Strafrecht overig

Verdachte is veroordeeld voor de mishandeling en bedreiging van zijn vader, de mishandeling van zijn vriendin…

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
23-002813-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2282
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte is veroordeeld voor de mishandeling en bedreiging van zijn vader, de mishandeling van zijn vriendin en vernieling van haar telefoon en voor het rijden onder invloed van THC. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de bedreiging (redelijke vrees), de mishandelingen en het rijden onder invloed (strikte waarborg genoemd in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer). Verwerping van beroep op noodweerexces. Oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf. Onttrekking aan het verkeer van hennep.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002813-25

datum uitspraak: 18 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 november 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-220479-25 (verder: zaak A) en 15-235463-24 (verder: zaak B) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

postadres: [adres] .

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
4 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is in zaak A tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] :

  • uit de auto te trekken en/of

  • een of meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of

  • een of meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam te schoppen

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn vader tot wie verdachte in famillierechtelijke betrekking stond;

2.
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “Ik weet waar je woont. Ik maak je dood. Ik weet je te vinden. Ik doe je aan wat je mijn moeder ook aan gedaan hebt. Ik ben al dakloos. Ik heb toch niets meer te verliezen” en/of woorden van gelijke strekken of aard.

Aan de verdachte is in zaak B tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Purmerend opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon en/of televisie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Purmerend zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of haar uit haar hoofd te trekken;

3.
hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Purmerend als bestuurder van een voertuig, (personenauto met kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten 4,0 microgram per liter van de stof THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

4 Bewijsoverwegingen

4.1.

Ten aanzien van zaak A

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van de onder 2 tenlastegelegde bedreiging moet worden vrijgesproken. De verdachte heeft onmiddellijk na een fysieke vechtpartij, waarin de emoties van beide partijen hoog opliepen, uitlatingen gedaan. Daarbij heeft hij wel iets geroepen uit boosheid, maar hij kan zich niet herinneren iemand met de dood te hebben bedreigd. Het is verder de vraag of de uitingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als een serieuze bedreiging; hoe dan ook had hij geen opzet of de intentie om de aangever de redelijke vrees aan te jagen dat hij het leven zou kunnen verliezen.

4.1.2.

Oordeel van het hof

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

De aangever is door de verdachte mishandeld. Kort daarna zat de aangever bebloed in de deuropening van zijn auto, terwijl de verdachte schreeuwend bij hem probeerde te komen en omstanders hem fysiek op afstand moesten houden. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte op dat moment de tenlastegelegde bewoordingen uitte, en dat wordt voldoende ondersteund door de verklaring van de aangever dat de verdachte dodelijke bedreigingen uitte. Door onder deze omstandigheden – kort na de mishandeling en terwijl omstanders hem op afstand moesten houden – de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen te uiten, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de redelijke vrees doen ontstaan bij de aangever dat die het leven zou kunnen verliezen. Door aldus te handelen heeft de verdachte hierop, gezien de uiterlijke verschijningsvorm van de uitingen, minst genomen voorwaardelijk opzet gehad. Dat de intentie van de verdachte er naar eigen zeggen niet op was gericht om de aangever vrees aan te jagen, doet daaraan niet af.

Het hof is dan ook van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde uitlatingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de aangever oplevert. Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Ten aanzien van zaak B

4.2.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van de onder 1 tenlastegelegde vernieling van de televisie moet worden vrijgesproken, omdat de verklaring van de verdachte – dat de televisie tijdens het incident van een wankele tafel viel – geen steun biedt voor (voorwaardelijk) opzet op vernieling van de televisie.

Daarnaast moet de verdachte van de onder 2 tenlastegelegde mishandeling worden vrijgesproken, omdat de verklaring van de aangeefster onvoldoende wordt gesteund door andere bewijsmiddelen. Dat er in het dossier foto’s zitten van blauwe plekken en een pluk haar is onvoldoende ondersteunend, aangezien de aangeefster vaker onverklaarbare blauwe plekken en haaruitval heeft gehad.

Tot slot moet de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde rijden onder invloed van THC worden vrijgesproken, omdat het onderzoek naar de hoeveelheid THC in het bloed van de verdachte niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is verricht. De verdachte is namelijk niet binnen de termijn genoemd in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (verder: het Besluit) schriftelijk in kennis gesteld van het recht op tegenonderzoek, hetgeen een strikte waarborg is. Het onderzoek dient dan ook van het bewijs te worden uitgesloten.

4.2.2.

Oordeel van het hof

4.2.2.1. Ten aanzien van feit 1:

Overeenkomstig het standpunt van de verdediging zal het hof de verdachte vrijspreken van de vernieling van de televisie, omdat het hof op basis van het dossier tot de conclusie komt dat niet valt uit te sluiten dat de televisie als gevolg van een ongeluk op de grond is gevallen en daardoor kapot is gegaan.

4.2.2.2. Ten aanzien van feit 2:

De verklaring van de aangeefster, inhoudende dat zij door de verdachte is geslagen op haar arm en aan haar haar is getrokken, wordt naar het oordeel van het hof in voldoende mate ondersteund door de omstandigheid dat kort na het feit foto’s door de politie zijn gemaakt waarop te zien is dat de aangeefster een blauwe plek had op haar arm en dat er een pluk haar in de woning lag. Dat de aangeefster leed aan onverklaarbare blauwe plekken en haaruitval waardoor dit zou zijn ontstaan, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Nu de beschuldiging op de voornoemde onderdelen voldoende door ander bewijs wordt gesteund, is het hof van oordeel dat ook het meermalen slaan op het achterhoofd van de aangeefster wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het hof zal vrijspreken van het onderdeel levensgezel, omdat uit het dossier en hetgeen de aangeefster en de verdachte daarover hebben verklaard onvoldoende volgt dat tussen hen beiden sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid, vergelijkbaar met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.

4.2.2.3. Ten aanzien van feit 3:

Het hof merkt allereerst op dat ten laste is gelegd de overtreding van artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), terwijl het verweer van de raadsman is gericht tegen het ‘onderzoek’ als genoemd in artikel 8 lid 5 WVW. Nu is tenlastegelegd dat de verdachte onder invloed verkeerde van 4,0 microgram THC per liter (het hof begrijp: bloed), is het onderzoek naar het gehalte THC in het bloed van de verdachte in die zin wel van belang voor de bewijsvoering, zodat het hof het verweer van de raadsman toch inhoudelijk zal beoordelen.

Artikel 17 van het Besluit bepaalt dat de opsporingsambtenaar binnen een week na ontvangst van het verslag van het bloedonderzoek de verdachte schriftelijk in kennis stelt van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Het bepaalde in artikel 17 van het Besluit betreft een strikte waarborg. Deze termijn van een week is in de onderhavige zaak kennelijk niet gehaald, aangezien het verslag op 29 april 2024 is opgemaakt en de uitslag pas op 16 mei 2024 naar de verdachte is verzonden.

Hoewel in deze zaak de voornoemde termijn niet is nageleefd, is de verdachte uiteindelijk wel op de juiste wijze schriftelijk op de hoogte gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Daarmee wordt een uitzondering aangenomen op de regel dat niet-naleving van een strikte waarborg leidt tot bewijsuitsluiting, omdat het verzuim er in dit geval niet aan de weg heeft gestaan dat het met het in artikel 17 van het Besluit beoogde doel is bereikt. Dat de verdachte 10 dagen na het verstrijken van de termijn op de hoogte is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek maakt immers op zichzelf niet dat hij niet meer effectief van zijn recht op tegenonderzoek gebruik kon maken.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

5 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 2 augustus 2025 te Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] :

  • tegen het hoofd en het lichaam te slaan en

  • meermalen tegen het lichaam te schoppen

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn vader tot wie verdachte in familierechtelijke betrekking stond;

2.
hij op 2 augustus 2025 te Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “Ik weet waar je woont. Ik maak je dood. Ik weet je te vinden. Ik doe je aan wat je mijn moeder ook aan gedaan hebt. Ik ben al dakloos. Ik heb toch niets meer te verliezen”.

Het hof acht daarnaast wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.
hij op 12 maart 2024 te Purmerend opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield;

2.
hij op 12 maart 2024 te Purmerend [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen tegen het hoofd en lichaam te slaan en haar uit haar hoofd te trekken;

3.
hij op 12 maart 2024 te Purmerend als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten 4,0 microgram per liter van de stof THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

6 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.

Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 Strafbaarheid van de verdachte

7.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van hetgeen in zaak A onder 1 is tenlastegelegd, omdat hem een beroep op noodweerexces toekomt. Toen de verdachte en de aangever in de auto zaten, heeft de aangever de verdachte een klap gegeven. Dit betrof een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte ging te ver in zijn verdediging, maar dat was het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die een direct gevolg was van de aanranding.

7.2.

Oordeel van het hof

Voor de beoordeling of sprake is van noodweerexces, dient het hof allereerst te beoordelen of sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verweren (een zogenoemde noodweersituatie). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij – tijdens de autorit – de aangever aan zijn haren trok, waarna de aangever als bestuurder van de auto met een vuist uithaalde naar de verdachte. De aangever heeft daarentegen verklaard dat het incident begon toen de verdachte hem tegen zijn rechter bovenarm sloeg.

Ook als het hof uitgaat van de door de verdachte geschetste gang van zaken, is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een noodweersituatie. Immers is het in dat geval de verdachte geweest die de aangever tijdens het rijden bij zijn haar pakte, hetgeen naar het oordeel van het hof een aanvallende geweldshandeling betreft waarop de aangever binnen de gegeven situatie op een niet-wederrechtelijke manier heeft gereageerd. De verdachte komt dan ook geen beroep op noodweerexces toe.

De verdachte is strafbaar, omdat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

8 Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan
60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte niet meer met justitie in aanraking is gekomen. De raadsman heeft aangevoerd dat een taakstraf van substantiële omvang de verdachte disproportioneel raakt in zijn mogelijkheden om in zijn levensonderhoud te voorzien en heeft verzocht, mede gelet op de oudheid van de feiten, een groter deel van de op te leggen taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op twee data schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten.

In zaak A heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling en bedreiging van zijn vader. Hij heeft hiermee een forse inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit en pijn en letsel veroorzaakt. Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij het slachtoffer meermalen heeft geschopt terwijl dat al weerloos op de grond lag. Vervolgens heeft hij het slachtoffer angst aangejaagd door hem met de dood te bedreigen.

In zaak B heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige vriendin en aan de vernieling van haar telefoon. Hij heeft een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en haar eigendomsrecht, waardoor zij pijn, letsel en financiële schade heeft opgelopen. Algemeen bekend is dat slachtoffers nog lang last kunnen hebben van dergelijk relationeel geweld, gepleegd door iemand bij wie het slachtoffer zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Tot slot heeft de verdachte zich in deze zaak schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van THC, waardoor de verkeersveiligheid in het geding kan komen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor een mishandeling, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een geldboete van € 1.000,00 genoemd. Daarnaast wordt genoemd dat voor huiselijk geweld – waar in deze zaken sprake van is – in beginsel geen geldboete wordt opgelegd. Voor bedreiging en voor het besturen van een personenauto onder invloed van THC worden geldboetes van respectievelijk
€ 350,00 en € 450,00 genoemd.

Gelet op de grote hoeveelheid feiten en in aanmerking nemende de LOVS-oriëntatiepunten acht het hof de oplegging van een taakstraf passend en geboden. Daarvan zal het hof een deel in voorwaardelijke vorm opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden nogmaals strafbare feiten te plegen. Het hof sluit zich aan bij de door de politierechter opgelegde straf. Anders dan de raadsman acht het hof een korter onvoorwaardelijk deel van de taakstraf niet passend, omdat dat geen recht doet aan de ernst van de feiten. Ook houdt het hof niet in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdsverloop in zaak B, nu die zaak voorwaardelijk was geseponeerd en het enkel aan het handelen van de verdachte te wijten is dat hij in die zaak een jaar later alsnog is vervolgd.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

9 Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (hennep) is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte in zaak B begane feiten aangetroffen. Het behoort aan de verdachte toe en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten (te weten het rijden onder invloed van THC). Het zal worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 57, 63, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Hennep (Omschrijving: PL1100-2024052973-1583666).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. L.F. Roseval en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 augustus 2026.

=========================================================================

[…]

Vgl. Hoge Raad 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:643. Vgl. Hoge Raad 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7952.