Strafrecht overig
Bewezenverklaring medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 20 kg cocaïne, het zonder erkenning onderhandelen…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2090 · Gerechtshof Amsterdam · 17 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2090
Zaakgegevens
Op 17 maart 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-001234-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2090
Samenvatting
Bewezenverklaring medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 20 kg cocaïne, het zonder erkenning onderhandelen over een wapen en onderdelen en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De verdachte is in de bewezenverklaarde periode de enige gebruiker van het betreffende SKY-account. Ook is sprake geweest van medeplegen bij het aanwezig hebben van de cocaïne. T.a.v. feiten 1 en 2 wordt de verdachte van een deel van de tenlastegelegde periode vrijgesproken. T.a.v. feit 2 oordeelt het hof dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte een beroep of gewoonte van de handel in het vuurwapen en de onderdelen zou hebben gemaakt. Overschrijding redelijke termijn en dus korting. Oplegging GS 42 maanden, m.a.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001234-23
datum uitspraak: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-088004-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is na tussenarrest van 6 november 2025 gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2025, 6 november 2025, 3 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 (impliciet) cumulatief is tenlastegelegd, te weten het op 11 mei 2022 te ‘s-Gravenhage voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Zijn hoger beroep is ook tegen die partiële vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens de wet (artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het hof zal het beroep tegen deze partiële vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde en waarbij schrijf- en typefouten zijn overgenomen, dat:
1. primair
hij op of omstreeks 9 juni 2020 te Monster en/of ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal ongeveer) 20 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
1. subsidiair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 j uni 2020 tot en met 9 juni 2020 te 's-Gravenhage en/of Monster, in elk geval in Nederland (telkens), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of (één of meer van) verdachtes mededader(s)
- een (of meer) crypt() telefoon(s) voorhanden gehad en/of
- op (een) cryptotelefoon(s) een SKY applicatie geïnstalleerd en/of
- als gebruiker van de SKY account [account 1] op de SKY-applicatie:
o met een of meer personen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de opslag en/of levering en/of het kopen en/of verkopen van een of meer hoeveelheden van voornoemde verdovende middelen;
2.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2020 tot en met 28 januari 2021 te ‘s-Gravenhage en/of elders in Nederland, zonder erkenning (telkens) heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop of levering van wapens en/of onderdelen van wapens van categorie II en/of III en/of munitie van categorie II en/of III, immers heeft verdachte (telkens)
- afbeeldingen van vuurwapens en/of onderdelen van wapens en/of munitie naar een of meer personen verzonden en/of (vervolgens)
- afspraken gemaakt over de aankoop en/of verkoop en/of vraagprijs en/of functie en/of beschikbaarheid van deze of andere wapens en/of onderdelen van deze wapens en munitie,
terwijl hij, verdachte daarvan een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;
3. hij op of omstreeks 11 mei 2022 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een vuurwapen van de categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (Lady Smith gun) van het merk Smith & Wesson en/of munitie van de categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf .22 radnvuur patronen, (telkens) voorhanden heeft gehad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft, overeenkomstig zijn requisitoir, ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. Van de strafverzwarende omstandigheid met betrekking tot het maken van beroep of een gewoonte zoals dit is tenlastegelegd in feit 2 dient de verdachte te worden vrijgesproken, omdat daarvoor onvoldoende bewijs bestaat.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, overeenkomstig zijn pleitnotities, ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft primair gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode op enig moment de gebruiker is geweest van het SKY-account “ [account 1] ”. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat, mocht het hof menen dat de verdachte op enig moment wel de gebruiker is geweest van het account, minst genomen vaststaat dat het account door meerdere personen is gebruikt en dat de verdachte niet de enige gebruiker was van het account. Meer subsidiair dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat op grond van de chatberichten niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige wetenschap of beschikkingsmacht heeft gehad over verdovende middelen. Ten aanzien van hetgeen onder 1 subsidiair is tenlastegelegd, heeft de raadsman voorts nog aangevoerd dat de inhoud van de berichten geen voorbereidingshandelingen betreffen. Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde subsidiair gesteld dat niet kan worden bewezen dat de wapens die op de foto’s te zien zijn werkende vuurwapens zijn. Ook kan op basis van de inhoud van de chatberichten niet worden gesproken over “onderhandelen” in de zin van artikel 9 van de Wet wapens en munitie en is van gewoonte of beroep geen sprake, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt, waarbij het grotendeels aansluit bij de overwegingen van de rechtbank.
Identificatie SKY-account “ [account 1] ”
De vraag of bewezen kan worden dat de verdachte de gebruiker is van het SKY-account “ [account 1] ” (hierna: [account 1] ) kan naar het oordeel van het hof bevestigend worden beantwoord. Op grond van de bewijsmiddelen kan het volgende worden vastgesteld.
-
[account 1] meldt in een chatbericht van 9 juni 2020 met de onbekend gebleven gebruiker van het SKY-account [account 2] dat er een inval door de FIOD is gedaan bij zijn oom en dat er “20 van die in beslagenomen” zijn. Ook meldt [account 1] dat “me tante ook” is aangehouden. Vaststaat dat die dag door de FIOD een doorzoeking is gedaan in de woning van [persoon 1] en [persoon 2] , zijnde de oom en tante van de verdachte. Er is bij die doorzoeking 20 kilo cocaïne aangetroffen.
-
Op 27 juli 2020 geeft [account 1] aan dat hij zijn broertje stuurt naar een ontmoetingsplek en dat zijn broertje een Peugeot heeft. De verdachte heeft een broertje, genaamd [persoon 3] . Uit gegevens van de RDW is gebleken dat hij een Peugeot op zijn naam had staan in de periode van 5 juli 2020 tot 22 januari 2021.
-
[account 1] meldt op 28 augustus 2020 dat “me vespa was gestolen met me tel Erin”. Diezelfde dag heeft de moeder van de verdachte aangifte gedaan van diefstal van de op haar naam gestelde Vespa. Het IMEI-nummer dat is gekoppeld aan het account [account 1] is die dag gewijzigd in het nummer eindigend op [nummer 2].
-
Op 19 september 2020 wordt de verdachte klem gereden en aangehouden op verdenking van bedreiging met een vuurwapen. [account 1] stuurt op 21 september 2020 een bericht “dat hij was geklemd door het AT”. Hierna wijzigde het IMEI-nummer dat is gekoppeld aan het account [account 1] in het nummer eindigend op [nummer 3].
-
Bij gebruik van het account [account 1] worden zendmasten aangestraald die veelal basisstations in Den Haag bleken te zijn. Deze basisstations werden aangestraald onder meer vanaf het adres waarop de verdachte stond ingeschreven ( [adres 2] ), het adres waar de verdachte is aangehouden ( [adres 3] ) en het woonadres van de moeder van de verdachte ( [adres 4] ). Ook is door het account [account 1] op meerdere data in april tot en met september 2020 gebruik gemaakt van basisstations in Amsterdam. Daarbij werd het meest gebruik gemaakt van het basisstation dat zich nabij het woonadres ( [adres 5] ) van de ex-partner en het kind van de verdachte bevindt. Ook is gebleken dat er zendmasten in de periode van 22 juni 2020 tot en met 29 juni 2020 in Malaga, Spanje werden aangestraald toen de verdachte daar ook verbleef.
-
Aan het account van [account 1] is onder meer het wachtwoord “ [wachtwoord] ” gekoppeld. De zoon van de verdachte heet [persoon 4] .
-
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij af en toe gebruik heeft gemaakt van de telefoon met het SKY-account (het hof begrijpt: [account 1] ).
Het hof is van oordeel dat de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien voldoende bewijs opleveren voor de vaststelling dat de verdachte gedurende de periode van 9 juni 2020 tot en met 21 september 2020 de enige gebruiker van [account 1] is geweest. De inhoud van de bewijsmiddelen levert zodanige concrete en persoonlijke informatie op dat het account onmiskenbaar aan de verdachte moet worden toegeschreven en dat de verdachte in voormelde periode de gebruiker van [account 1] is geweest. Het hof zal hier in het navolgende van uitgaan.
Anders dan de rechtbank en evenals de raadsman, is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om aan te nemen dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode, te weten van 9 juni 2020 tot en met 28 januari 2021, de enige gebruiker is geweest van [account 1] . De chatconversatie die [account 1] ná 21 september 2020 met anderen heeft gevoerd kan – gelet op de minder specifieke inhoud daarvan – niet zonder meer worden toegeschreven aan de verdachte.
Feit 1 primair
Op 9 juni 2020 heeft de FIOD een inval gedaan in de woning van de oom en tante van de verdachte in Monster, zijnde [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] . In de garage van de woning troffen zij in twee boodschappentassen twintig blokken aan met de opdruk “[naam]”. De blokken zijn positief getest op cocaïne. Tijdens de inval is onder [persoon 1] een telefoon met het IMEI-nummer [nummer 1] in beslag genomen. Op deze telefoon was de software SKY ECC geïnstalleerd. Aan voornoemd IMEI-nummer was het SKY-ID [account 3] gekoppeld. Uit onderzoek is gebleken dat dit account aan [persoon 1] kan worden gekoppeld. Uit chatberichten van dit account met het account van de verdachte, blijkt dat de verdachte en [persoon 1] gesprekken hebben over prijzen (26,5), het aantal te leveren blokken, het keuren van de blokken en de aflevering en betaling van de blokken. Er worden foto's uitgewisseld, waaronder van een blok met het opschrift “[naam]”. Uit de chatberichten kan worden afgeleid dat [persoon 1] contacten heeft met de leverancier en de verdachte met de afnemer. Tussendoor voeren zij - [persoon 1] en de verdachte - overleg naar aanleiding van deze contacten. Uiteindelijk zijn de blokken cocaïne afgeleverd op 8 juni 2020. De inhoud van deze chatberichten passen bij het chatbericht waarin de verdachte schrijft “20 van die in beslag genomen” zoals hierboven aangehaald en “ik pakte ze op 26,5”. Dit komt overeen met de prijs die de verdachte besprak met [persoon 1] . Tevens komt de genoemde hoeveelheid overeen met de aangetroffen hoeveelheid cocaïne. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de verdachte wetenschap had van – en betrokkenheid had bij – de aangetroffen cocaïne en dat de cocaïne zich daarmee in zijn machtssfeer bevond. Het tenlastegelegde medeplegen acht het hof eveneens bewezen, omdat de gesprekken blijk geven van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [persoon 1] . Zoals uit het voorgaande blijkt hebben zij gedurende het proces van aankoop tot en met levering nauw contact met elkaar en koppelen zij de benodigde informatie steeds aan elkaar terug.
Het hof acht op grond van het voorgaande, ook in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van twintig kilo cocaïne. De chatberichten zijn verzonden in de periode van 6 juni 2020 tot en met 8 juni 2020. De blokken cocaïne werden op 8 juni 2020 bij [persoon 1] afgeleverd en zijn op 9 juni bij hem aangetroffen. Daarmee is bewezen dat het feit is gepleegd in de periode rondom 9 juni 2020.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de chatberichten van 18 augustus 2020 en 19 augustus 2020, volgt dat de verdachte een vuurwapen van het merk Heckler en Koch, wilde verkopen. Hij heeft met drie verschillende contacten gesprekken gevoerd over de verkoop en levering van het vuurwapen en onderdelen daarvan. In de aan deze gesprekken gekoppelde berichten werden ook foto’s verstuurd van het vuurwapen en/of werd er gesproken over prijzen, tijden en een locatie om het vuurwapen en de onderdelen op te halen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij in die periode niet beschikte over een wapenvergunning. Op grond van het voorgaande komt het hof dan ook tot het oordeel dat de verdachte heeft onderhandeld over de verkoop van een vuurwapen en onderdelen daarvan, zonder dat hij daarvoor een wapenvergunning had.
Het hof acht – anders dan de rechtbank en gelet op het hiervoor overwogene, namelijk dat de chatberichten die [account 1] ná 21 september 2020 met anderen heeft gevoerd, niet zonder meer kunnen worden toegeschreven aan de verdachte – niet bewezen dat de verdachte in de periode ná 21 september 2020 heeft gehandeld in vuurwapens en/of onderdelen daarvan. De verdachte zal van dat deel van de tenlastegelegde periode worden vrijgesproken.
Tot slot acht het hof evenals de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een beroep of gewoonte van de handel in het vuurwapen en de onderdelen zou hebben gemaakt. Het hof zal de verdachte daarom van dit onderdeel van het onder 2 tenlastegelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij omstreeks 9 juni 2020 te Monster en/of ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 20 kilo cocaïne;
2.
hij in de periode van 9 juni 2020 tot en met 21 september 2020 in Nederland, zonder erkenning heeft onderhandeld over de verkoop van een wapen en onderdelen van een wapen van categorie III, immers heeft verdachte
- een afbeelding van een vuurwapen en onderdelen van een wapen naar meer personen verzonden en
- afspraken gemaakt over de verkoop en vraagprijs en onderdelen van dit wapen;
3.
hij op 11 mei 2022 te ‘s-Gravenhage, een vuurwapen van de categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (Lady Smith gun) van het merk Smith & Wesson en munitie van de categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf .22 randvuur patronen, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en acht maanden, met aftrek van het voorarrest.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring verzocht de verdachte niet aanvullend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft daarbij ook gewezen op de schending van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne, te weten ongeveer 20 kilogram cocaïne. De aangetroffen hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in harddrugs en als afgeleide het gebruik ervan, is een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en is bovendien een bron van vele andere vormen van (ernstige) criminaliteit. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze harddrugs rouleren. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan de handel in- en het bezit van een vuurwapen en munitie. Het behoeft geen uitleg dat het voorhanden hebben en overdragen van wapens een onaanvaardbaar risico voor de
veiligheid van de samenleving als geheel en personen in het bijzonder met zich meebrengt. Dit klemt te meer, omdat de revolver is aangetroffen onder een zitkussen van de bank in de woonkamer. Het in omloop brengen van wapens brengt voorts gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee.
Het hof heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennisgenomen van dat wat ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman en de verdachte naar voren is gebracht.
Bij dergelijke feiten is naar het oordeel van het hof slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de raadsman is bepleit, doet dan ook geen recht aan de ernst van de feiten.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die zien op het aanwezig hebben van harddrugs en het voorhanden hebben en overdragen van (automatische) vuurwapens. Ook heeft het hof gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voorts weegt het hof het medeplegen van het aanwezig hebben van de 20 kilogram cocaïne mee als strafverzwarende factor. Het hof is van oordeel dat in dit geval een vrijheidsbeneming van 46 maanden gerechtvaardigd is.
Het hof constateert, evenals de raadsman, dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 20 april 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 17 maart 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus ongeveer één jaar en zes maanden. Het hof zal om die reden de op te leggen gevangenisstraf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak van het onder 2 cumulatief ten laste gelegde voorhanden hebben van een stroomstootwapen.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 maart 2026.