat [zoon van gedaagde] het door hem ontvangen bedrag van Afl. 10.000,-- aan [eiseres] heeft terugbetaald en dat het restantbedrag van Afl. 10.000,-- onbetaald is gebleven.

4.2 [

Gedaagde] heeft betwist enig bedrag aan [eiseres] verschuldigd te zijn, nu zij nooit enige betaling heeft ontvangen van [eiseres]. [Eiseres] heeft het bedrag niet aan haar, maar (zoals uit de stukken blijkt) aan ene mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) voldaan, terwijl zij [betrokkene] nooit een volmacht heeft verleend om namens haar enig bedrag in ontvangst te nemen. [Eiseres] heeft verder geen enkel objectief bewijs, zoals bijvoorbeeld een kwitantie of bankafschrift, overgelegd, waaruit blijkt dat een contante betaling van het desbetreffende bedrag aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden, aldus nog steeds [gedaagde].

4.3 [

Eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de betaling aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden, een aantal whatsappberichten van 6 augustus 2026 overgelegd. Die berichten (waaronder ook spraakberichten) zijn door [zoon van gedaagde] (van wie gebleken is dat hij de zoon is van [gedaagde]) aan haar verzonden in het kader van een gesprek tussen haar en [zoon van gedaagde] over de terugbetaling aan [eiseres] van de door [eiseres] verrichte aanbetaling in verband met de koop van het perceel. In één van de berichten heeft [zoon van gedaagde] (vrij vertaald) onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven: “Ja Jacky” (met wie [eiseres] wordt bedoeld), “ik sta verantwoordelijk voor het geld”. In een door [zoon van gedaagde] aan [eiseres] verzonden spraakbericht, heeft [zoon van gedaagde] (vrij vertaald) het volgende aan [eiseres] medegedeeld: ”Op dit moment zijn we aan het kijken hoe we de betaling tussen mijn moeder, mij en [betrokkene] kunnen regelen, omdat [betrokkene] wil dat ik bepaalde mensen op mij neem en zij andere mensen op zich neemt. Maar zoals ik tegen mijn moeder zeg: kijk, bijvoorbeeld, ik betaal aan Jacky het bedrag van Afl. 20.000,--. Ik betaal dan alle mensen het volledige bedrag, maar vervolgens betaalt zij de anderen niet, en dan komen die anderen uiteindelijk ook bij mij aankloppen. Daarom moet er een manier zijn waarop ik haar ook aan die anderen kan binden, zodat ik ervoor kan zorgen dat de betalingen worden gedaan. [Betrokkene] heeft al zo vaak tegen ons gelogen, dat ik haar niet meer vertrouw. Wat Jacky betreft: Jacky zal haar geld krijgen, dat is zeker. Mijn moeder en ik zijn wat dat betreft heel verantwoordelijk. We zullen zeker een document ondertekenen waarin we ons verantwoordelijk stellen voor het betreffende bedrag”.

4.4

Het Gerecht overweegt als volgt. Uit de door [eiseres] overgelegde berichten volgt dat [zoon van gedaagde], die kennelijk rechtstreeks betrokken was bij de financiële afhandeling van de transactie, concreet spreekt over het aan [eiseres] terug te betalen bedrag van Afl. 20.000,--, dat hij de mening was toegedaan dat [eiseres] het bedrag van hem en [gedaagde] diende terug te krijgen en dat hij en [gedaagde] zich daarvoor gezamenlijk verantwoordelijk voelden. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiseres] hiermee haar stelling dat zij het bedrag van Afl. 20.000,-- aan [gedaagde] heeft betaald, nader onderbouwd, terwijl de inhoud van de berichten bovendien de stelling van [eiseres] ondersteunt. In het licht hiervan had het op de weg van [gedaagde] gelegen om haar verweer (inhoudende dat [eiseres] niet aan haar, maar aan [betrokkene] de aanbetaling van Afl. 10.000,-- heeft voldaan) nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van een betalingsbewijs, bericht of andere stukken, waaruit blijkt dat [eiseres] het betreffende bedrag aan [betrokkene] heeft voldaan. Een dergelijke onderbouwing heeft [gedaagde] nagelaten. Dit heeft tot gevolg dat de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] niet aan haar, maar aan [betrokkene] heeft betaald, niet komt vast te staan en derhalve niet kan worden gevolgd. Dat [zoon van gedaagde] in zijn spraakbericht aangeeft dat de terugbetaling van het bedrag aan [eiseres] tussen hem, [gedaagde] en [betrokkene] onderling geregeld moet worden en dat hij [betrokkene] niet meer vertrouwt, maakt het voorgaande niet anders. Het enkele feit dat ook [betrokkene] in het bericht wordt genoemd, betekent immers nog niet dat [eiseres] het betreffende bedrag aan [betrokkene] heeft betaald. Maar zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] het bedrag aan [betrokkene] heeft voldaan, geldt dat [gedaagde] heeft toegestaan dat een deel van de aanbetaling - in afwijking van de door partijen opgestelde “Money Agreement” - aan [zoon van gedaagde] werd voldaan, terwijl niet is gesteld of gebleken dat [zoon van gedaagde] op grond van enige volmacht bevoegd was om namens [gedaagde] het bedrag van Afl. 10.000,-- van [eiseres] in ontvangst te nemen. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat [gedaagde] ook [betrokkene] heeft toegestaan het bedrag van Afl. 10.000,-- namens haar te ontvangen. Overigens blijkt uit de berichten dat [betrokkene] voor [gedaagde] geen onbekende was, nu [zoon van gedaagde] heeft aangegeven dat [betrokkene] reeds meerdere malen tegen zowel [gedaagde] als hem gelogen heeft.

4.5

Het voorgaande in aanmerking genomen en nu [zoon van gedaagde] is zijn spraakbericht spreekt over terugbetaling aan [eiseres] van de door haar volledig betaalde aanbetaling en het ondertekenen van een document door [gedaagde] en hem, waarin zij zich verantwoordelijk stellen voor het desbetreffende bedrag (hetgeen moeilijk te rijmen is met de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] het bedrag van Afl. 10.000,-- niet aan haar maar aan [betrokkene] heeft betaald) is het Gerecht van oordeel dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het bedrag van Afl. 20.000,-- aan [gedaagde] heeft betaald als aanbetaling voor de koop van het perceel. De enkele betwisting door [gedaagde] (zonder enige onderbouwing daarvan) dat het bedrag van Afl. 10.000,-- niet aan haar is betaald, is - gelet op het bovenstaande - dan ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Hierbij is tevens van belang de omstandigheid dat [eiseres] de betaling heeft verricht ter nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, waarbij de aanbetaling is geregeld in de door partijen opgestelde “Money Agreement” en dat uit het spraakbericht van [zoon van gedaagde] aan [eiseres] volgt dat het bedrag (al dan niet via [betrokkene]) daadwerkelijk is ontvangen en dat [zoon van gedaagde] en [gedaagde] zich daarvoor gezamenlijk verantwoordelijk voelden.

4.6

Nu de koop niet is doorgegaan en sprake is van onverschuldigde betaling, dient [gedaagde] het door [eiseres] betaalde bedrag van Afl. 10.000,-- terug te betalen. De vordering tot betaling van Afl. 10.000,-- zal dan ook worden toegewezen.

4.7

Ook de gevorderde wettelijke rente zal, als zijnde niet bestreden, worden toegewezen als na te melden.

4.8 [

Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan griffierechten en Afl. 2.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van tarief 4 van het liquidatietarief, ad Afl. 1.000,-- per punt).

5
DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

5.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] terug te betalen het bedrag van Afl. 10.000,--, zijnde het door [eiseres] aan [gedaagde] betaalde bedrag als aanbetaling voor de koop van het perceel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2025 tot de dag der algehele voldoening;

5.2

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [eiseres] tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.050,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.