Strafrecht overig
Vrijspraak van zware mishandeling (feit 1 primair), dan wel mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten…
Gerechtshof Amsterdam, 16 juli 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1948 · Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1948
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002395-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1948
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van zware mishandeling (feit 1 primair), dan wel mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge (feit 1 subsidiair). Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin voor hem de noodzaak bestond zich te verdedigen. Bewezenverklaring van belaging (feit 2). Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering vanwege vrijspraak van feit 1 primair en subsidiair.
Uitspraak
Zittingsplaats Amsterdam
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002395-25
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 16-008536-25 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 19 december 2024 te Utrecht aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] een of meerdere malen tegen het hoofd te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 19 december 2024 te Utrecht [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] een of meerdere malen tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad;
2.
hij in of omstreeks de periode van 21 december 2024 tot en met 6 januari 2025 te Utrecht , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] meerdere keren per dag te bellen
- die [slachtoffer] meerdere SMS-berichten en/of Facebook-messenger berichten per dag te sturen
- met enige regelmaat langs de woning van die [slachtoffer] te rijden en/of aan te bellen,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak feit 1
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde acht de advocaat-generaal wel wettig en overtuigend bewezen. Volgens de advocaat-generaal komt de verdachte geen beroep op noodweer toe, omdat niet aannemelijk is geworden dat hij door de aangever met een voorwerp is geslagen.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling heeft zij aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt.
Het hof overweegt als volgt.
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt. De aangever heeft verklaard dat op het moment dat hij de deur opende, de verdachte direct naar hem toe kwam lopen en hem een aantal keer met zijn vuist tegen zijn kaak sloeg. Volgens aangever heeft hij in reactie daarop teruggeslagen en de verdachte ook op de grond gegooid. De verdachte heeft anders verklaard, namelijk dat de aangever hem eerst met een hard voorwerp, mogelijk een stalen pijp, op zijn pols sloeg, waar de verdachte vervolgens op heeft gereageerd. Dat er een (korte) vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen aangever en verdachte, staat vast, maar de lezingen van de aangever en de verdachte verschillen over de vraag hoe dit is begonnen. Getuige [slachtoffer] – de enige getuige van het incident – heeft hierover het volgende verklaard: “Mijn vader was hier en deed de deur open. Volgens mij gebeurde er toen een kleine worsteling. [getuige] die naar binnen wilde, maar mijn vader liet dat niet toe. Ik dacht te zien dat er toen een worsteling was tussen mijn vader en [getuige] .” Over hoe die worsteling is begonnen heeft getuige [slachtoffer] echter niets verklaard. Het hof kan daarom niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen wat zich bij de deur heeft voorgedaan en hoe het tot een vechtpartij is gekomen. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin voor hem de noodzaak bestond zich te verdedigen. Het hof zal de verdachte om die reden ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij in de periode van 21 december 2024 tot en met 6 januari 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] meerdere keren per dag te bellen
- die [slachtoffer] meerdere SMS-berichten en Facebook-messenger berichten per dag te sturen
- met enige regelmaat langs de woning van die [slachtoffer] te rijden,
met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft wat betreft de onder 2 ten laste gelegde belaging verzocht in strafmatigende zin mee te wegen dat de verdachte van het slachtoffer wisselende signalen ontving over het einde van hun relatie. Het contact tussen beiden is inmiddels stabiel. De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf acht zij niet langer gepast en noodzakelijk.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Gedurende ruim twee weken heeft hij haar veelvuldig gebeld en berichten verstuurd en is hij langs haar woning gereden. Belaging is een ernstig feit dat het dagelijks leven van het slachtoffer volledig kan gaan beheersen en ontwrichten. De verdachte wist dat het slachtoffer geen contact meer wilde. Toch is hij tegen deze uitdrukkelijke wens ingegaan en heeft hij zijn eigen drang naar contact met het slachtoffer vooropgesteld. De verdachte heeft daarmee ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.
Gelet op de ernst van de feit acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf passend en geboden. Omdat het hof – anders dan de politierechter – de verdachte voor één van de ten laste gelegde feiten vrijspreekt, zal het hof wel een lagere straf opleggen dan in eerste aanleg opgelegd. Alles afwegende, legt het hof daarom op een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.C.M. Bouman, mr. D.A.C. Koster en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
.