Strafrecht overig
Belaging ex-partner. Eerder contactverbod heeft verdachte er niet van weerhouden contact te zoeken.
Gerechtshof Amsterdam, 4 augustus 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2164 · Gerechtshof Amsterdam · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2164
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-002762-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2164
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Belaging ex-partner. Eerder contactverbod heeft verdachte er niet van weerhouden contact te zoeken.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002762-25
datum uitspraak: 4 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 november 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-292839-25 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van het slachtoffer naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof:
- de bewijsoverweging onder 3.2 in het vonnis met betrekking tot de bewijsuitsluiting van de WhatsApp-berichten schrapt;
- het vonnis aanvult met overwegingen ten aanzien van de in hoger beroep gevoerde verweren en de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel;
- beslist tot aftrek van de reeds bij vonnis ten uitvoer gelegde dadelijke uitvoerbaar verklaarde en door het hof bevestigde vrijheidsbeperkende maatregel
Bespreking van de in hoger beroep gevoerde verweren
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat het contact tussen de verdachte en zijn ex-partner [slachtoffer] met wederzijdse instemming plaatsvond en daarom geen sprake is van wederrechtelijkheid. Bovendien is geen sprake van stelselmatigheid.
Het hof overweegt als volgt.
De enkele stelling van de verdediging dat het contact tussen de verdachte en het slachtoffer met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, is niet onderbouwd. De verdachte had nota bene op 4 maart 2025 als bijzondere voorwaarde een contactverbod opgelegd gekregen voor mishandeling van [slachtoffer] op 15 december 2024. Omdat hij zich – zo blijkt onder meer uit een door [slachtoffer] bijgehouden logboek – niet hield aan dit contactverbod, maar veelvuldig bij de moeder van [slachtoffer] aan de deur kwam, heeft hij van 16 augustus tot 9 september 2025 de eerder opgelegde voorwaardelijke straf moeten uitzitten. De dag dat de verdachte uit detentie kwam, 9 september 2025, stuurde hij [slachtoffer] een WhatsApp-bericht, waarna zij nog diezelfde dag aangifte heeft gedaan van stalking. Ook anderszins is niet gebleken dat [slachtoffer] het contact met de verdachte wenste. Uit het dossier volgt juist het tegenovergestelde, namelijk dat [slachtoffer] geen contact met de verdachte wilde en dat ook meerdere malen aan hem kenbaar heeft gemaakt. De verdachte bleef zich echter aan [slachtoffer] opdringen, onder meer door het veelvuldig verzenden van WhatsApp berichten en telefonische oproepen, zoals bijvoorbeeld zichtbaar is in een overzicht van gemiste oproepen op 6, 7 en 8 oktober 2025 (pagina 24 en 25 van het procesdossier). Uit een proces-verbaal van aanvullend verhoor van 8 oktober 2025 blijkt dat de politie zelf heeft geconstateerd dat de verdachte [slachtoffer] tijdens dat drie kwartier durende verhoor, maar liefst zeven keer heeft gebeld. De niet onderbouwde stellingen van de verdachte dat [slachtoffer] zelf contact zocht door onder meer te vragen om betaling van de wegenwachtbelasting en het kopen van een cadeau voor hun zoon, doet hieraan niets af.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte op verschillende manieren contact heeft gezocht met [slachtoffer] , namelijk door:
- elfmaal bij de woning van haar moeder, waar [slachtoffer] toentertijd verbleef, langs te gaan en zich in de tuin bij de woning op te houden;
- bij haar woning langs te gaan;
- achter haar aan te fietsen; en
- haar veelvuldig telefonisch berichten te sturen en haar op te bellen.
De verdachte heeft [slachtoffer] in enkele maanden tijd ongewenst opgezocht op – voor haar – vertrouwelijke plaatsen, waarbij hij – al dan niet via haar moeder – contact met haar probeerde te leggen. Daarnaast heeft hij [slachtoffer] veelvuldig berichten gestuurd en gebeld, onder meer op drie achtereenvolgende dagen, waarbij de telefoonoproepen slechts (zeer) korte tijd na elkaar worden gedaan.
Deze gedragingen duiden erop dat de verdachte op een indringende wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer] in contact te komen, terwijl zij de verdachte herhaaldelijk heeft gezegd geen contact met hem te willen. Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.
Opgelegde maatregel
Locatieverbod en dadelijke uitvoerbaarheid
De politierechter heeft de vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr, in de vorm van een locatieverbod voor de plaats Hoofddorp, in de gemeente Haarlemmermeer, opgelegd.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank tot oplegging van de maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr aan de verdachte voor een periode van drie jaren. Het hof realiseert zich dat hiermee een groot gebied voor de verdachte niet toegankelijk is. Anders dan de raadsman heeft verzocht, ziet het hof echter geen aanleiding het locatieverbod in te perken tot een deel van Hoofddorp. De raadsman heeft erop gewezen dat een verbod voor geheel Hoofddorp te ingrijpend is, omdat de verdachte dan bijvoorbeeld niet eens naar de voetbalclub kan gaan, waar zijn zoon voetbalt. In dit verband heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat eventueel contact tussen de verdachte en zijn zoon in de toekomst wellicht mogelijk is, maar dat het de voorkeur heeft dat dit zich dan op een neutrale plaats en onder begeleiding van bijvoorbeeld medewerkers van Veilig Thuis, zou afspelen. Het hof sluit zich hierbij aan. Aanwezigheid van verdachte op bijvoorbeeld de voetbalclub of de school van zijn zoon in Hoofddorp, kan leiden tot (ongewenst) contact tussen het slachtoffer en de verdachte. Dit moet worden voorkomen.
Ten aanzien van de duur overweegt het hof dat de maatregel in het vonnis van de rechtbank van 13 november 2025, dat ook wat dit betreft door het hof wordt bevestigd, dadelijk uitvoerbaar is verklaard, en vanaf de datum van het vonnis, dus vanaf 13 november 2025, voor een periode van drie jaren geldt.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen en een locatieverbod te beperken tot een straal van enkele honderden meters rondom de woning van het slachtoffer.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende ruim twee maanden schuldig gemaakt aan het belagen van zijn ex-partner door onder meer bij haar en haar moeder langs te gaan, in de tuin op haar te wachten en haar veelvuldig te bellen. Belaging is een ernstig feit dat het dagelijks leven van het slachtoffer volledig kan beheersen en ontwrichten. De verdachte wist dat het slachtoffer geen contact meer wilde. Toch is hij tegen deze uitdrukkelijke wens ingegaan en heeft hij zijn eigen drang naar contact met het slachtoffer vooropgesteld. De verdachte heeft daarmee ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.
Het hof ziet geen aanleiding om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zoals door de raadsman is verzocht, ook niet in combinatie met een taakstraf, zoals door de politierechter is opgelegd. Gebleken is dat de verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor huiselijk geweld waarbij het slachtoffer betrokken is geweest en een eerder contactverbod hem er niet van heeft weerhouden om het slachtoffer te stalken. Bovendien is vastgesteld dat de verdachte een eerdere taakstraf niet heeft uitgevoerd. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt voorts dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2026.
=========================================================================
[…]