Strafrecht overig
Bevestiging vonnis, met dien verstande dat het hof reageert op de in hoger beroep gevoerde verweren.
ECLI:NL:GHAMS:2026:1970 · Gerechtshof Amsterdam · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1970
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-000219-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1970
Samenvatting
Bevestiging vonnis, met dien verstande dat het hof reageert op de in hoger beroep gevoerde verweren.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000219-26
datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 februari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 15-028569-26 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
thans gedetineerd in [gevangenis].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof reageert op de in hoger beroep (deels opnieuw) gevoerde verweren, voor zover die niet worden weersproken door de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen.
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren
1 Lokaalvredebreuk
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde lokaalvredebreuk. Daartoe voert zij aan dat een winkel geen besloten lokaal is, omdat deze toegankelijk is voor publiek. Ook voert zij aan dat het winkelverbod niet gegeven is door een daartoe bevoegd persoon. De verdachte heeft niet begrepen dat hij niet in de winkel mocht komen – waardoor geen sprake was van opzet op de overtreding van het verbod – en hij is direct vertrokken toen hij werd aangesproken, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat een winkel, en dus ook de desbetreffende [supermarkt] in [plaats 1], een besloten lokaal is in de zin van artikel 138 Wetboek van Strafrecht (Sr). Het personeel heeft het winkelverbod namens de directie – zijnde de rechthebbende – opgelegd, waardoor het daartoe bevoegd was. Uit de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het winkelverbod werd opgelegd omdat de verdachte overlast veroorzaakte en onder invloed van alcohol was. De verdachte heeft het aan hem door de politie uitgereikte winkelverbod ondertekend. Uit het proces-verbaal blijkt voldoende dat de verdachte de inhoud/strekking van het hem uitgereikte winkelverbod heeft begrepen. Op dezelfde dag na de uitreiking van het verbod is de verdachte ‘s avonds teruggekeerd naar de winkel, waarmee hij het winkelverbod heeft overtreden en lokaalvredebreuk heeft gepleegd. Als gevolg daarvan is hij aangehouden. Het feit dat hij maar kort in de winkel was doet aan deze conclusie niet af.
De verweren worden verworpen.
2 Niet voldoen aan ambtelijk gegeven bevel (verblijfsontzegging)
Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde overtreden van de verblijfsontzegging heeft de raadsvrouw zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij voert daartoe aan dat het verwijderingsbevel niet rechtmatig is gegeven, omdat de gedragingen van de verdachte waarvoor hem de verblijfsontzegging is opgelegd niet vallen onder de reikwijdte van artikel 2:47 APV [plaats 1] en de verblijfsontzegging bovendien niet is opgelegd door een bevoegd persoon.
Het hof overweegt als volgt.
Aan de verdachte is op 27 januari 2026 om 15:25 uur een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van 48 uren wegens hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (artikel 2:47 APV [plaats 1]) en ordeverstoring in dronkenschap (artikel 426 Sr). Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verdachte klanten van [supermarkt] lastigviel en intimideerde en spuugde en schold naar personeel. Ook bevond de verdachte zich in kennelijke staat van dronkenschap. Dit geheel aan gedragingen valt naar hun aard binnen de reikwijdte van artikel 2:47 APV [plaats 1] en artikel 426 Sr en rechtvaardigt daarom de oplegging van een verblijfsontzegging. Beide bepalingen zien op de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van overlast en (daarmee) op de bescherming van de veiligheid van onder meer personen.
De verblijfsontzegging is opgelegd door een politieambtenaar die daartoe gemandateerd is door de burgemeester van de gemeente [plaats 1] en daarmee bevoegd is om dergelijke verblijfsontzeggingen op te leggen.
De verweren worden verworpen.
3 In Nederland verblijven als ongewenst vreemdeling
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat moet worden getoetst of ten tijde van het tenlastegelegde sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De beschikking tot ongewenstverklaring van de verdachte dateert uit 2011 en de tenlastegelegde feiten zijn niet zodanig dat sprake kan zijn van een dergelijke dreiging.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft de [land] nationaliteit, waarmee hij een burger van de Europese Unie is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Bij beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 14 november 2011 is de verdachte ongewenst verklaard.
Het hof ziet, gelet op de inhoud van de beschikking, geen grond voor het oordeel dat de uitvaardiging van de ongewenstverklaring destijds in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht is opgelegd. Uit de beschikking en uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juni 2026 blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de beschikking herhaaldelijk tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld voor diverse misdrijven. Voorts meldt de beschikking dat de verdachte naar eigen zeggen in Nederland was om zwart te werken, over onvoldoende middelen van bestaan beschikte en dat hij geen paspoort en zorgverzekering had. Daarnaast was en is hij een extreem gebruiker van drank en drugs. Hij was niet ingeschreven bij de gemeente en sliep in een kartonnen doos onder een brug in [plaats 2]. De verdachte was volgens de processen-verbaal als veelpleger een overlast voor de ([plaats 2]) maatschappij.
Het hof is, anders dan de raadsvrouw, tevens van oordeel dat de ongewenst verklaring ook ten tijde van het tenlastegelegde niet in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht.
Na de uitreiking van de ongewenst verklaring is de verdachte onverminderd doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. In de periode van 2020 tot en met 2025 is hij onder meer onherroepelijk veroordeeld voor meerdere diefstallen, een belediging en het meermaals niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel. Uit informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek blijkt dat met de verdachte meer dan 30 vertrekgesprekken zijn gevoerd en dat de verdachte tenminste 20 keer het land is uitgezet, waarvan zeker 3 keer met escortering. Verdachte is echter telkens weer teruggekeerd en heeft ook ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven zijn toekomst in Nederland te zien.
Naar het oordeel van het hof getuigt het handelen van de verdachte van een grote minachting voor de Nederlandse maatschappij, het wettelijke gezag en de Nederlandse overheid. Ondanks alle vertrekgesprekken en uitzettingen keert de verdachte telkens terug naar Nederland, om vervolgens weer in aanraking te komen met politie en justitie en weer als dakloze door het leven te gaan.
In de onderhavige zaak bevond de verdachte zich op 27 januari 2026 in een [supermarkt] te [plaats 1], waar hij overlast veroorzaakte en in kennelijke staat van dronkenschap was. Hij viel klanten lastig en intimideerde hen, schold personeel uit en spuugde naar hen. Als gevolg van dit overlastgevende gedrag is aan de verdachte een winkelverbod voor de duur van 3 jaren en een verblijfsontzegging voor het aangegeven gebied in [plaats 1] voor de duur van 48 uren opgelegd. De verdachte keerde echter later die dag terug naar dezelfde [supermarkt], waarna hij is aangehouden voor lokaalvredebreuk en het niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel (de verblijfsontzegging). In het daarop volgende politieverhoor zegt de verdachte flessen en blikjes in te zamelen en vervolgens dagelijks € 100,00 aan eten, alcohol en drugs uit te geven. Hij verklaart alle drugs die er bestaan te gebruiken en geeft als opsomming: LSD, XTC, MDMA, amfetamine, cocaïne, wiet en hasj. Ook zegt hij dagelijks 20 bier, 2 flessen wijn en 2 flessen vodka te drinken.
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat het gedrag van de verdachte ook ten tijde van het tenlastegelegde een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Het verweer wordt verworpen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. N. van der Wijngaart en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000219-26
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 9 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. P.J. van Eekeren, raadsheer,
B.F.A. van Drie, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E. Lodder, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.