Strafrecht overig

Uitspraak in de mega-zaak Galapagos. Schietpartij in de nacht van 8 juni 2025 rondom Club Rush op Bonaire…

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
400.00134/25
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEABES:2026:268
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitspraak in de mega-zaak Galapagos. Schietpartij in de nacht van 8 juni 2025 rondom Club Rush op Bonaire. Een 15-jarige jongen is hierbij om het leven gekomen. Tweede schietpartij een half uur later. De anonieme bedreigde getuige X heeft verklaard dat de verdachte en een medeverdachte samen op het slachtoffer hebben geschoten. Die verklaring vindt onvoldoende steun in de rest van het dossier. Vrijspraak voor doodslag op het slachtoffer. Veroordeling voor poging doodslag op anderen. Ook veroordeling voor een tweede poging doodslag, bij het tweede incident. Hoewel vanuit een auto op de verdachte is geschoten, komt hem geen beroep toe op noodweer. De noodweersituatie was voorbij. Veroordeling voor openlijk geweld en vuurwapenbezit. Geen toepassing van adolescentenrecht, wel verminderde toerekenbaarheid. Gevangenisstraf van 12 jaar.

Uitspraak

Parketnummer: 400.00134/25

Uitspraak: 27 oktober 2026 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],

wonende op Bonaire, [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24, 27 en 28 augustus 2026, 1 september 2026 en 27 oktober 2026. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. Larmonie advocaat in Curaçao, met uitzondering van de zitting van 27 augustus 2026. Op die zittingsdag is de verdachte niet verschenen, maar is zijn raadsman wel ter terechtzitting verschenen.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feiten 1 tot en met 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van voorarrest. Zijn vordering behelst voorts de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging van het onder feit 4 ten laste gelegde. De raadsman heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd zijn de verdenkingen als volgt:

  1. Medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] op 8 juni 2025

  2. Medeplegen van poging tot doodslag op [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [slachtoffer 3] op 8 juni 2025

  3. Openlijke geweldpleging tegen personen en/of goederen op 8 juni 2025

  4. Poging tot doodslag op [medeverdachte 2] en/of andere inzittenden van een auto op 8 juni 2025

  5. Medeplegen van het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens op 8 juni 2025

VOORVRAGEN

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

OORDEEL VAN HET GERECHT OVER DE TENLASTEGELEGDE FEITEN

Inhoud:

  • Inleiding en standpunten

  • Feiten en omstandigheden

  • Wat weten we over de verdachte

  • De verklaring van getuige X

  • Bewijsoverwegingen over feit 1

  • Bewijsoverwegingen over feit 2

  • Bewijsoverwegingen over feit 3

  • Bewijsoverwegingen over feit 4

Inleiding en standpunten

In de nacht van 8 juni 2025 heeft rondom Club Rush een schietpartij plaatsgevonden van een omvang die op Bonaire ongekend is. Die nacht is door verschillende personen bij een drukke uitgaansgelegenheid veelvuldig geschoten, ten gevolge waarvan de vijftienjarige [slachtoffer 1] is overleden. Eén van de belangrijkste vragen in deze zaak is wie het dodelijke schot op [slachtoffer 1] heeft afgevuurd. De verdachte heeft bekend dat hij een wapen had en dat hij daarmee ook heeft geschoten. Maar hij ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten.

De officier van justitie heeft betoogd dat bewezen kan worden dat de verdachte samen met zijn vriend en medeverdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. De officier van justitie concludeert dat de vriend van verdachte het dodelijk schot heeft gelost en baseert zich daarbij op de verklaring van anoniem bedreigde getuige X. Volgens de officier van justitie is echter niet van belang wie van de twee verdachten het dodelijke schot heeft gelost, omdat er sprake is van medeplegen. Daartoe voert de officier van justitie aan dat de verdachte en [medeverdachte 1] eerder als broers dan als vrienden met elkaar omgingen, dat zij die avond gezamenlijk en gewapend naar Club Rush zijn gegaan en dat zij samen op het slachtoffer hebben geschoten. Voorts heeft [medeverdachte 1] na het schietincident bij Club Rush zijn wapen aan de verdachte gegeven en heeft de verdachte de wapens vervolgens weggemaakt. Alle hiervoor beschreven gedragingen getuigen volgens de officier van justitie van een nauwe en bewuste samenwerking.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de doodslag op [slachtoffer 1].

Het Gerecht zal hierna eerst ingaan op het dossier, en de waardering van de verklaring van anonieme bedreigde getuige X.

Daarna zal het Gerecht de afzonderlijke feiten een voor een bespreken. Het beroep op noodweer(exces) zal worden behandeld bij de bespreking van feit 4, het feit waar het verweer betrekking op heeft.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van 7 op 8 juni 2025 treedt de Curaçaose rapper [naam rapper] op in Club Rush. Club Rush is gelegen aan de Kaya Princess Marie, ten noorden van de club ligt Restaurant Latino’s en ten zuiden de Kaya L.D. Gerharts. Het optreden trekt veel bezoekers: het is druk zowel binnen als buiten de club. Na afloop van het optreden van [naam rapper] ontstaat in Club Rush een vechtpartij. De vechtpartij verplaatst zich naar buiten, en gaat voor de ingang van de club verder. Het is dan iets voor 3.00 uur in de ochtend. De vechtpartij is voor een deel vastgelegd op de beveiligingscamera van Club Rush, die bij de ingang van de club hangt en op de straat is gericht.

Kort nadat de vechtpartij zich naar buiten heeft verplaatst zijn twee schoten te horen, die buiten het beeld worden gelost. Twee andere schoten volgen, eveneens buiten beeld. Aan de overkant van Club Rush staat een groep jongens, onder wie medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Zij zijn vastgelegd op de beveiligingscamera van Club Rush. Na de eerste schoten trekt [medeverdachte 2] een vuurwapen en schiet een aantal keer in de lucht. [medeverdachte 3] volgt niet veel later en vuurt een aantal schoten in de lucht af, waarna hij een salvo in de richting van Latino’s afvuurt. Op de beelden is te zien dat het latere slachtoffer [slachtoffer 1] midden op de weg loopt. Dan is een schot met een zwaardere klank te horen, en vrijwel direct daarna valt [slachtoffer 1] tussen twee auto’s neer. Hij is in zijn hoofd geraakt en overlijdt later aan zijn verwondingen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de kogel die [slachtoffer 1] dodelijk heeft geraakt afkomstig is uit een revolver van het kaliber .38SPL of .357 Magnum.

Uit de verklaringen volgt dat bij Club Rush onder andere een groep uit de wijk Nort’i Saliña aanwezig was; dit is de groep waar de verdachte toe behoort. Ook was een groep uit de wijk Den Tera aanwezig. Tussen beide wijken c.q. groeperingen zou al jaren een vete bestaan.

Wat weten we over de verdachte

Op de camerabeelden van Club Rush is te zien dat de verdachte deelneemt aan de vechtpartij die op dat moment plaatsvindt voor de ingang van Club Rush. De vechtpartij verplaatst zich op een zeker moment weer naar binnen en de verdachte beweegt met de vechtpartij mee. Op het moment dat de verdachte weer naar buiten komt is de schietpartij in volle gang.

Op de beelden is te zien dat de verdachte om 02:53:30 op een heel rustige wijze naar buiten loopt, kijkt naar de schietende personen aan de overkant en vervolgens rustig aan de linkerzijde over de stoep uit het beeld loopt. De verdachte is dan enige tijd niet meer te zien op de camerabeelden.

Over de vraag waar de verdachte naartoe is gelopen en waar hij zich tijdens het schieten bevond bestaat onduidelijkheid. De verdachte heeft verklaard dat hij tussen de geparkeerde auto’s en het hek aan de kant van Club Rush richting Akseso is gelopen. Al lopende tussen die auto’s en het hek heeft hij een aantal schoten in de lucht gelost met een revolver. [medeverdachte 3] heeft min of meer hetzelfde verklaard, namelijk dat hij de verdachte zag staan bij de auto’s aan de kant van Club Rush. Daar tegenover staat de verklaring van de getuige X, die verklaart dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] vanachter een muurtje kwam vanaf de parkeerplaats van de Top Supermarkt. De parkeerplaats bevindt zich aan de overzijde van de straat, schuin tegenover Club Rush.

De verdachte verschijnt op een gegeven moment op de camerabeelden van Akseso. Hij heeft zelf verklaard dat hij in de tuin van Akseso nogmaals in de lucht heeft geschoten. Om 02:56:13 is de verdachte weer te zien op de camerabeelden van Club Rush, hij loopt dan in de richting van de Kaya L.D. Gerharts.

Al met is er onduidelijkheid over de positie van de verdachte ten tijde van de schietpartij. Wel staat vast dat de verdachte die nacht heeft geschoten.

De verklaring van getuige X

Inleiding

In deze zaak is een getuige, de getuige X, op vordering van het openbaar ministerie als bedreigde anonieme getuige gehoord. De rechter-commissaris heeft de getuige eerst op 2 april 2026 – kort – gehoord, en naar aanleiding van dat verhoor geoordeeld dat de vrees van de getuige terecht was, en dat diens identiteit geheel verborgen moest blijven. Vervolgens heeft de rechter-commissaris de getuige X in juli 2026 onder ede nader gehoord. De officier van justitie en de advocaat zijn bij dit verhoor niet aanwezig geweest, maar hebben beiden wel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke vragen aan de rechter-commissaris op te geven. De gegrondheid van de bij de getuige bestaande vrees is voorafgaand aan dit verhoor opnieuw door de rechter-commissaris getoetst. De verklaring van de getuige is door de rechter-commissaris vervolgens neergelegd in een proces-verbaal, althans voor zover die verklaring niet zou kunnen leiden tot achterhalen van de identiteit van de getuige. Een deel van de antwoorden van de getuige X is om veiligheidsredenen niet in het proces-verbaal weergegeven.

Standpunten

De officier van justitie vindt de verklaring van X betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Niet alleen heeft de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de getuige getoetst, aldus de officier van justitie, uit de verklaringsbereidheid van de getuige en de gedetailleerdheid van diens verklaring volgt die betrouwbaarheid ook. Bovendien wordt de verklaring van X op bepaalde punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. De officier van justitie hecht in zijn bewijsconstructie aan de verklaring van X veel waarde.

De raadsman heeft juist bepleit dat de verklaring van X niet betrouwbaar, inconsistent en tegenstrijdig is. Het was donker, er was sprake van een hectische situatie en de getuige zat in dekking. De raadsman heeft verzocht de verklaring van getuige X niet voor het bewijs te gebruiken.

Het Gerecht ziet zich daarom voor de vraag gesteld hoe de verklaring van getuige X gewogen dient te worden.

Wettelijk kader

Het horen door de rechter-commissaris van een anonieme bedreigde getuige is geregeld in artikel 261 Sv BES. Het verhoor van X heeft in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel plaatsgevonden. In dit artikel staat overigens niet dat de rechter-commissaris ook de betrouwbaarheid van de (verklaring van de) getuige moet toetsen. De rechter-commissaris toetst de bij de getuige bestaande vrees, en de bezwaren van de getuige tegen onthulling van diens identiteit. Zo staat het ook in het proces-verbaal verwoord.

In artikel 385 lid 4 Sv BES is vervolgens bepaald dat de verklaring van een op deze manier gehoorde anonieme getuige alleen dan voor het bewijs kan worden gebruikt, als ‘belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend’. Oftewel: het Gerecht kan de verklaring gebruiken als die onderdeel is van een bewijsconstructie waarin ook andere ‘belangrijke’ bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er moet dus sprake zijn van steunbewijs.

Oordeel van het Gerecht

De vraag is of de verklaring van X voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Het Gerecht vindt van wel. De getuige heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard, en het feit dat de getuige de moeite heeft genomen de verklaring af te leggen, ondanks de vrees voor diens leven, is niet goed te rijmen met het bewust afleggen van een valse verklaring.

De verklaring kan dus voor het bewijs worden gebruikt. Het Gerecht houdt wel rekening met de chaotische situatie voor Club Rush, de paniek, en het feit dat de getuige zoals die zelf zegt ‘in dekking’ was.

Daarnaast houdt het Gerecht rekening met het feit dat het een anonieme getuige betreft, en dat het ondervragingsrecht ten aanzien van getuige X beperkt is geweest. De verdediging heeft alleen schriftelijke vragen kunnen stellen, door middel van tussenkomst van de rechter-commissaris. Een deel van de antwoorden is bovendien niet in het dossier gevoegd.

Het Gerecht zal daarom behoedzaam met de verklaring van X omgaan. Zoals artikel 385 lid 4 Sv BES ook voorschrijft.

Overwegingen over feit 1 - medeplegen doodslag [slachtoffer 1]

Medeplegen

Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer 1] is geraakt door een kogel afkomstig uit een revolver, en dat de schutter vanuit de richting van Latino’s in de richting van de Kaya L.D. Gerharts moet hebben geschoten. Wat ook vaststaat, is dat de verdachte en diens vriend [medeverdachte 1] beiden een revolver hadden die avond, en dat zij beiden daar ook mee hebben geschoten.

De officier van justitie heeft terecht betoogd dat een veroordeling voor het medeplegen van doodslag in sommige gevallen mogelijk is, ook als niet vast komt te staan wie het dodelijke schot heeft gelost. Daarvoor moet dan wel worden vastgesteld dat er sprake is van een gezamenlijk plan dan wel een gezamenlijke uitvoering en dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het delict moet hebben geleverd.

De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is dus, of er voldoende bewijs is dat de verdachte en zijn vriend samen op [slachtoffer 1] hebben geschoten, in de zin van medeplegen.

Steunbewijs voor de verklaring van X?

De officier van justitie heeft in dit verband veel waarde gehecht aan de verklaring van getuige X. Die verklaring zou inderdaad op medeplegen kunnen duiden. Getuige X heeft immers verklaard dat hij zag dat de verdachte en diens vriend samen aan kwamen lopen, dat ze beiden op [slachtoffer 1] schoten, en dat [slachtoffer 1] toen op de grond viel tussen de auto’s.

Maar de verklaring van getuige X sluit met betrekking tot het gezamenlijk en gelijktijdig aflopen op en schieten richting het slachtoffer door de verdachte en diens vriend, niet aan bij de rest van het dossier. Allereerst sluit de verklaring niet aan bij de overige verklaringen. De verdachte en zijn vriend plaatsen zichzelf ieder aan een andere kant van de weg. [medeverdachte 3] verklaart weliswaar dat de jongens samen stonden, maar niet daar waar de getuige X hen plaatst, maar achter de auto’s aan de kant van Club Rush.

Daarnaast lijkt de verklaring van getuige X niet goed te passen bij de uitkomsten van het forensisch onderzoek. Uit het forensisch onderzoek volgt dat de kogel uit het hoofd van [slachtoffer 1] overeenkomsten vertoont met twee kogelmantels die respectievelijk naast [slachtoffer 1] en bij de muur van de Ford Garage zijn aangetroffen. Daaruit volgt dat met één zelfde vuurwapen driemaal in de richting van het slachtoffer is geschoten. Dit vuurwapen is geïdentificeerd als waarschijnlijk een revolver van het kaliber .38SPL of .357 Magnum. Uit het forensisch onderzoek is niet gebleken dat er ook met een andere revolver die richting op is geschoten.

Ten slotte komt uit het audiobeeld naar voren dat één enkel schot is te horen vlak voordat [slachtoffer 1] neervalt. Een aantal secondes vóór en na dat schot zijn geen schoten te horen. Dit alles past niet bij het beeld dat dat de getuige X schetst, namelijk dat de verdachte en zijn vriend tegelijk op [slachtoffer 1] hebben geschoten.

Dit betekent dat de verklaring van de getuige X op dit cruciale punt onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Integendeel: de verklaring van X wordt door andere bevindingen in het dossier juist tegengesproken.

Waren de verdachte en diens vriend samen?

Daarbij komt, dat de verdachte en zijn vriend [medeverdachte 1] op de momenten waarop zij wél op de camerabeelden te zien zijn, niet samen lijken te zijn. De verdachte mengt zich in de vechtpartij bij de ingang van de club en gaat daar ook naar binnen. Zijn vriend houdt zich juist afzijdig. Hij blijft even staan kijken en loopt vervolgens met een ander persoon weg, ongeveer op het moment van het eerste schot. Pas later komt de verdachte alleen uit de club gelopen, waarna ook hij uit beeld loopt. De verdachte loopt weliswaar dezelfde richting op als waar de vriend eerder heen ging, maar is even later opnieuw alleen te zien, nu op de camerabeelden van Akseso. Kort daarop voegt de verdachte zich bij een ander persoon. Pas na afloop van de schietpartij ontmoeten de verdachte en zijn vriend elkaar weer, aan de andere kant van Rush, op de Kaya L.D. Gerharts.

Veel vragen blijven open

Het staat zoals gezegd wel vast dat [slachtoffer 1] is geraakt door een kogel afkomstig uit een revolver en dat de schutter vanuit de richting van Latino’s in de richting van de Kaya L.D. Gerharts schoot. De verdachte en zijn vriend hadden beiden een revolver die avond. Maar verder blijven er in het dossier veel vragen onbeantwoord.

Zo is niet duidelijk wie er nog meer over een revolver beschikten en waar de verschillende verdachten zich ten tijde van het schietincident bevonden. Ook blijft onduidelijk wat zich precies heeft afgespeeld op de hoek van de parkeerplaats van de Top supermarkt en de garage. Evenmin kan worden vastgesteld of er nog andere personen bij de schietpartij betrokken waren. Het is niet duidelijk geworden wie het derde en vierde schot heeft afgevuurd, nu ook deze buiten de camerabeelden zijn gelost.

Conclusie

Er is één getuige die de schutter(s) aanwijst en verklaart dat de verdachte samen met zijn vriend op het slachtoffer heeft geschoten. Dit is de anonieme bedreigde getuige. Diens verklaring vindt op dit cruciale punt echter onvoldoende steun in het overige bewijsmateriaal. Het Gerecht gaat daarom niet zonder meer van die verklaring uit.

Ander bewijs dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten, al dan niet in een nauwe samenwerking met zijn vriend, is er niet. De getuigen hebben wisselend en tegenstrijdig verklaard, en ook het forensisch bewijs biedt geen duidelijkheid.

Het Gerecht spreekt de verdachte daarom vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van doodslag.

Het Gerecht realiseert zich dat het voor veel mensen onbevredigend zal zijn dat daarmee de belangrijkste vraag in deze zaak onbeantwoord blijft. Maar dat is wel de juridische realiteit.

Overwegingen over feit 2 - poging doodslag op anderen bij Club Rush

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ook van dit feit vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich gemengd in de vechtpartij en was op een gegeven moment binnen bij Club Rush. Toen hij weer naar buiten liep werd er al over en weer geschoten. De verdachte heeft bij de auto’s aan de linkerzijde van Club Rush in de lucht geschoten als afleidingsmanoeuvre, om [medeverdachte 3] die op [medeverdachte 1] schoot af te leiden. De verdachte heeft nooit gericht op [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] of [slachtoffer 3] geschoten en hij had ook niet het oogmerk hen te doden of te verwonden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt medeplegen van een poging tot doodslag op de groep Den Tera, onder wie [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [slachtoffer 3], bewezen. Hij gaat daarbij uit van (i) de verklaring van getuige X, die verklaart dat de verdachte gericht heeft geschoten, (ii) de verklaring van [medeverdachte 3], die verklaart dat de verdachte minstens viermaal gericht op hem schoot, en (iii) het forensisch onderzoek aan het hek van Akseso waaraan een doorschotbeschadiging is geconstateerd, wat er op wijst dat de verdachte niet in de lucht maar horizontaal, gericht heeft geschoten.

Oordeel van het Gerecht

Het Gerecht overweegt als volgt.

De verdachte bekent te hebben geschoten in de nacht van 8 juni 2025, maar volgens hem schoot hij enkel in de lucht. Het Gerecht vindt dit laatste niet aannemelijk. Allereerst omdat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de verdachte minstens viermaal gericht op hem heeft geschoten. Ten tweede, omdat de verdachte heeft verklaard dat hij heeft geschoten ter bescherming van [medeverdachte 1]. Volgens de verdachte werd namelijk door [medeverdachte 3] op [medeverdachte 1] geschoten. In zo’n situatie is het niet goed voorstelbaar dat de verdachte enkel in de lucht zou schieten. Ten derde vanwege het forensisch onderzoek aan het hek van Akseso. De verdachte heeft verklaard dat hij in de tuin van Akseso opnieuw in de lucht heeft geschoten. Deze verklaring strookt niet met het forensisch onderzoek aan het hek van die tuin. In dat hek is een doorschotbeschadiging aangetroffen die door de verdachte moet zijn veroorzaakt. De schotbaan loopt van binnen de tuin naar buiten en bevindt zich op iets meer dan één meter hoogte.

Uit al het voorgaande volgt dat de verdachte die nacht niet enkel in de lucht heeft geschoten, maar dat hij ook gericht heeft geschoten, in elk geval gericht op [medeverdachte 3].

Op de camerabeelden van Club Rush is te zien dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [slachtoffer 3] (heel) dicht bij elkaar stonden tussen de auto’s. Ze stonden min of meer in elkaars verlengde en stonden ook niet statisch op één plek. Door van een afstandje op [medeverdachte 3] te schieten, heeft de verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat de twee mannen die naast [medeverdachte 3] stonden dodelijk zouden worden geraakt. Daarmee is een poging doodslag op alle drie in de tenlastelegging genoemde personen bewezen.

Het Gerecht kan niet vaststellen dat de verdachte dit heeft gedaan in een nauwe samenwerking met een ander. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het bestanddeel medeplegen.

Overwegingen over feit 3 - openlijk geweld bij Club Rush

Wat begint als een vechtpartij voor de ingang van Club Rush, ontwikkelt zich in een oogwenk tot een geweldsexplosie waarbij tientalen keren wordt geschoten. Deze geweldsexplosie dijt vervolgens uit naar de omliggende straten, waar door verschillende personen vanaf verschillende plekken eveneens wordt geschoten.

Met de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat de geweldshandelingen die in de nacht van 8 juni 2025 voor en in de omgeving van Club Rush plaatsvonden als één geheel, ofwel als één uiting van geweld moeten worden gezien. De eerste schoten zijn een directe reactie op de vechtpartij die voor Rush plaatsvindt, waarop weer een reactie van andere schoten volgt, waarop nog meer reacties van schoten volgen, tot op de hoek van het Belastingkantoor aan toe. Kennelijk lokte het gebruik van geweld op dat moment en op die plaats, met name het schieten met vuurwapens, nieuw geweld uit van weer andere personen, die ook een vuurwapen wilden gebruiken.

Voor de verdachte geldt: door een vuurwapen ter hand te nemen en daarmee te schieten, heeft de verdachte zonder meer een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld dat op dat moment op de openbare weg werd gepleegd.

Overwegingen over feit 4 - poging doodslag Nort’i Saliña

Inleiding en standpunten

Na de schietpartij voor en rondom Club Rush heeft er die nacht nog een schietpartij plaatsgevonden, ditmaal in Nort’i Saliña, waarbij [slachtoffer 2] in zijn rug werd geraakt. Er werd vanuit een auto op hem geschoten. De verdachte heeft verklaard dat hij ter verdediging van zichzelf en van [slachtoffer 2] heeft teruggeschoten op de auto.

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. De verdachte heeft op de wegrijdende auto geschoten, niet met de bedoeling iemand te doden of te verwonden, maar als afschrikmiddel zodat de auto niet zou keren en hen opnieuw onder schot zou nemen. De verachte heeft dus zowel zichzelf als [slachtoffer 2] proberen te verdedigen.

Volgens de officier van justitie levert het terugschieten op de rijdende auto door de verdachte een poging tot doodslag op de inzittenden op. De verdachte opende het vuur op de auto op het moment dat deze al wegreed. Het op een dergelijk moment schieten kan niet (meer) worden gekwalificeerd als een noodzakelijk verdediging van hem of van een ander. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen, aldus de officier van justitie.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Rond 03:25 uur, ongeveer een halfuur na de schietpartij bij Club Rush, vindt de schietpartij in Nort’i Saliña plaats. Uit de verklaringen volgt dat na de schietpartij bij Club Rush een aantal mannen uit Nort’i Saliña bij elkaar kwam in Nort’i Saliña. Onder hen ook de verdachte en zijn vriend, en latere aangever [slachtoffer 2]. Deze groep mannen bevond zich op straat in de buurt van een snack en daarna bij de woning van de verdachte, aan de [straatnaam 1], hoek [straatnaam 2].

Verschillende getuigen verklaren dat zij over straat liepen, dat er een witte auto kwam aanrijden, waarschijnlijk een Toyota Yaris of Vitz, en dat vanuit die witte auto is geschoten. Op camerabeelden is te zien dat een witte Toyota Yaris over de [straatnaam 3] Nort’i Saliña binnen komt rijden. De witte Yaris slaat dan linksaf de [straatnaam 1] in, keert daar en slaat vervolgens rond 03:25 de [straatnaam 2] in. De witte Yaris remt iets af en passeert een groep mannen. Buiten beeld zijn schoten te horen. Na een aantal seconden zijn nog drie schoten te horen.

De witte Yaris rijdt dan weg, waarna de verdachte minstens eenmaal op de wegrijdende auto schiet.

Oordeel van het Gerecht

Het Gerecht is van oordeel dat het schieten op de auto een poging tot doodslag oplevert. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte geen opzet had op het doden van de inzittenden, maar het Gerecht is van oordeel dat op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet. Het behoeft geen nadere uitleg dat minder nauwkeurig kan worden geschoten als dat schieten is gericht op een bewegend object. Nu dat schieten daarnaast in de nachtelijke uren plaatsvond is het Gerecht van oordeel dat de verdachte met het schieten op de wegrijdende auto willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een of meer inzittenden zouden worden geraakt door een kogel, met een grote kans op overlijden als gevolg daarvan. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging doodslag.

Noodweer?

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk.

Anders dan de raadsman is het Gerecht van oordeel dat de noodweersituatie al was geëindigd op het moment van het schieten door de verdachte. De verdachte en diens vrienden werden vanuit een rijdende auto beschoten, hetgeen onmiskenbaar valt aan te merken als een noodweersituatie. Onder omstandigheden kan het terugschieten op die auto een succesvol beroep op noodweer opleveren. Maar in dit geval volgt uit het dossier dat het schieten uit de auto al was geëindigd. De auto reed weg. De verdachte is de straat overgestoken en pas op dat moment schoot de verdachte op de witte Yaris. Uit het audiobeeld van de schoten volgt dat dit 2,5 seconden na het laatste schot vanuit de auto moet zijn geweest.

Nu de wederrechtelijke aanranding reeds was geëindigd handelde de verdachte niet uit noodzakelijke verdediging. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 2

hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met gebruikmaking van een vuurwapen meermalen heeft geschoten in de richting van voornoemde [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 3

hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire openlijk op de openbare weg, de Kaya Princes Marie, met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten een of meer andere aanwezige omstanders, en tegen goederen, te weten meerdere aldaar geparkeerde auto's, en bestaande dat geweld uit

meermalen met een vuurwapen schieten in de richting van die omstanders.

Feit 4

hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer inzittenden van een Toyota Yaris met kenteken [kenteken], opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met gebruikmaking van een vuurwapen op die (wegrijdende) Toyota Yaris met voornoemde inzittenden heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 5

hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad meerdere vuurwapens, te weten meerdere revolvers en een hoeveelheid munitie, te weten meerdere patronen, zijnde een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Het Gerecht vindt niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

BEWIJSMIDDELEN

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

STRAFBAARHEID EN KWALIFICATIE

Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag.

Het onder feit 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen en goederen.

Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag.

Het onder feit 5 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES juncto artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

OPLEGGING VAN STRAF

Het Gerecht heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. In de nacht van 8 juni 2025 is hij samen met zijn vriend, ieder bewapend met een revolver, naar Club Rush gegaan. Toen daar door anderen werd geschoten, is de verdachte niet gevlucht voor dit gevaar maar is hij zelf ook gaan schieten. Midden in een druk uitgaansgebied. In het vuurwapengeweld is het vijftienjarige slachtoffer komen te overlijden.

Eenmaal teruggekeerd naar zijn eigen buurt in Nort’i Saliña was de verdachte nog steeds in het bezit van zijn vuurwapen. Daar werd vanuit een auto op zijn groep vrienden geschoten. Toen die auto wegreed, was het gevaar voor de verdachte voorbij. Toch loste hij minimaal één gericht schot op de wegrijdende auto. Dat niemand is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken.

De gebeurtenissen van 8 juni 2025 hebben diepe sporen nagelaten in de samenleving van Bonaire. Het vuurwapengeweld van die nacht was excessief en voor Bonaire ongekend, en heeft de gemeenschap ernstig geschokt. Dat blijkt onder meer uit de reacties in de media en uit de grote belangstelling voor de behandeling van deze zaak. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens onder jongeren is een groot probleem op Bonaire. Hoe zwaar de gevolgen daarvan kunnen zijn, is in deze zaak pijnlijk duidelijk geworden. Het overlijden van het slachtoffer heeft bij zijn nabestaanden onherstelbaar en blijvend leed veroorzaakt.

Persoonlijke omstandigheden

Naast de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze gepleegd zijn, houdt het Gerecht ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het Gerecht heeft kennisgenomen van de strafkaart van de verdachte. Hieruit komt naar voren dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De verdachte is nog jong; ten tijde van de feiten was hij 19 jaar oud.

Het rapport van de psycholoog

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de rapportage van psycholoog drs. [psycholoog] van 20 augustus 2026. Het rapport houdt onder meer het volgende in:

“Onderzochte is een 20-jarige zwakbegaafde man. De combinatie van zijn problematische opvoeding waarin hem geen grenzen zijn gesteld, gecombineerd met zijn zwakbegaafde intelligentieniveau, maakt dat coping-, sociale en empathische vaardigheden van onderzochte beperkt zijn. Hij lijkt de impact van zijn gedrag niet te begrijpen en vooral als de spanningen oplopen, maakt hij verkeerde keuzes. Daarnaast kan hij de impact van zijn gedrag op de ander niet overzien en kan hij fors over de grenzen van anderen heen gaan. Als de sociale situaties complex zijn en hij groepsdruk ervaart, kan hij overspoeld raken en fors agressief gedrag tonen. Concluderend kan er gesteld worden, dat onderzochte een kwetsbare jongeman is met een zwakbegaafd intelligentieniveau en een sterk vermijdende, passieve coping-stijl met emotionele belasting.”

De deskundige stelt geen ontwikkelings-, persoonlijkheids- of psychische stoornis vast. De intellectuele vaardigheden van de verdachte zijn beperkt, maar er is geen sprake van een verstandelijke beperking in de zin van een stoornis, aldus de deskundige. De deskundige heeft op de zitting van 27 augustus 2026 wel aangegeven dat de verdachte zwakbegaafd is en dat zijn functioneren tegen een licht verstandelijke beperking aan zit.

De psycholoog concludeert dat de verdachte een kwetsbare jongeman is met een zwakbegaafd intelligentieniveau en een sterk vermijdende, passieve coping-stijl met emotionele belasting. Vooral in spanningsvolle (conflict) situaties kan hij overvraagd worden, waardoor hij klem loopt in de maatschappij. In stressvolle situaties raakt hij overspoeld en schieten zijn copingvaardigheden tekort. In dit soort gevallen kan hij fors gewelddadig reageren. Over het verband met het delict schrijft de psycholoog dat sprake was van een stressvolle situatie op sociaal gebied, waarbij de verdachte overspoeld is geraakt door problemen welke hij niet heeft weten te hanteren.

In het rapport omschrijft de psycholoog dat de verdachte in zijn opvoeding de handvatten heeft gemist om een eigen identiteit te ontwikkelen. De psycholoog heeft op de zitting van 27 augustus 2026 toegelicht dat de verdachte in zijn opvoeding verschillende vaardigheden en (empathische) eigenschappen niet heeft aangeleerd, en dat het Gerecht hiermee rekening kan houden.

Het Gerecht leidt uit het rapport van de deskundige en zijn toelichting daarop op de zitting van 27 augustus 2026 af dat de verdachte vanwege zijn gebrekkige ontwikkeling in verminderde mate in staat was zijn wil te bepalen en de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Het Gerecht verbindt daar een andere waardering aan dan de deskundige. Het Gerecht vindt dat de verdachte door het ontbreken van de aangeleerde vaardigheden en beperkte intellectuele vaardigheden minder goed in staat was zijn impulsen te beheersen en alternatieve handelingsopties te overzien. Het Gerecht rekent hem de feiten daarom in verminderde mate toe.

Toepassing jeugdrecht?

De psycholoog heeft toepassing van het volwassenenstrafrecht geadviseerd.

De raadsman heeft bepleit om het advies van de deskundige niet te volgen en de verdachte met toepassing van artikel 79c van het Wetboek van Strafrecht BES te veroordelen conform het jeugdstrafrecht. Het Gerecht overweegt hierover als volgt.

De verdachte was 19 jaar oud ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Dit betekent dat in beginsel het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Het Gerecht kan op grond van artikel 79c van het Wetboek van Strafrecht BES recht doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht, maar enkel wanneer het Gerecht daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

Het Gerecht ziet noch in de persoonlijkheid van de verdachte, noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, voldoende concrete aanwijzingen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Uit het rapport van de psycholoog volgen eerder contra-indicaties. Uit het rapport blijkt dat de verdachte zich niet laat aansturen of begrenzen door zijn ouders of door een andere autoriteit. De verdachte zal niet kunnen profiteren van een pedagogisch klimaat, omdat hij deze niet zal accepteren, aldus de psycholoog. De psycholoog concludeert dat het jeugdstrafrecht geen toegevoegde waarde meer heeft om herhaling te voorkomen.

Ook in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan ziet het Gerecht onvoldoende aanwijzingen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte heeft op twee verschillende momenten die nacht de bewuste keuze gemaakt om te schieten, en lijkt daarbij niet te hebben gehandeld onder groepsdruk. De eerste keer liep hij in zijn eentje Club Rush uit en schoot daar. De tweede keer werd er weliswaar op hem geschoten, maar de auto met de schutters reed op dat moment al weg. De verdachte heeft er toen bewust voor gekozen om op die wegrijdende auto te schieten.

Het Gerecht zal daarom niet overgaan tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

Behandeling wenselijk

Het Gerecht onderkent wel het belang van behandeling van de verdachte, gericht op psycho-educatie en afgestemd op de verstandelijke vermogens van de verdachte. Het wettelijk kader biedt het Gerecht geen mogelijkheid om een dergelijke behandeling op te leggen. Het Gerecht spreekt echter de hoop uit dat de verdachte wel behandeld zal worden, en dat daarmee een begin zal worden gemaakt tijdens de detentie.

Op basis van het advies van de psycholoog moet de behandeling en begeleiding van verdachte zich richten op het volgende:

  • Versterken van de weerbaarheid van onderzochte

  • Versterken van het zelfinzicht en reflecterend vermogen

  • Leren (h)erkennen van de eigen grenzen en die van anderen en hiernaar handelen.

  • De eigen emoties herkennen deze op een adequate manier uiten.

  • Versterken van de sociale- en copingvaardigheden.

  • Versterken van de empathische vaardigheden.

  • Verstevigen en uitbreiden van het pro-sociale netwerk.

  • Ontwikkelen en behouden van een passend dagbesteding.

  • Het leren accepteren van autoriteit.

  • Het versterken van het zelfbeeld.

Hoogte van de straf

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen doodslag, een openlijke geweldpleging en het voorhanden hebben van vuurwapens. Het Gerecht komt niet tot een bewezenverklaring van feit 1, maar de ernst van de wel bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt zonder meer het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Het Gerecht heeft gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Gemeenschappelijk Hof, en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor een poging tot doodslag door te schieten is het uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 5-6 jaar. Voor de openlijke geweldpleging in deze zaak gaat het Gerecht uit van een gevangenisstraf van 3 jaar. Voor vuurwapenbezit op straat, tijdens een evenement, is de gebruikelijke straf 21-24 maanden, met een deel voorwaardelijk. In dit geval zit er echter overlap tussen de feiten.

Naar het oordeel van het Gerecht moet bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hierbij neemt het Gerecht in het bijzonder de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte in aanmerking, en ook zijn jonge leeftijd.

Het Gerecht houdt daarnaast rekening met het feit dat de verdachte na het incident bij Club Rush in Nort’i Saliña onder schot is genomen door de inzittenden van de voorbijrijdende auto. De tweede poging doodslag was een reactie daarop.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

DE VORDERINGEN TOT SCHADEVERGOEDING

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [benadeelde partij 3], tot een bedrag van USD 11.789,50;

  2. [benadeelde partij 2], tot een bedrag van USD 1.035,00; en

  3. [benadeelde partij 1], tot een bedrag van USD 3.000,00.

[benadeelde partij 3] is de moeder van de overleden [slachtoffer 1]. Haar vordering ziet op vergoeding van de kosten van de begrafenis van [slachtoffer 1], en daarnaast USD 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding.

De vordering van [benadeelde partij 2] heeft betrekking op een Kia Rio die die nacht geparkeerd stond op de Kaya Prinses Marie, schuin tegenover Club Rush. De vordering ziet enerzijds op reparatiekosten voor de auto, en anderzijds op omzetderving door het mislopen van huurinkomsten.

De vordering van [benadeelde partij 1] betreft materiële schade aan zijn Chevrolet Spark. Hij stelt dat als gevolg van de schietpartij van 8 juni 2025 auto total loss is geraakt. Hij begroot de schade op USD 3.000,00. De benadeelde partij heeft de vordering en de hoogte van het gevorderde bedrag niet nader onderbouwd.

Standpunten

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3] gevorderd deze hoofdelijk toe te wijzen voor zover deze ziet op de materiële begrafeniskosten, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Hij voert daartoe aan dat er voor toewijzing van vergoeding van affectieschade op de BES-eilanden nog geen wettelijke grondslag bestaat en dat de gestelde schokschade onvoldoende is onderbouwd.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 1] gevorderd dat deze hoofdelijk toe te wijzen. Uit het dossier volgt dat de auto minstens 11 schotbeschadigingen heeft, daarom is verdere onderbouwing van de vordering niet nodig.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] heeft de officier van justitie gevorderd deze hoofdelijk toe te wijzen voor zover deze ziet op de materiële reparatiekosten en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

Oordeel van het Gerecht

Ad 1. Vordering van [benadeelde partij 3]

Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de dood van haar zoon [benadeelde partij 3] en de overige nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadig overlijden van een zeer jong familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. Dat leed staat voor het Gerecht niet ter discussie

Maar voor toewijzing van de vordering is vereist dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, en dat de verdachte daarvoor civielrechtelijk aansprakelijk is. Die civielrechtelijke aansprakelijkheid kan het Gerecht in deze zaak niet vaststellen. Het is immers niet duidelijk geworden wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1].

Het Gerecht heeft overwogen of de vordering (deels) toch zou kunnen worden toegewezen, bijvoorbeeld op grond van groepsaansprakelijkheid. De verdachte en de medeverdachten worden allen veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld. Het is in dit geweld dat [slachtoffer 1] is omgekomen. Een bewezenverklaring van openlijk geweld is echter niet voldoende voor het aannemen van gedragingen in groepsverband in de zin van artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES. Zij brengt niet zonder meer mee dat de verdachte ook civielrechtelijk in groepsverband heeft gehandeld, zodat de schade aan alle verdachten hoofdelijk kan worden toegerekend.

Nu niet binnen het beperkte kader van de strafprocedure kan worden vastgesteld dat de verdachte individueel, of in groepsverband, civielrechtelijk aansprakelijk is voor de geleden schade zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ad 2. De vordering van [benadeelde partij 2]

Voor de vordering van [benadeelde partij 2] geldt hetzelfde. Nog los van het feit dat de omzetderving niet is onderbouwd, geldt ook hier dat het Gerecht niet kan vaststellen wie op de Kia Rio heeft geschoten. Groepsaansprakelijkheid in civielrechtelijke zin kan ook hier niet zonder meer worden aangenomen.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte individueel, of in groepsverband, civielrechtelijk aansprakelijk is voor de geleden schade zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ad 3. Vordering van [benadeelde partij 1]

Uit het dossier blijkt voldoende dat de auto aanzienlijke schade heeft opgelopen. Zo blijkt uit forensisch onderzoek dat op de auto elf schotbeschadigingen zijn aangetroffen. Zowel de vordering als het dossier bevatten echter geen nadere informatie aan de hand waarvan de omvang van de geleden schade kan worden vastgesteld. Het Gerecht kan daarom de hoogte van de schade niet bepalen.

De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 57 en 59 van het Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart de benadeelde partijen, [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat deze de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal bijgestaan door mr. mr. J.J. Scholte ter Horst, griffier, en op 27 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.