Strafrecht overig

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek…

Zaakgegevens

Op 11 februari 2022 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
11 februari 2022
Datum publicatie
17 februari 2022
Zaaknummer
23-002964-20
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:477
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, GS 80 dagen wv. 77 dagen vw. m.a. met een proeftijd van 2 jaren

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer eerste aanleg : 15-307794-20

parketnummer hoger beroep : 23-002964-20

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 11 februari 2022 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 december 2020 in de zaak tegen de verdachte:

naam: [verdachte]

voornamen: [voornaam verdachte]

geboren: op [geboorteplaats]

adres: [woonplaats]

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst

gepleegd op 4 december 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 (tachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 77 (zevenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gewezen door mr. R.D. van Heffen, in bijzijn van L.M. van Leeuwen, griffier.

mr. R.D. van Heffen