Strafrecht overig

vernietiging vonnis in EA. Verweer partiele nietigheid feit 2 witwassen verworpen. W&O bewezen; opzettelijk…

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
23-001253-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2185
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

vernietiging vonnis in EA. Verweer partiele nietigheid feit 2 witwassen verworpen. W&O bewezen; opzettelijk vervoeren, afleveren en aanwezig hebben grote hoeveelheid cocaine en witwassen Rolex horloge en gouden ketting met hanger. GS 43 maanden ( rekening houdende met overschrijding redelijke termijn). beslissingen mbt beslag en voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001253-24

datum uitspraak: 6 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-289188-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 17 mei 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 102,05 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij, op of omstreeks 10 januari 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) een of meer voorwerpen, te weten:

- een horloge van het merk Rolex en/of

- een gouden ketting met hanger met de tekst `Go Fast’ althans enig goed,

dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Verweer partiële nietigheid van de dagvaarding feit 2

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 (witwassen) heeft de raadsvrouw verzocht om de tenlastelegging ten aanzien van het onderdeel ‘althans enig goed’ nietig te verklaren. Dit onderdeel is volgens de raadsvrouw onvoldoende feitelijk en geconcretiseerd, waardoor het onduidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het ten laste gelegde onder 2 voldoet aan de daaraan gestelde,

in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde eisen. De voorwerpen in de tenlastelegging, een horloge van het merk Rolex en een gouden ketting met hanger met de tekst ‘Go Fast zijn voldoende feitelijk en concreet omschreven. De vermelding ‘althans enig goed’ betreft geen ander goed, maar is een subsidiaire variant op het horloge en de ketting met hanger. Daarmee is duidelijk waartegen de verdachte zich moet verdedigen. Het hof ziet dan ook geen reden om de dagvaarding partieel nietig te verklaren en verwerpt het daartoe strekkende verweer van de raadsvrouw.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, het beslag en de straftoemeting komt dan de rechtbank. Bij de bewijsmotivering neemt het hof echter wel grote delen van het vonnis over.

Bewijsmotivering

Bewijsverweer feit 1

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe, kort en zakelijk samengevat, naar voren gebracht dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de tassen. De verdachte werkte als taxichauffeur en werd die dag gebeld door een klant met de vraag of hij ‘een ritje voor hem wilde rijden’. Hij is toen vanaf zijn huis in Amsterdam ZO naar de klant in Amsterdam West toegereden, die hem de opdracht gaf een zestal tassen te vervoeren naar de [adres 1] eveneens in Amsterdam West. Deze tassen waren afgesloten. Goederen ophalen en afleveren in plaats van personen vervoeren is iets wat taxichauffeurs wel vaker doen. Van enig contact tussen verdachte en de bewoner van het afleveradres, de heer [persoon] , is niet gebleken. Nadat de verdachte de tassen had afgeleverd is hij ook niet lang in de woning van [persoon] gebleven. De onderzoeksgegevens [bedrijf] weerspreken het scenario van de verdachte dat hij in Amsterdam-West is gestopt niet. De tassen kunnen binnen een minuut zijn ingeladen en een dergelijke korte stop wordt niet in het systeem geregistreerd. Aan het gebruik van de term Go Fast kan evenmin belastende betekenis worden toegekend.

Bewijsverweer feit 2

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het witwassen van alle in de tenlastelegging genoemde goederen. De enkele aanname dat de verdachte zich bezig houdt met het vervoer van verdovende middelen is onvoldoende om een witwasvermoeden te rechtvaardigen. Andere feiten of omstandigheden die een witwasvermoeden rechtvaardigen ontbreken.

De gouden ketting is in Suriname met contant geld uit zwarte ritjes gekocht en bestaat uit omgesmolten goud dat de verdachte eerder van zijn vader heeft geërfd. Het Rolex horloge en de gouden Go Fast hanger heeft de verdachte later aangeschaft toen hij bij zijn moeder woonde en nauwelijks kosten had. Deze goederen zijn aangeschaft met middelen van legale herkomst uit zijn taxibedrijf.

Oordeel van het hof

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Ten behoeve van het onderzoek Isurus is een camera geplaatst met zicht op het portiek van de woning op het [adres 1] . Op de camerabeelden wordt gezien dat op 17 mei 2023 omstreeks 14:00 uur drie personen een zestal tassen naar voornoemde woning tillen. Diezelfde middag is de woning binnengetreden en doorzocht door de politie. In de woning zijn zes tassen aangetroffen die zeer grote gelijkenissen vertonen met de tassen op de camerabeelden. In alle zes de tassen bevonden zich witte blokken. Onderzoek aan de blokken heeft uitgewezen dat het om een totaal nettogewicht ging van 102,05 kilogram. Van de inhoud van de blokken in de zes tassen zijn bemonsteringen genomen die zijn onderzocht. Uit het laboratoriumrapport volgt dat deze bemonsteringen cocaïne bevatten. Eén van de personen op de camerabeelden is herkend als de verdachte. De verdachte heeft ook bekend dat hij dat is en dat hij tassen naar de woning heeft getild. Hij heeft verder verklaard dat de zes tassen uit zijn auto kwamen. Hij zou de zes tassen ergens hebben opgehaald en naar het voornoemde adres hebben gebracht.

Naar aanleiding van de drugsverdenking is op 10 januari 2024 de woning van verdachte op het adres [adres 2] doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn in zijn slaapkamer een Rolex-horloge en een gouden ketting met hanger met de tekst ‘Go Fast’ aangetroffen. Uit de taxatierapporten volgt dat het Rolex-horloge een dagwaarde heeft van € 17.000,- en de gouden ketting een geschatte waarde van € 10.000,-. Verdachte zou beide goederen waarschijnlijk in 2023 hebben aangeschaft. Uit het financiële onderzoek naar verdachte is gebleken dat het geregistreerde inkomen van verdachte in de jaren 2020 en 2021 beneden het bestaansminimum lag en dat er in 2019 en 2022 geen inkomen is geregistreerd. In 2020 en 2021 zijn de uitgekeerde bedragen afkomstig van de gemeente Amsterdam. Gelet op de hoogte van de bedragen zijn dit vermoedelijk uitkeringen. Verder blijkt uit berekeningen dat verdachte voor de aanschaf van de gouden ketting en het Rolex-horloge een contant geldbedrag van

€ 2.636,- van legale herkomst tot zijn beschikking had.

Feit 1 (vervoeren en/of afleveren en/of aanwezig hebben van cocaïne)

Voor het antwoord op de vraag of een verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig

heeft gehad dan wel heeft vervoerd en/of afgeleverd, is niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten

aanzien van de verdovende middelen. De verdovende middelen zullen zich wel in de machtssfeer van verdachte moeten bevinden. Daarvoor is noodzakelijk dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen.

Vaststaat dat verdachte bestuurder en eigenaar was van een auto waarin zes tassen met cocaïne zijn vervoerd en dat hij de tassen heeft afgeleverd bij de woning op het [adres 1] .

De hoeveelheid cocaïne die de verdachte heeft vervoerd vertegenwoordigt een straatwaarde van circa 5 miljoen euro, waardoor het onaannemelijk is dat personen deze partij drugs (ongecontroleerd) laten vervoeren door een volstrekt onwetende taxichauffeur - zoals verdachte stelt te zijn - en daarmee onnodige risico’s zouden lopen op het verlies van de drugs. De door de verdediging geschetste vergelijking met het smokkelen van drugs door een onwetende koerier in een vliegtuig is daarbij niet passend. Dit betreft immers een veel meer gecontroleerde situatie, aangezien deze persoon doorgaans slechts wetenschap van zijn eigen bagage heeft en ook het vliegtuig niet eenvoudig kan verlaten. Dit is anders bij een taxichauffeur die met de drugs naar een onbekende bestemming kan wegrijden.

De verdachte heeft verder geen enkel nader detail kunnen verstrekken over de opdracht die hij naar eigen zeggen heeft gekregen van de gestelde klant. Zo weet hij niet hoe de klant heet en kan hij zich evenmin het adres herinneren waar hij de tassen heeft opgehaald.

Omdat de verdachte zijn verhaal op geen enkele wijze handen en voeten heeft gegeven en omdat voor de juistheid daarvan geen aanknopingspunt in het dossier te vinden is, vindt het hof de door verdachte gepresenteerde lezing ook om deze reden niet aannemelijk.

Het hof merkt daarbij op dat in de locatiegegevens [bedrijf] het rijgedrag van de auto van de verdachte is geregistreerd door elke minuut een vermelding van de GPS locatie van de auto te geven en ook de stopmomenten te registreren. Daaruit blijkt dat de auto van de verdachte op 17 mei 2023 is verplaatst van Amsterdam Zuid-Oost naar de [adres 1] , waarbij op de afgelegde route geen tussenstop te zien is in Amsterdam-West. Ook dit onderschrijft het verhaal van de verdachte dus niet.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de overige te bezigen bewijsmiddelen, kan het niet anders dan dat de verdachte weet had van de inhoud van de tassen en daarmee (anders dan de rechtbank heeft aangenomen geen voorwaardelijk maar) vol opzet had op het vervoeren, afleveren en aanwezig hebben van de cocaïne.

Het hof komt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren, afleveren en aanwezig hebben van 102,05 kilogram cocaïne.

Evenals de rechtbank ziet het hof in het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen en komt op dat punt tot een partiële vrijspraak.

Feit 2 (witwassen)

Met de rechtbank overweegt het hof als volgt.

Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf een voorwerp afkomstig is, kan witwassen worden bewezen. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is. Indien de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het voorwerp. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een

legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is,

kan het witwassen van dat voorwerp worden bewezen.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is er een vermoeden van witwassen. Verdachte wordt immers schuldig bevonden aan een drugsfeit en de waarde van de ten laste gelegde goederen kan niet worden verklaard uit zijn legale inkomsten. De verklaring van verdachte dat hij het geld voor deze luxe goederen heeft opgespaard dan wel heeft vergaard uit zwarte taxi-ritjes, is niet onderbouwd en vindt ook geen steun in het dossier. De verklaring is dan ook onvoldoende concreet en verifieerbaar en - gelet op het beperkte inkomen van verdachte - op voorhand onwaarschijnlijk. Het hof is van oordeel dat het daarom niet anders kan dan dat het horloge en de gouden ketting met hanger uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat ook wist. Verdachte heeft het horloge en de gouden ketting met hanger voorhanden gehad en zich hiermee schuldig gemaakt aan witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 17 mei 2023 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd en heeft afgeleverd en aanwezig heeft gehad, ongeveer 102,05 kilogram cocaïne.

2.
hij, op 10 januari 2024 te Amsterdam,

- een horloge van het merk Rolex en

- een gouden ketting met hanger met de tekst `Go Fast’

voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit aan de verdachte, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een gevangenisstraf op te leggen van 36 maanden en 20 dagen, te weten een straf gelijk aan de tijd die de verdachte feitelijk in detentie dient door te brengen, rekening houdend met een V.I., althans een straf gelijk aan de tijd die de verdachte al in hechtenis heeft doorgebracht, te weten 917 dagen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren, afleveren en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs, namelijk ruim 102 kilogram cocaïne. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne moet aangenomen worden dat deze bestemd was voor de handel. De verspreiding van en handel in deze grote hoeveelheden cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en is een gevaar voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de drugshandel niet zelden gepaard met geweld, waardoor die handel ook een gevaar is voor de veiligheid. Bovendien gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van een Rolex horloge en een gouden ketting met hanger. Witwassen is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit en ondermijning in de samenleving. Hiermee worden de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken. Daders van strafbare feiten worden op deze wijze in staat gesteld om met het oneerlijk verdiende geld een maatschappelijke en financiële status te verwerven die zij niet behoren te hebben.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt voor een first offender van overtreding van artikel 2 onder b van de Opiumwet bij een hoeveelheid van meer dan 20 kilo in georganiseerd verband een gevangenisstraf van meer dan 72 maanden en van artikel 2 onder c van de Opiumwet bij een hoeveelheid van meer dan 20 kilo in georganiseerd verband een gevangenisstraf van meer dan 48 maanden genoemd.

Verder heeft het hof kennis genomen van een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 juli 2026.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden.
Op 3 juni 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst eerst op 6 augustus 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met 10 maanden overschreden, welke overschrijding in het voordeel van de verdachte zal worden verdisconteerd. Het hof acht, alles afwegende, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof deze matigen tot 43 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Onder de verdachte zijn op 10 januari 2024 in beslag genomen een Rolex horloge alsmede een gouden ketting met hanger Go Fast, welke nog niet zijn teruggegeven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Voorlopige hechtenis

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting om opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht. Uitgaande van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van 40 maanden was de indicatieve V.I. in onderhavige zaak 11 april 2026. Gezien het feit dat de rechtbank in Lelystad op 26 november 2024 de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen voor een uitleveringszaak is de kans op V.I. echter nihil. Gelet op de voortdurende voorlopige hechtenis ligt de uitleveringszaak thans stil, wat een onwenselijke situatie is. Opheffing van de voorlopige hechtenis zal de uitleveringszaak in beweging zetten, aldus de verdediging.

De advocaat generaal heeft het hof verzocht het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis af te wijzen.

In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet het hof, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de thans opgelegde (hogere) straf, geen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet terug gegeven voorwerpen te weten;

1. STK Horloge (goednummer: 800532);

1. STK Sieraad (goednummer: 800533).

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 augustus 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]