Strafrecht overig
Bewezenverklaring mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Overweging m.b.t. zwaar…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2080 · Gerechtshof Amsterdam · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2080
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002494-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2080
Samenvatting
Bewezenverklaring mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Overweging m.b.t. zwaar lichamelijk letsel. Een gevangenisstraf is gelet op een aankomend behandeltraject niet wenselijk. Oplegging van een taakstraf van 120 uren. Bespreking vordering bp, waarbij de extra gemaakte tandartskosten die alleen in hoger beroep zijn opgevoerd middels 36f worden opgelegd. Tul afwijzen en proeftijd andere tul verlengen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002494-25
datum uitspraak: 3 juli 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 8 oktober 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 16-180951-25 en 21-001923-22 (TUL A), 21-000818-23 (TUL B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of ander hoofdletsel, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij] in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde partij] , in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te Utrecht [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of ander hoofdletsel, ten gevolge had;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Vrijspraak van primair en subsidiair tenlastegelegde
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van het meer subsidiaire feit
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, inclusief het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel”.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het meer subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen, maar dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel”.
Het hof is van oordeel dat de onder meer subsidiair tenlastegelegde geweldshandelingen van de verdachte bij de aangever zwaar lichamelijk letsel hebben veroorzaakt. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de nadere toelichting die namens en door de benadeelde partij omtrent zijn huidige medische toestand ter terechtzitting in hoger beroep is gegeven alsmede de stukken van de tandarts die zijn overgelegd. Hieruit blijkt dat de aangever ernstig hoofdletsel, bestaande uit tandletsel heeft opgelopen, met blijvend verlies van in ieder geval één voortand aan de onderzijde van het gebit en forse schade aan een andere (voor)tand waarvoor nog in het voorjaar van 2026 medisch ingrijpen noodzakelijk was. Het letsel aan het gebit is dusdanig dat de aangever tot op heden, een jaar na het voorval, nog steeds onder behandeling staat van een tandarts.
Gezien de aard van dit letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel is het hof van oordeel dat dit letsel zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
meer subsidiair
hij op 12 juni 2025 te Utrecht [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] in het gezicht, te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel, ten gevolge had;
Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg meer subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de advocaat-generaal, maar heeft in verband met de gezondheid van de verdachte verzocht om deze taakstraf gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft het slachtoffer uit het niets met zijn vuist op het hoofd geslagen, waarna het slachtoffer achterover op de grond viel en direct buiten bewustzijn raakte. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit ernstig letsel aan zijn gebit. De tandheelkundige ingrepen en de nasleep van dit incident zijn voor het slachtoffer aanzienlijk en ingrijpend. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijk integriteit van aangever geschonden en bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft acht geslagen op hetgeen door de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de brief van het Leger des Heils van 16 juni 2026. Hieruit is naar voren gekomen dat de verdachte in verband met zijn complexe psychiatrische- en middelenproblematiek – na anderhalf jaar op de wachtlijst te hebben gestaan – per juli 2026 zal starten met een detoxbehandeling ter voorbereiding op een intensief langdurig traject bij een verslavingskliniek. Het belang en tevens de noodzaak van dit behandelplan worden in deze brief gemotiveerd uiteengezet. Als de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt, zal hij niet in staat zijn om bij deze afspraken te verschijnen en zal het huidige plan van de baan zijn.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat het niet in het belang van de verdachte en de samenleving is dat het aankomende behandeltraject wordt geblokkeerd door oplegging van een straf die meebrengt dat hij in de gevangenis belandt. De hulpverlening die de verdachte te wachten staat, kan immers bijdragen aan beperking van het gevaar voor herhaling.
Het hof zal daarom in plaats van een vrijheidsbenemende straf een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Een taakstraf voor de duur van 120 uren acht het hof, ook gelet op de ernst van het feit, passend en geboden. Voor het opleggen van de taakstraf in deels voorwaardelijke vorm, zoals door de raadsman verzocht, ziet het hof mede gelet op beslissingen die worden genomen ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging geen aanleiding.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.089,00, bestaande uit een bedrag van € 1.089,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.965,00, bestaande uit een bedrag van € 965,00 aan materiële schade en € 1,000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
In aanvulling op het voorgaande heeft de advocaat van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade verzocht om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen met vermeerdering van € 1.048,08, tot een bedrag van € 2.137,08. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de tandheelkundige ingrepen en de daaraan verbonden kosten pas na de behandeling in eerste aanleg bekend zijn geworden en in zoverre niet eerder hadden kunnen worden gevorderd.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding volledig moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel die tevens moet worden verhoogd met het in hoger beroep gevraagde schadebedrag van € 1.048,08.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht dezelfde beslissingen te nemen zoals de politierechter dat heeft gedaan. Ten aanzien van de door de benadeelde partij additioneel opgevoerde kosten in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze niet kunnen worden opgelegd als schadevergoedingsmaatregel. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het letsel aan het gebit zoals dat in hoger beroep namens de aangever naar voren is gebracht onvoldoende is gebleken.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De gestelde materiële schade bestaat uit:
-
Twee t-shirts: € 204,00;
-
Eigen risico: € 885,00.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De kosten van het eigen risico zijn voldoende onderbouwd en bovendien niet betwist en zal het hof dan ook toewijzen. Ten aanzien van de kosten van de twee t-shirts kan de schade op grond van de vordering en de onderbouwing daarvan niet precies worden vastgesteld. Het hof zal de omvang van die schade op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schatten op een bedrag van € 160,00. Het hof wijst het overige deel van de vordering betreffende de t-shirts af. Het totale bedrag aan materiële schade dat wordt toegewezen in het kader van de vordering benadeelde partij is dus € 1.045,00.
Immateriële schade
Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Immers; de verdachte heeft de benadeelde partij geslagen waardoor de benadeelde partij achterover op de grond is gevallen en daarbij hoofdletsel, te weten verwondingen op het hoofd en gezicht en een hersenschudding, en letsel aan het gebit, te weten het uiteindelijke verlies van tenminste één tand, heeft opgelopen. Tot op heden staat de benadeelde partij onder behandeling van de tandarts.
Het hof ziet in tegenstelling tot wat de raadsman heeft bepleit geen aanleiding om te twijfelen aan de causaliteit tussen het tandletsel en het meer subsidiair bewezenverklaarde, nu het hof het zwaar lichamelijk letsel heeft vastgesteld op basis van de door de benadeelde partij ingebrachte stukken.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal (RS) tot uitgangspunt. In hoofdstuk 9 ‘Gezichtsletsel’ wordt onder paragraaf 9 sub f onder IX “verlies of ernstige beschadiging van één voortand” een bedrag tussen de € 1.500,00 tot 2.500,00 genoemd. Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op de gevorderde € 2.000,00.
De schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed en in navolging van het verzoek van de benadeelde partij wegens de extra gemaakte kosten voor de tandarts € 1.048,08), zal het hof bij de oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr uitgaan van een bedrag van (€ 1.045,00 + € 1.048,08 =) € 2.093,08 aan materiële kosten.
Ook ten aanzien van de toe te wijzen immateriële schade van € 2.000,00 zal het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr opleggen op hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging (TUL A)
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering van de tenuitvoerlegging af te wijzen.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de strafoplegging acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Vordering tenuitvoerlegging (TUL B)
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de proeftijd van de voorwaardelijke gevangenisstraf te verlengen met één jaar.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de strafoplegging acht het hof termen aanwezig om de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar te verlengen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.045,00 (drieduizend vijfenveertig euro) bestaande uit € 1.045,00 (duizend vijfenveertig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.093,08 (vierduizend drieënnegentig euro en acht cent) bestaande uit € 2.093,08 (tweeduizend drieënnegentig euro en acht cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt voor het deel dat voldaan is.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade in het kader van de vordering benadeelde partij en de immateriële schade (totaal € 3.045,00) op 12 juni 2025. De aanvangsdatum van de wettelijke rente in het kader van tandartskosten (totaal € 1.048,08) wordt bepaald op 22 april 2026 voor € 49,51, op 24 april 2026 voor € 556,59 en op 10 juni 2026 voor € 441,98.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Midden-Nederland van 13 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023, parketnummer 21-001923-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023 parketnummer 21-000818-23, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. J.J. Roos en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2026.
Mr. A.C. Huisman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.