Strafrecht overig
Verzoekschrift niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. De latere wijziging door het openbaar…
ECLI:NL:GHAMS:2019:2481 · Gerechtshof Amsterdam · 2 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2019-2481
Zaakgegevens
Op 2 april 2019 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 april 2019
- Datum publicatie
- 17 juli 2019
- Zaaknummer
- R 001338-18 (591a Sv)
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2481
Samenvatting
Verzoekschrift niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. De latere wijziging door het openbaar ministerie van de sepotcode brengt niet mee dat opnieuw een termijn van drie maanden gaat lopen. HB ongegrond.
Uitspraak
Inhoudsopgave
beschikking
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer: 001338-18 (591a Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 17-007492
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2018 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
mr. J. Soeteman, adres: [adres] .
1 Inhoud van het verzoekschrift
Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding op de voet van artikel 591a Sv ter zake van:
-
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 2.459,39;
-
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 550,00, vermeerderd met € 280,00 voor het hoger beroep.
2 Procesverloop
Het hoger beroep is op 27 september 2018 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 februari 2019 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.
3 Beoordeling van het hoger beroep
De rechtbank heeft verzoeker op 24 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Het hoger beroep hiervan is tijdig ingesteld.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank heeft overwogen dat de strafzaak tegen verzoeker onherroepelijk is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 3 juni 2016 aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd (sepotcode 02, onvoldoende bewijs). Verzoeker heeft eerst op 18 oktober 2017 – en dus buiten de termijn van drie maanden – een verzoek tot vergoeding van de kosten rechtsbijstand ingediend. Aldus is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet tijdig is ingediend en verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van appellant in zijn verzoek
Op 3 juni 2016 is aan appellant een kennisgeving van niet verdere vervolging verzonden met sepotcode 02 (onvoldoende bewijs).
Ingevolge het bepaalde bij artikel 591a, vierde lid jo artikel 591, tweede lid Sv stond voor appellant vanaf dat moment een termijn van drie maanden open om een verzoek in te dienen tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.
Appellant kon zich niet verenigen met de door de officier van justitie gehanteerde sepotcode. Teneinde hiertegen bezwaar te kunnen maken is door de advocaat van appellant lange tijd geprobeerd het strafdossier te ontvangen, en om contact te leggen met appellant voor nadere informatie. Uiteindelijk heeft hij het dossier via de rechtbank ontvangen, waarna hij – bij brief van 1 juni 2017 – binnen de door het openbaar ministerie gehanteerde termijn van een jaar waarin dergelijke verzoeken kunnen worden ingediend – een verzoek tot wijziging van de sepotcode heeft ingediend bij de hoofdofficier van justitie.
Daarop heeft de hoofdofficier van justitie bij brief van 19 juli 2017 aan de advocaat van appellant meegedeeld dat hij het verzoek tot wijziging van de sepotcode 02 naar sepotcode 01 zal toewijzen.
Beoordeling van het verzoek
Een verzoekschrift als bedoeld in artikel 591a Sv dient te worden ingediend binnen drie maanden na afdoening van de zaak, in onderhavige zaak derhalve binnen drie maanden na de sepotbeslissing van 3 juni 2016. Aan die voorwaarde is hier niet voldaan, zodat reeds om die reden verzoeker niet ontvankelijk was in zijn verzoekschrift en het hoger beroep derhalve ongegrond moet worden verklaard.
De latere wijziging door het openbaar ministerie van de sepotcode brengt niet mee dat opnieuw een termijn van drie maanden gaat lopen waarbinnen een verzoekschrift op de voet van artikel 591a Sv kan worden ingediend.
4 Beslissing
Het hof:
Verklaart het hoger beroep ongegrond.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. S. Clement en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy als griffier, is ondertekend door de jongste raadsheer en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 2 april 2019.