Strafrecht overig
Uitspraak in de mega-zaak Galapagos. Schietpartij in de nacht van 8 juni 2025 rondom Club Rush op Bonaire…
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 27 oktober 2026
ECLI:NL:OGEABES:2026:271 · Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerecht-in-eerste-aanleg-van-bonaire-sint-eustatius-en-saba/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-ogeabes-2026-271
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 410.00024/25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:OGEABES:2026:271
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitspraak in de mega-zaak Galapagos. Schietpartij in de nacht van 8 juni 2025 rondom Club Rush op Bonaire. Een 15-jarige jongen is hierbij om het leven gekomen. Minderjarige verdachte - 15 jaar oud ten tijde van de feiten. De anonieme bedreigde getuige X heeft verklaard dat de verdachte en een medeverdachte samen op het slachtoffer hebben geschoten. Die verklaring vindt onvoldoende steun in de rest van het dossier. Vrijspraak voor doodslag op het slachtoffer. Veroordeling voor poging doodslag op anderen, openlijk geweld en vuurwapenbezit. Geen sprake van noodweer, want de verdachte handelde in de kern aanvallend. Aan de verdachte wordt een jaar jeugddetentie en een PIJ-maatregel opgelegd. Overwegingen over de plaats van tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel.
Uitspraak
Parketnummer: 410.00024/25
Uitspraak: 27 oktober 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de minderjarige verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteland],
wonende op Bonaire, [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.
ONDERZOEK VAN DE ZAAK
Het onderzoek ter (gedeeltelijk) openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24, 28 en 31 augustus 2026 en op 27 oktober 2026. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.M.A. van Lieshout, advocaat op Bonaire.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feiten 1 tot en met 4 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 1 jaar, met aftrek van het voorarrest en dat de verdachte zal worden geplaatst in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd te beslissen zoals vermeld op de door hem overgelegde beslaglijst.
Zijn vordering behelst voorts de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 ten laste gelegde en ontslagen van alle rechtsvervolging van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft voorts een strafmaat verweer gevoerd.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd zijn de verdenkingen als volgt:
-
Medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] op 8 juni 2025
-
Medeplegen van poging tot doodslag op [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [slachtoffer 2] op 8 juni 2025
-
Openlijke geweldpleging tegen personen en/of goederen op 8 juni 2025
-
Medeplegen van het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens op 8 juni 2025
VOORVRAGEN
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
OORDEEL VAN HET GERECHT OVER DE TENLASTEGELEGDE FEITEN
Inhoud:
-
Inleiding en standpunten
-
Feiten en omstandigheden
-
Wat weten we over de verdachte
-
De verklaring van getuige X
-
Bewijsoverwegingen over feit 1
-
Bewijsoverwegingen over feit 2
-
Bewijsoverwegingen over feit 3
-
Bewijsoverwegingen over feit 4
Inleiding en standpunten
In de nacht van 8 juni 2025 heeft rondom Club Rush een schietpartij plaatsgevonden van een omvang die op Bonaire ongekend is. Die nacht is door verschillende personen bij een drukke uitgaansgelegenheid veelvuldig geschoten, ten gevolge waarvan de vijftienjarige [slachtoffer 1] is overleden. Eén van de belangrijkste vragen in deze zaak is wie het dodelijke schot op [slachtoffer 1] heeft afgevuurd. De verdachte heeft bekend dat hij een wapen had en dat hij daarmee ook heeft geschoten. Maar hij ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten.
De officier van justitie heeft betoogd dat bewezen kan worden dat de verdachte samen met zijn vriend en medeverdachte [medeverdachte 3] het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. De officier van justitie concludeert dat de verdachte het dodelijk schot heeft gelost en baseert zich daarbij op de verklaring van anoniem bedreigde getuige X. Volgens de officier van justitie is echter niet van belang wie van de twee verdachten het dodelijke schot heeft gelost, omdat er sprake is van medeplegen. Daartoe voert de officier van justitie aan dat de verdachte en [medeverdachte 3] eerder als broers dan als vrienden met elkaar omgingen, dat zij die avond gezamenlijk en gewapend naar Club Rush zijn gegaan en dat zij samen op het slachtoffer hebben geschoten. Voorts heeft de verdachte na het schietincident bij Club Rush zijn wapen aan zijn vriend gegeven en heeft de vriend de wapens vervolgens weggemaakt. Alle hiervoor beschreven gedragingen getuigen volgens de officier van justitie van een nauwe en bewuste samenwerking.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1].
Het Gerecht zal hierna eerst ingaan op het dossier, en de waardering van de verklaring van anonieme bedreigde getuige X.
Daarna zal het Gerecht de afzonderlijke feiten een voor een bespreken. Het beroep op noodweer(exces) zal worden behandeld bij de bespreking van feit 2, het feit waar het verweer betrekking op heeft.
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In de nacht van 7 op 8 juni 2025 treedt de Curaçaose rapper [naam rapper] op in Club Rush. Club Rush is gelegen aan de Kaya Princess Marie, ten noorden van de club ligt Restaurant Latino’s en ten zuiden de Kaya L.D. Gerharts. Het optreden trekt veel bezoekers: het is druk zowel binnen als buiten de club. Na afloop van het optreden van [naam rapper] ontstaat in Club Rush een vechtpartij. De vechtpartij verplaatst zich naar buiten, en gaat voor de ingang van de club verder. Het is dan iets voor 3.00 uur in de ochtend. De vechtpartij is voor een deel vastgelegd op de beveiligingscamera van Club Rush, die bij de ingang van de club hangt en op de straat is gericht.
Kort nadat de vechtpartij zich naar buiten heeft verplaatst zijn twee schoten te horen, die buiten het beeld worden gelost. Twee andere schoten volgen, eveneens buiten beeld. Aan de overkant van Club Rush staat een groep jongens, onder wie medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Zij zijn vastgelegd op de beveiligingscamera van Club Rush. Na de eerste schoten trekt [medeverdachte 2] een vuurwapen en schiet een aantal keer in de lucht. [medeverdachte 1] volgt niet veel later en vuurt een aantal schoten in de lucht af, waarna hij een salvo in de richting van Latino’s afvuurt. Op de beelden is te zien dat het latere slachtoffer [slachtoffer 1] midden op de weg loopt. Dan is een schot met een zwaardere klank te horen, en vrijwel direct daarna valt [slachtoffer 1] tussen twee auto’s neer. Hij is in zijn hoofd geraakt en overlijdt later aan zijn verwondingen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de kogel die [slachtoffer 1] dodelijk heeft geraakt afkomstig is uit een revolver van het kaliber .38SPL of .357 Magnum.
Uit de verklaringen volgt dat bij Club Rush onder andere een groep uit de wijk Nort’i Saliña aanwezig was; dit is de groep waar de verdachte toe behoort. Ook was een groep uit de wijk Den Tera aanwezig. Tussen beide wijken c.q. groeperingen zou al jaren een vete bestaan.
Wat weten we over de verdachte
Op de camerabeelden van Club Rush is de verdachte duidelijk te zien. Tijdens de vechtpartij voor de ingang van de club staat hij pal voor de camera. Op de beelden is te zien dat de verdachte zich niet met de vechtpartij bemoeit, maar daar wel naar kijkt. Ook is te zien dat de verdachte steeds met zijn hand naar zijn broeksband gaat, alsof hij daar een vuurwapen heeft zitten. De verdachte heeft verklaard dat hij die avond in het bezit was van een revolver.
Op het moment dat de eerste twee schoten buiten beeld te horen zijn, loopt de verdachte met een ander persoon links het beeld uit. Zij lopen dan op de stoep aan de zijde van Club Rush in de richting van Latino’s. Vanaf dat moment is de verdachte niet meer op de camerabeelden waar te nemen tot na afloop van de schietpartij.
Over de vraag waar de verdachte naartoe is gelopen en waar hij zich tijdens het schieten bevond bestaat onduidelijkheid. De verdachte verklaart hier zelf ook wisselend over. Op zitting heeft de verdachte verklaard dat hij op de weg langs de geparkeerde auto’s aan de zijde van Club Rush liep en dat hij op enig moment de straat is overgestoken en achter de blauwe Chevrolet Spark is gaan schuilen. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij achter de iets voor de Spark, buiten het camerabeeld geparkeerde Audi is gaan schuilen.
Andere verdachten en getuigen plaatsen de verdachte weer op andere locaties nabij Club Rush. [medeverdachte 1] verklaart dat hij de verdachte samen met diens vriend bij de geparkeerde auto’s aan de kant van Club Rush zag staan. Getuige X verklaart echter dat die de verdachte vanachter een muurtje zag komen vanaf de parkeerplaats van de Top Supermarkt en dat de verdachte daarna midden op straat stond. De vriend van de verdachte plaatst de verdachte schuilend bij een auto; het is onduidelijk waar deze auto stond.
Al met al veel onduidelijkheid over de positie van de verdachte ten tijde van de schietpartij. Wel staat vast dat de verdachte die nacht heeft geschoten. Hoewel het schieten door verdachte op de beelden niet te zien is, is dit door meerdere getuigen verklaard. De verdachte ontkent dit ook niet. Hij verklaart dat hij gericht heeft geschoten in de richting van [medeverdachte 1].
De verklaring van getuige X
Inleiding
In deze zaak is een getuige, de getuige X, op vordering van het openbaar ministerie als bedreigde anonieme getuige gehoord. De rechter-commissaris heeft de getuige eerst op 2 april 2026 – kort – gehoord, en naar aanleiding van dat verhoor geoordeeld dat de vrees van de getuige terecht was, en dat diens identiteit geheel verborgen moest blijven. Vervolgens heeft de rechter-commissaris de getuige X in juli 2026 onder ede nader gehoord. De officier van justitie en de advocaat zijn bij dit verhoor niet aanwezig geweest, maar hebben beiden wel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke vragen aan de rechter-commissaris op te geven. De gegrondheid van de bij de getuige bestaande vrees is voorafgaand aan dit verhoor opnieuw door de rechter-commissaris getoetst. De verklaring van de getuige is door de rechter-commissaris vervolgens neergelegd in een proces-verbaal, althans voor zover die verklaring niet zou kunnen leiden tot achterhalen van de identiteit van de getuige. Een deel van de antwoorden van de getuige X is om veiligheidsredenen niet in het proces-verbaal weergegeven.
Standpunten
De officier van justitie vindt de verklaring van X betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Niet alleen heeft de rechter-commissaris de betrouwbaarheid van de getuige getoetst, aldus de officier van justitie, uit de verklaringsbereidheid van de getuige en de gedetailleerdheid van diens verklaring volgt die betrouwbaarheid ook. Bovendien wordt de verklaring van X op bepaalde punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. De officier van justitie hecht in zijn bewijsconstructie aan de verklaring van X vele waarde.
De raadsvrouw heeft juist bepleit dat de verklaring van X niet betrouwbaar is. De getuige had gedronken, het was donker, en er was sprake van een hectische situatie. De getuige heeft ook niet op alle punten consistent verklaard, aldus de raadsvrouw.
Het Gerecht ziet zich daarom voor de vraag gesteld hoe de verklaring van getuige X gewogen dient te worden.
Wettelijk kader
Het horen door de rechter-commissaris van een anonieme bedreigde getuige is geregeld in artikel 261 Sv BES. Het verhoor van X heeft in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel plaatsgevonden. In dit artikel staat overigens niet dat de rechter-commissaris ook de betrouwbaarheid van de (verklaring van de) getuige moet toetsen. De rechter-commissaris toetst de bij de getuige bestaande vrees, en de bezwaren van de getuige tegen onthulling van diens identiteit. Zo staat het ook in het proces-verbaal verwoord.
In artikel 385 lid 4 Sv BES is vervolgens bepaald dat de verklaring van een op deze manier gehoorde anonieme getuige alleen dan voor het bewijs kan worden gebruikt, als ‘belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend’. Oftewel: het Gerecht kan de verklaring gebruiken als die onderdeel is van een bewijsconstructie waarin ook andere ‘belangrijke’ bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er moet dus sprake zijn van steunbewijs.
Oordeel van het Gerecht
De vraag is of de verklaring van X voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Het Gerecht vindt van wel. De getuige heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard, en het feit dat de getuige de moeite heeft genomen de verklaring af te leggen, ondanks de vrees voor diens leven, is niet goed te rijmen met het bewust afleggen van een valse verklaring.
De verklaring kan dus voor het bewijs worden gebruikt. Het Gerecht houdt wel rekening met de chaotische situatie voor Club Rush, de paniek, en het feit dat de getuige zoals die zelf zegt ‘in dekking’ was.
Daarnaast houdt het Gerecht rekening met het feit dat het een anonieme getuige betreft, en dat het ondervragingsrecht ten aanzien van getuige X beperkt is geweest. De verdediging heeft alleen schriftelijke vragen kunnen stellen, door middel van tussenkomst van de rechter-commissaris. Een deel van de antwoorden is bovendien niet in het dossier gevoegd.
Het Gerecht zal daarom behoedzaam met de verklaring van X omgaan. Zoals artikel 385 lid 4 Sv BES ook voorschrijft.
Overwegingen over feit 1 – medeplegen doodslag [slachtoffer 1]
Medeplegen
Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer 1] is geraakt door een kogel afkomstig uit een revolver, en dat de schutter vanuit de richting van Latino’s in de richting van de Kaya L.D. Gerharts moet hebben geschoten. Wat ook vaststaat, is dat de verdachte en diens vriend beiden een revolver hadden die avond, en dat zij beiden daar ook mee hebben geschoten.
De officier van justitie heeft terecht betoogd dat een veroordeling voor het medeplegen van doodslag in sommige gevallen mogelijk is, ook als niet vast komt te staan wie het dodelijke schot heeft gelost. Daarvoor moet dan wel worden vastgesteld dat er sprake is van een gezamenlijk plan dan wel een gezamenlijke uitvoering en dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het delict moet hebben geleverd.
De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is dus, of er voldoende bewijs is dat de verdachte en zijn vriend samen op [slachtoffer 1] hebben geschoten, in de zin van medeplegen.
Steunbewijs voor de verklaring van X?
De officier van justitie heeft in dit verband veel waarde gehecht aan de verklaring van getuige X. Die verklaring zou inderdaad op medeplegen kunnen duiden. Getuige X heeft immers verklaard dat hij zag dat de verdachte en diens vriend samen aan kwamen lopen, dat ze beiden op [slachtoffer 1] schoten, en dat [slachtoffer 1] toen op de grond viel tussen de auto’s.
Maar de verklaring van getuige X sluit met betrekking tot het gezamenlijk en gelijktijdig aflopen op en schieten richting het slachtoffer door de verdachte en diens vriend, niet aan bij de rest van het dossier. Allereerst sluit de verklaring niet aan bij de overige verklaringen. De verdachte en zijn vriend plaatsen zichzelf ieder aan een andere kant van de weg. [medeverdachte 1] verklaart weliswaar dat de jongens samen stonden, maar niet daar waar de getuige X hen plaatst, maar achter de auto’s aan de kant van Club Rush.
Daarnaast lijkt de verklaring van getuige X niet goed te passen bij de uitkomsten van het forensisch onderzoek. Uit het forensisch onderzoek volgt dat de kogel uit het hoofd van [slachtoffer 1] overeenkomsten vertoont met twee kogelmantels die respectievelijk naast [slachtoffer 1] en bij de muur van de Ford Garage zijn aangetroffen. Daaruit volgt dat met één zelfde vuurwapen driemaal in de richting van het slachtoffer is geschoten. Dit vuurwapen is geïdentificeerd als waarschijnlijk een revolver van het kaliber .38SPL of .357 Magnum. Uit het forensisch onderzoek is niet gebleken dat er ook met een andere revolver die richting op is geschoten.
Ten slotte komt uit het audiobeeld naar voren dat één enkel schot is te horen vlak voordat [slachtoffer 1] neervalt. Een aantal secondes vóór en na dat schot zijn geen schoten te horen. Dit alles past niet bij het beeld dat dat de getuige X schetst, namelijk dat de verdachte en zijn vriend tegelijk op [slachtoffer 1] hebben geschoten.
Dit betekent dat de verklaring van de getuige X op dit cruciale punt onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Integendeel: de verklaring van X wordt door andere bevindingen in het dossier juist tegengesproken.
Waren de verdachte en diens vriend samen?
Daarbij komt, dat de verdachte en zijn vriend [medeverdachte 3] op de momenten waarop zij wél op de camerabeelden te zien zijn, niet samen lijken te zijn. De vriend mengt zich in de vechtpartij bij de ingang van de club en gaat daar ook naar binnen. De verdachte houdt zich juist afzijdig. Hij blijft even staan kijken en loopt vervolgens met een andere persoon weg, ongeveer op het moment van het eerste schot. Pas later komt de vriend alleen uit de club gelopen, waarna ook hij uit beeld loopt. De vriend loopt weliswaar dezelfde richting op als waar de verdachte eerder heen ging, maar is even later opnieuw alleen te zien, nu op de camerabeelden van Akseso. Kort daarop voegt de vriend zich bij weer een ander persoon. Pas na afloop van de schietpartij ontmoeten de verdachte en zijn vriend elkaar weer, aan de andere kant van Rush, op de Kaya L.D. Gerharts.
Veel vragen blijven open
Het staat zoals gezegd wel vast dat [slachtoffer 1] is geraakt door een kogel afkomstig uit een revolver en dat de schutter vanuit de richting van Latino’s in de richting van de Kaya L.D. Gerharts schoot. De verdachte en zijn vriend hadden beide een revolver die avond. Maar verder blijven er in het dossier veel vragen onbeantwoord.
Zo is niet duidelijk wie er nog meer over een revolver beschikten en waar de verschillende verdachten zich ten tijde van het schietincident bevonden. Ook blijft onduidelijk wat zich precies heeft afgespeeld op de hoek van de parkeerplaats van de Top supermarkt en de garage. Evenmin kan worden vastgesteld of er nog andere personen bij de schietpartij betrokken waren. Het is niet duidelijk geworden wie het derde en vierde schot heeft afgevuurd, nu ook deze buiten de camerabeelden zijn gelost.
Conclusie
Er is één getuige die de schutter(s) aanwijst en verklaart dat de verdachte samen met zijn vriend op het slachtoffer heeft geschoten. Dit is de anonieme bedreigde getuige. Diens verklaring vindt op dit cruciale punt echter onvoldoende steun in het overige bewijsmateriaal. Het Gerecht gaat daarom niet zonder meer van die verklaring uit.
Ander bewijs dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten, al dan niet in een nauwe samenwerking met zijn vriend, is er niet. De getuigen hebben wisselend en tegenstrijdig verklaard, en ook het forensisch bewijs biedt geen duidelijkheid.
Het Gerecht spreekt de verdachte daarom vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van doodslag.
Het Gerecht realiseert zich dat het voor veel mensen onbevredigend zal zijn dat daarmee de belangrijkste vraag in deze zaak onbeantwoord blijft. Maar dat is wel de juridische realiteit.
Overwegingen over feit 2 - poging tot doodslag op meer personen
De verdachte bekent gericht te hebben geschoten op [medeverdachte 1]. Dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag wordt door de verdediging niet betwist.
Op de camerabeelden van Club Rush is te zien dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [slachtoffer 2] (heel) dicht bij elkaar stonden tussen de auto’s. Ze stonden min of meer in elkaars verlengde en stonden ook niet statisch op één plek. Door van een afstandje op [medeverdachte 1] te schieten, heeft de verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat de twee mannen die naast [medeverdachte 1] stonden dodelijk zouden worden geraakt. Daarmee is een poging doodslag op alle drie in de tenlastelegging genoemde personen bewezen.
Het Gerecht kan niet vaststellen dat de verdachte dit heeft gedaan in een nauwe samenwerking met een ander. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het bestanddeel medeplegen.
Noodweer(exces)
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. De verdachte schoot op [medeverdachte 1], omdat [medeverdachte 1] op hem schoot. De verdachte zocht dekking achter een auto en heeft drie keer teruggeschoten, met de bedoeling hem te laten stoppen. Van een vijftienjarige kan niet worden verlangd dat hij in zo’n situatie goed kan beoordelen of hij veilig kan vluchten. Als de verdachte door terug te schieten de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan was dat het gevolg van de hevige gemoedsbeweging die was ontstaan, en komt hem een beroep toe op noodweerexces, aldus de raadsvrouw.
Verdediging of aanval?
Zoals hiervoor al aangegeven, is er veel onduidelijkheid over de positie en de gedragingen van de verdachte nadat hij wegliep bij de ingang van Club Rush. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij aan de kant van Club Rush bij de auto’s liep en op een zeker moment de straat is overgestoken en aan de overkant van de straat achter een auto dekking heeft gezocht. Op de zitting heeft de verdachte nader toegelicht dat hij een stukje wegliep van Rush, maar toen er geschoten werd is omgekeerd, de straat is overgestoken en daar is gaan schuilen. De verdachte verklaart dat hij achter een auto stond, en [medeverdachte 1] aan de andere kant van die auto, en dat hij vanuit die positie op [medeverdachte 1] heeft geschoten.
Uitgaande van die verklaring, heeft de verdachte het geweld juist opgezocht. Hij was al aan het weglopen, had verder kunnen lopen/rennen of zich kunnen verschuilen tussen de auto’s aan die kant van de weg, maar in plaats daarvan is hij omgekeerd en de weg overgestoken, terug richting waar geschoten werd en waar [medeverdachte 1] stond. De verdachte onttrok zich dus niet aan het gevaar, maar begaf zich juist gewapend met een vuurwapen daarnaartoe. Het handelen van de verdachte was daarmee gericht op deelname aan het vuurwapengeweld en het Gerecht kenmerkt zijn handelen dan ook in de kern als aanvallend en niet als verdedigend.
Noodweer?
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard als de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien. Dat er ook in de richting van de verdachte is geschoten, maakt die conclusie niet anders.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Noodweerexces?
Het beroep op noodweerexces slaagt evenmin. Dat beroep vereist dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Nu hij zich bewust in een gewapende confrontatie heeft begeven en daaraan heeft deelgenomen, was daarvan geen sprake. Bovendien heeft de verdachte niet verklaard over een hevige gemoedsbeweging en is daarvan ook niet gebleken.
Overwegingen over feit 3 - openlijk geweld
De raadsvrouw heeft bepleit dat het schieten door de verdachte los staat van het geweld dat door anderen is gepleegd voor Club Rush, en dat om die reden feit 3 niet kan worden bewezen. De verdachte kan alleen verantwoordelijk worden gehouden voor wat hij zelf heeft gedaan; er mag geen sprake zijn van collectieve toerekening, aldus de raadsvrouw.
Het Gerecht overweegt hierover als volgt.
Wettelijk kader
In artikel 147 Sr BES is strafbaar gesteld het openlijk plegen van geweld met verenigde krachten. Deze strafbaarstelling ziet op het deelnemen aan groepsgeweld in de openbare ruimte. De strafwaardigheid van openlijk geweld zit in de aantasting van de openbare orde, niet in de aantasting van de lichamelijke integriteit van de individuele slachtoffers. Voor een bewezenverklaring is daarom minder van belang wie precies wat heeft gedaan, of wie precies bij wie hoorde. Het gaat om groepsaansprakelijkheid; heeft een verdachte deel uitgemaakt van de groep, en een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld, dan is de verdachte strafbaar. ‘De groep’, is daarbij een ruim begrip.
Het bestanddeel ‘met verenigde krachten’ valt uiteen in twee delen. Het onderdeel ‘verenigde’ ziet op het in vereniging plegen van het delict, en kan worden beoordeeld aan de hand van de rechtspraak op het gebied van medeplegen. Het woord ‘krachten’ ziet erop dat van de verdachte zelf ook “enige gewelddadige handeling is uitgegaan”. Dit betekent dat hier - anders dan in Europees Nederland, waar het woord krachten is komen te vervallen – niet alleen sprake moet zijn van een significante bijdrage aan het geweld door de verdachte, maar dat die bijdrage ook een gewelddadig karakter moet hebben gehad.
Openlijk geweld?
Wat begint als een vechtpartij voor de ingang van Club Rush, ontwikkelt zich in een oogwenk tot een geweldsexplosie waarbij tientalen keren wordt geschoten. Deze geweldsexplosie dijt vervolgens uit naar de omliggende straten, waar door verschillende personen vanaf verschillende plekken eveneens wordt geschoten.
Met de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat de geweldshandelingen die in de nacht van 8 juni 2025 voor en in de omgeving van Club Rush plaatsvonden als één geheel, ofwel als één uiting van geweld moeten worden gezien. De eerste schoten zijn een directe reactie op de vechtpartij die voor Rush plaatsvindt, waarop weer een reactie van andere schoten volgt, waarop nog meer reacties van schoten volgen, tot op de hoek van het Belastingkantoor aan toe. Kennelijk lokte het gebruik van geweld op dat moment en op die plaats, met name het schieten met vuurwapens, nieuw geweld uit van weer andere personen, die ook een vuurwapen wilden gebruiken.
Bijdrage van de verdachte
Voor de verdachte geldt, zoals hiervoor al is overwogen, dat hij het geweld specifiek lijkt te hebben opgezocht, door terug te lopen richting Club Rush op het moment dat er werd geschoten. Door vervolgens zelf ook een vuurwapen ter hand te nemen en daarmee te schieten, heeft de verdachte zonder meer een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld dat op dat moment op de openbare weg werd gepleegd.
De omstandigheid dat de aan dit geweld deelnemende personen niet tot een vastomlijnde groep behoorden, doet aan die kwalificatie niet af. Door hun handelen binnen deze ene geweldsexplosie zijn zij naar het oordeel van het Gerecht onderdeel gaan uitmaken van één groep geweldplegers. De verschillende verdachten hebben zich, door een vuurwapen ter hand te nemen en die af te vuren, bij die groep aangesloten en aan het geweld bijgedragen.
BEWEZENVERKLARING
Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 2
hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen heeft geschoten in de richting van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en[slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 3
hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire openlijk op de openbare weg, de Kaya Princes Marie, met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten een of meer aanwezige omstanders, en tegen goederen, te weten meerdere aldaar geparkeerde auto's, en bestaande dat geweld uit het meermalen met een vuurwapen schieten in de richting van die omstanders.
Feit 4
hij op 8 juni 2025 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad vuurwapens, te weten meerdere revolvers en een hoeveelheid munitie, zijnde vuurwapens en munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.
Het Gerecht vindt niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
BEWIJSMIDDELEN
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.
STRAFBAARHEID EN KWALIFICATIE
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Poging tot doodslag.
Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen en goederen.
Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES juncto artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
De officier van justitie heeft gevorderd dat het Gerecht de verdachte zal veroordelen tot 1 jaar jeugddetentie en daarnaast het advies van de deskundigen zal volgen, en aan de verdachte een PIJ-maatregel zal opleggen.
De raadsvrouw is van mening dat een PIJ-maatregel niet op zijn plaats is. Bij vrijspraak voor feit 1 mag de dood van het slachtoffer niet langs de achterdeur de noodzaak en proportionaliteit van een PIJ-maatregel blijven bepalen, aldus de raadsvrouw. Zij stelt daarnaast dat een uitvoering van de PIJ-maatregel op Bonaire niet mogelijk is en dat plaatsing in een inrichting in Europees Nederland zeer onzeker is.
Het Gerecht heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. In de nacht van 8 juni 2025 is hij samen met zijn vriend, ieder bewapend met een revolver, naar Club Rush gegaan. Toen daar door anderen werd geschoten, is de verdachte niet gevlucht voor dit gevaar. Hij liep juist op het vuurwapengeweld af. Te midden van een druk uitgaansgebied loste hij meerdere gerichte schoten. Een vijftienjarige jongen, even oud als de verdachte zelf, is om het leven gekomen.
De gebeurtenissen van 8 juni 2025 hebben diepe sporen nagelaten in de samenleving van Bonaire. Het vuurwapengeweld van die nacht was excessief en voor Bonaire ongekend, en heeft de gemeenschap ernstig geschokt. Dat blijkt onder meer uit de reacties in de media en uit de grote belangstelling voor de behandeling van deze zaak. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens onder jongeren is een groot probleem op Bonaire. Hoe zwaar de gevolgen daarvan kunnen zijn, is in deze zaak pijnlijk duidelijk geworden. Het overlijden van het slachtoffer heeft bij zijn nabestaanden onherstelbaar en blijvend leed veroorzaakt.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
Naast de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze gepleegd zijn, dient het Gerecht ook naar de persoon van de verdachte te kijken. Het Gerecht stelt voorop dat ten aanzien van de verdachte het jeugdstrafrecht van toepassing is, omdat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten vijftien jaar oud was. Dit betekent dat aan hem volgens de wet een jeugddetentie kan worden opgelegd voor de maximale duur van 1 jaar.
De verdachte is niet eerder veroordeeld.
Het Gerecht heeft zich vaak afgevraagd hoe het kan dat een jongen van vijftien zonder strafblad in de nacht, bij een uitgaansgelegenheid, rondloopt met een geladen vuurwapen en daar dan ook nog mee gaat schieten.
Ondanks het feit dat over de verdachte rapportages zijn uitgebracht door een psychiater, twee psychologen en de voogdijraad, is op die vragen geen eenduidig antwoord gekomen. Wel volgt uit de rapportages dat de verdachte lijdt aan emotionele geremdheid en dat hij zijn emoties sterk opkropt. Zijn zelfinzicht is beperkt. Hij is in sterke mate geneigd om problemen te ontkennen en te vermijden. Hij is impulsief en gaat snel mee met anderen. Er is sprake van bewijsdrang. Als hij de fout in gaat, wordt hij niet begrensd door zijn ouders, maar wordt er begrip getoond voor zijn gedrag. De verdachte heeft daardoor de ernst van zijn gedrag en het effect van zijn gedrag op anderen niet leren inschatten.
Dit laatste is in deze zaak duidelijk gebleken: de stiefvader van de verdachte was ook aanwezig bij Club Rush die nacht, ook met een vuurwapen, en heeft als eerste een schot gelost. De verdachte heeft dit waarschijnlijk gezien en mogelijk het voorbeeld van zijn stiefvader gevolgd.
De uitgebrachte rapportages
De rapportage van psycholoog [psycholoog 1]
Over de verdachte is een uitgebreide rapportage uitgebracht door forensisch GZ-psycholoog [psycholoog 1]. De psycholoog komt tot de diagnose: norm overschrijdende gedragsstoornis met begin in de adolescentie, milde ernst. De psycholoog heeft daarnaast vastgesteld dat de verdachte functioneert op een zwakbegaafd tot beneden-gemiddeld intelligentieniveau. De psycholoog licht toe dat de emotieregulatie van de verdachte vlak en vermijdend is – hij krijgt lichamelijke klachten als hij niet uit de voeten kan met zijn emoties, of herkent en benoemt ze niet. Toen de moeder van verdachte naar Neerland vertrok is het probleemgedrag van de verdachte geëscaleerd, omdat toen de regels grotendeels zijn weggevallen.
Het rapport van de psycholoog houdt verder onder meer het volgende in: “De gedragsstoornis tast het vermogen van onderzochte aan om de emoties te reguleren, de impulsen te controleren en moreel te redeneren. In verband met zijn gedragsstoornis, negatieve omgevingsfactoren en hechtingsproblemen kan hij de impact van zijn gedrag niet goed inschatten, waardoor hij door de onderzoeker als verminderd toerekeningsvatbaar wordt beoordeeld.”
De psycholoog schrijft dat behandeling absoluut nodig is, want de problemen zijn hardnekkig en gaan niet vanzelf weg. Als de verdachte zich bedreigd zou voelen in de toekomst, of als de spanning heel hoog oploopt, is de kans op een impulsdoorbraak groot, aldus de psycholoog.
De psycholoog adviseert om aan de verdachte een PIJ-maatregel op te leggen. De behandeling van de verdachte zal enige jaren in beslag nemen. Het is in het belang van hem en de maatschappij om hem pas terug te laten keren in de samenleving op het moment dat het recidiverisico aanzienlijk is verminderd, aldus de psycholoog. Voor de verdachte biedt dit meer perspectief op een positieve terugkeer in de maatschappij, omdat zijn behandeling niet gehinderd zal worden door een gebrek aan motivatie of hulpvraag, omdat hier in een PlJ-kliniek aan gewerkt kan worden. Daarnaast schrijft de psycholoog dat een bijkomend gunstig effect zal zijn dat de PlJ-maatregel in Europees Nederland zal moeten plaatsvinden, waar de moeder van de verdachte al woont, en waar zijn toekomst ligt.
De rapportage en aanvullende rapportage van psychiater [psychiater]
Ook psychiater [psychiater] komt tot de diagnose norm overschrijdende gedragsstoornis en een (licht) verminderde toerekenbaarheid. De oplegging van een PIJ-maatregel, in combinatie met jeugddetentie, vindt de psychiater gewenst. Scholing en psychotherapie zouden moeten plaatsvinden. Omdat het gezin van de verdachte naar Europees Nederland is verhuisd zouden de systeemtherapie en resocialisatie daar moeten plaatsvinden.
De rapportage en aanvullende rapportage van psycholoog [psycholoog 2]
Psychloog [psycholoog 2] vindt de verdachte te jong om al van een stoornis te kunnen spreken, maar schrijft wel dat het gebrek aan behoefte aan sociaal contact, de keuzes die hij maakt, de mate waarin hij beïnvloedbaar is, de neiging tot grenzeloos gedrag en zijn onvermogen om de ernst van zijn situatie in te zien zorgelijk zijn, en duiden op een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis.
Ook deze deskundige komt tot het advies om de verdachte verminderd verantwoordelijk te houden voor zijn strafbare gedrag.
De psycholoog [psycholoog 2] adviseert een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel op te leggen. Idealiter wordt voor de verdachte een gefaseerd behandeltraject op maat gemaakt, bij voorkeur in Europees Nederland.
Advies van de voogdijraad
Ook de voogdijraad is van mening dat de verdachte een klinische behandeling nodig heeft. Moeder gaat voor hem door het vuur maar houdt hem te veel de hand boven het hoofd en is niet de juiste persoon om hem hierin te sturen. Een traject in het civiele kader is geen optie, en een ambulante behandeling ook niet – de verdachte onttrekt zich of houdt zich op de vlakte waardoor behandeling niet echt vat krijgt op hem als het niet gedwongen en klinisch is.
Naar aanleiding van de verkregen informatie gedurende het onderzoek en via het invullen van de wegingslijst PIJ-indicatie komt de Voogdijraad tot het advies van een onvoorwaardelijke PIJ maatregel. Deze zou in Europees Nederland ten uitvoer moeten worden gelegd. De familie van de verdachte zit in Europees Nederland, en een JJI is de plek waar hij de behandeling kan krijgen die hij nodig heeft. De voogdijraad wijst erop dat de verdachte op basis van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) net als iedere minderjarige in ons Koninkrijk, recht heeft op een zo goed mogelijk passende behandeling, in de nabijheid van zijn directe familie.
Het Gerecht neemt de zojuist weergegeven adviezen over en maakt die tot de zijne. Het Gerecht gaat uit van een stoornis en verminderde toerekenbaarheid van de verdachte.
Jeugddetentie
Gelet op de ernst van de feiten is het Gerecht van oordeel dat de oplegging van de maximale jeugddetentie passend en geboden is. De maximale jeugddetentie is in het geval van de verdachte 1 jaar. Het Gerecht zal daarom een jeugddetentie opleggen voor de duur van 1 jaar.
PIJ-maatregel
De PIJ-maatregel is opgenomen in artikelen 79m en 79n Sr BES. Volgens artikel 79m, eerste lid, Sr BES dient voor de oplegging daarvan aan een drietal cumulatieve voorwaarden te worden voldaan. Het Gerecht stelt vast dat voldaan is aan deze voorwaarden.
Conform de adviezen zal het Gerecht aan de verdachte ook een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen, ter voorkoming van recidive en in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
Plaats en wijze van tenuitvoerlegging van de PIJ
Het Gerecht merkt op dat het niet kan beslissen op welke manier en op welke plaats de PIJ-maatregel ten uitvoer wordt gelegd. Dat laat onverlet dat het Gerecht daarover wel een advies kan geven.
Naar het oordeel van het Gerecht dient in het geval van de verdachte de PIJ-maatregel in Europees Nederland ten uitvoer te worden gelegd. Het Gerecht verwijst naar het op dit punt eensluidende advies van psycholoog [psycholoog 1] en de Voogdijraad. Beiden adviseren nadrukkelijk de maatregel in Europees Nederland uit te voeren. Het rapport van de Voogdijraad van 19 augustus houdt daaromtrent het volgende in:
“Het perspectief van [verdachte] ligt in zijn geval niet terug op Bonaire. De moeder van [verdachte] is woonachtig in [provincie], waar zij woont met familie en het halfbroertje- en zusje van [verdachte]. Moeder heeft geen plannen om terug te keren naar Bonaire en daarmee ligt het perspectief en het plan op resocialisatie ook in Nederland. Een terugkeer naar moeder, in plaats van op Bonaire te blijven, is meer in het belang van [verdachte]. Op Bonaire heeft [verdachte] onvoldoende positief steunend netwerk, dan wel een netwerk dat hem uit de handen van justitie kan en wil houden. Indien hij namelijk, zoals in het PO van juni 2026 staat omschreven, terugkeert naar dezelfde achterstandsbuurt, met dezelfde negatieve invloeden om hem heen, is er een verhoogde kans, dat hij opnieuw teruggrijpt naar delict gedrag.
Los van het feit dat er geen uitvoering gegeven kan worden aan een PIJ-maatregel op Bonaire en er grote zorgen zijn over zijn veiligheid wanneer [verdachte] in het Caribisch deel van het Koninkrijk blijft, geven ook de instanties op Bonaire aan dat zij onvoldoende in staat zijn om [verdachte] te kunnen bieden wat hij nodig heeft.”
Het Gerecht sluit zich ook op dit punt bij het geadviseerde aan, en spreekt de hoop en wens uit dat de PIJ-maatregel van de verdachte inderdaad in Europees Nederland ten uitvoer zal worden gelegd.
IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het luchtdrukwapen (IBN-code [code 1]) is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het voorwerp behoort toe aan de verdachte en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het voorwerp is bij de gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
Het Gerecht is van oordeel dat zich geen strafvorderlijk belang verzet tegen teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen iPhone blauw (IBN-code [code 2]). Daarom zal daarvan de teruggave aan de verdachte worden gelast.
DE VORDERINGEN TOT SCHADEVERGOEDING
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
-
[benadeelde partij 3], tot een bedrag van USD 11.789,50;
-
[benadeelde partij 2], tot een bedrag van USD 1.035,00; en
-
[benadeelde partij 1], tot een bedrag van USD 3.000,00.
[benadeelde partij 3] is de moeder van de overleden [slachtoffer 1]. Haar vordering ziet op vergoeding van de kosten van de begrafenis van [slachtoffer 1], en daarnaast USD 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding.
De vordering van [benadeelde partij 2] heeft betrekking op een Kia Rio die die nacht geparkeerd stond op de Kaya Prinses Marie, schuin tegenover Club Rush. De vordering ziet enerzijds op reparatiekosten voor de auto, en anderzijds op omzetderving door het mislopen van huurinkomsten.
De vordering van [benadeelde partij 1] betreft materiële schade aan zijn Chevrolet Spark. Hij stelt dat als gevolg van de schietpartij van 8 juni 2025 auto total loss is geraakt. Hij begroot de schade op USD 3.000,00. De benadeelde partij heeft de vordering en de hoogte van het gevorderde bedrag niet nader onderbouwd.
Standpunten
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3] gevorderd deze hoofdelijk toe te wijzen voor zover deze ziet op de materiële begrafeniskosten, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Hij voert daartoe aan dat er voor toewijzing van vergoeding van affectieschade op de BES-eilanden nog geen wettelijke grondslag bestaat en dat de gestelde schokschade onvoldoende is onderbouwd.
De officier van justitie heeft met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 1] gevorderd dat deze hoofdelijk toe te wijzen. Uit het dossier volgt dat de auto minstens 11 schotbeschadigingen heeft, daarom is verdere onderbouwing van de vordering niet nodig.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] heeft de officier van justitie gevorderd deze hoofdelijk toe te wijzen voor zover deze ziet op de materiële reparatiekosten en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3] primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk verklaard moet worden, dan wel afgewezen, in verband met de bepleite vrijspraak. Met betrekking tot de overige vorderingen stelt zij dat voldoende causaal verband ontbreekt tussen de gedragingen van de verdachte en de gestelde schade. De schade kan ook niet in groepsverband aan de verdachte worden toegerekend.
Oordeel van het Gerecht
Ad 1. Vordering van [benadeelde partij 3]
Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de dood van haar zoon [benadeelde partij 3] en de overige nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadig overlijden van een zeer jong familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. Dat leed staat voor het Gerecht niet ter discussie
Maar voor toewijzing van de vordering is vereist dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, en dat de verdachte daarvoor civielrechtelijk aansprakelijk is. Die civielrechtelijke aansprakelijkheid kan het Gerecht in deze zaak niet vaststellen. Het is immers niet duidelijk geworden wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1].
Het Gerecht heeft overwogen of de vordering (deels) toch zou kunnen worden toegewezen, bijvoorbeeld op grond van groepsaansprakelijkheid. De verdachte en de medeverdachten worden allen veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld. Het is in dit geweld dat [slachtoffer 1] is omgekomen. Een bewezenverklaring van openlijk geweld is echter niet voldoende voor het aannemen van gedragingen in groepsverband in de zin van artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES. Zij brengt niet zonder meer mee dat de verdachte ook civielrechtelijk in groepsverband heeft gehandeld, zodat de schade aan alle verdachten hoofdelijk kan worden toegerekend.
Nu niet binnen het beperkte kader van de strafprocedure kan worden vastgesteld dat de verdachte individueel, of in groepsverband, civielrechtelijk aansprakelijk is voor de geleden schade zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ad 2. De vordering van [benadeelde partij 2]
Voor de vordering van [benadeelde partij 2] geldt hetzelfde. Nog los van het feit dat de omzetderving niet is onderbouwd, geldt ook hier dat het Gerecht niet kan vaststellen wie op de Kia Rio heeft geschoten. Groepsaansprakelijkheid in civielrechtelijke zin kan ook hier niet zonder meer worden aangenomen.
Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte individueel, of in groepsverband, civielrechtelijk aansprakelijk is voor de geleden schade zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ad 3. Vordering van [benadeelde partij 1]
Uit het dossier blijkt voldoende dat de auto aanzienlijke schade heeft opgelopen. Zo blijkt uit forensisch onderzoek dat op de auto elf schotbeschadigingen zijn aangetroffen. Zowel de vordering als het dossier bevatten echter geen nadere informatie aan de hand waarvan de omvang van de geleden schade kan worden vastgesteld. Het Gerecht kan daarom de hoogte van de schade niet bepalen.
De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 38d, 57, 59, 79i en 79m van het Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de 1 (één) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een luchtdrukwapen (IBN-code [code 1])
gelast de teruggave van de iPhone blauw (IBN-code [code 2]) aan de verdachte;
verklaart de benadeelde partijen, [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat deze de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal bijgestaan door mr. mr. J.J. Scholte ter Horst, griffier, en op 27 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.