Strafrecht overig

Oordeel van het hof: Het staat niet ter discussie dat de verdachte bij aangeefster op 12 november 2023 in…

Zaakgegevens

Op 25 juni 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 juni 2026
Datum publicatie
19 augustus 2026
Zaaknummer
23-001431-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2289
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Oordeel van het hof: Het staat niet ter discussie dat de verdachte bij aangeefster op 12 november 2023 in haar woning is geweest en dat de verdachte haar heeft gekust en aangeraakt. De verdachte heeft dit ook ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd. Volgens de verdachte heeft dit alles echter plaatsgevonden in een flirterige en lacherige sfeer en met wederzijds instemming. Het hof staat daarom voor de vraag of er sprake is van aanranding. Ter beantwoording van die vraag zal het hof eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van de aangeefster en vervolgens bezien of er voldoende steunbewijs is. Het hof gaat uit van de verklaring die de aangeefster op 24 november 2023 tegenover de politie heeft afgelegd. De verklaring van de aangeefster is gedetailleerd en feitelijk en maakt op het hof een geloofwaardige indruk. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van aangeefster voor het bewijs kan worden gebruikt. Op grond van artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Evenals de rechtbank is het hof op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Dat (mogelijk) sprake is geweest van schaamte bij aangeefster door een (seksuele) afwijzing, zoals aangevoerd door de verdediging, is naar het oordeel van het hof in het licht van het voorgaande op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het hof heeft op basis van de wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt dan ook verworpen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001431-25

datum uitspraak: 25 juni 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-231807-24 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 november 2023 te Amsterdam, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

die [benadeelde partij] (onverhoeds) (bij de nek) vastgepakt en/of

die [benadeelde partij] bij de keel vastgepakt en/of

de keel van die [benadeelde partij] dichtgeknepen en/of (daarbij) gezegd: “Zeg me dat ik harder mag knijpen” en/of in de vagina van die [benadeelde partij] geknepen en/of

zijn, verdachte's, penis uit zijn broek gehaald en/of

zijn armen om die [benadeelde partij] heen geslagen en/of

die [benadeelde partij] een duwtje tegen de schouder gegeven (waardoor die [benadeelde partij] ) op de bank viel en/of

tegen die [benadeelde partij] gezegd: “Na ons gesprek van net ga ik niet meer weg, nu ben ik geil” en/of “Kijk” (daarbij wijzend naar zijn kruis/ stijve penis) en/of “Hou me vast, hou me vast” en/of “Kus me” en/of “Kom naar de slaapkamer” en/of “Als jij me nu niet geeft wat ik wil dan ga ik naar buiten en verkracht ik iemand. Dat is dan jouw schuld” en/of “Denk je dat het mij iets uitmaakt dat je niet gedoucht bent, ik ben gewoon geil” en/of “Ik wil je nu” en/of

de broek van die [benadeelde partij] naar beneden getrokken en/of

die [benadeelde partij] gekust en/of getongzoend en/of

die [benadeelde partij] in haar gezicht gelikt en/of

de borsten van die [benadeelde partij] betast en/of aangeraakt en/of

in de borsten van die [benadeelde partij] geknepen en/of

die [benadeelde partij] bij de billen vastgepakt en/of

de rug en/of billen van die [benadeelde partij] aangeraakt en/of betast.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd wegens proceseconomische redenen.

Bewijsoverweging

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, nu niet is voldaan aan het bewijsminimum. De verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan aanranding. De verklaring van de aangeefster vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen op essentiële onderdelen. Voorts sluiten de waargenomen emoties het alternatieve scenario van de verdediging niet uit.

Oordeel van het hof

Het staat niet ter discussie dat de verdachte bij aangeefster op 12 november 2023 in haar woning is geweest en dat de verdachte haar heeft gekust en aangeraakt. De verdachte heeft dit ook ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd. Volgens de verdachte heeft dit alles echter plaatsgevonden in een flirterige en lacherige sfeer en met wederzijds instemming. Het hof staat daarom voor de vraag of er sprake is van aanranding. Ter beantwoording van die vraag zal het hof eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van de aangeefster en vervolgens bezien of er voldoende steunbewijs is.

Het hof gaat uit van de verklaring die de aangeefster op 24 november 2023 tegenover de politie heeft afgelegd. De strekking van deze verklaring is de volgende.

De verdachte kwam op 12 november 2023 naar de woning van aangeefster om een aantal kasten in elkaar te zetten. Via [website] had zij een klusjesman gezocht om kasten te monteren. Nadat de verdachte de kasten in elkaar had gezet, heeft ze hem betaald. In de hal bij de voordeur zei hij opeens dat hij niet weg zou gaan, omdat hij geil was. De verdachte wees daarbij naar zijn stijve penis. Aangeefster heeft gezegd dat hij toch weg moest gaan. De verdachte verhief zijn stem en zei dat hij niet weg wilde. Hij pakte haar beide handen en legde die om zijn nek. De verdachte heeft haar vervolgens gezoend met zijn tong in haar mond en over haar gezicht gelikt. De aangeefster bleef maar zeggen dat zij dat niet wilde, maar daar luisterde de verdachte niet naar. Vervolgens duwde de verdachte haar naar de woonkamer. Daar heeft hij haar bij haar nek en keel vastgepakt en in haar keel geknepen. Ook heeft hij haar bij haar linkerborst betast en heeft hij enkele seconden in haar borst geknepen. Ook heeft hij haar blote buik en haar linkerborst over haar BH betast. Hij heeft meerdere malen met zijn kruis tegen haar billen geduwd. Hij heeft haar meegetrokken op de bank, heeft zijn hand op haar pyjamabroek over haar kruis gelegd en in haar vagina geknepen. Hij kneep in haar borst over haar BH en shirt en daarna bracht hij zijn hand in haar broek richting haar vagina. Zij sloeg zijn hand toen weg en probeerde op te staan, waarna hij haar broek met twee handen beetpakte en naar beneden trok, waardoor haar broek een stukje omlaag ging. Daarna heeft hij haar weer naar zich toegetrokken en viel zij met de voorzijde van haar lichaam tegen hem aan. Zij voelde zijn erectie toen ze op zijn kruis zat en hij wreef over haar rug en billen. Er is toen een worsteling ontstaan, waarna zij zich heeft losgemaakt en is opgestaan. De verdachte heeft haar toen op haar rug op de bank geduwd en ging over haar heen liggen. Zij voelde dat hij haar broek naar beneden probeerde te trekken en zij probeerde haar broek weer omhoog te trekken. De verdachte liet op een gegeven moment los.

De verdachte liep vervolgens naar de slaapkamer van haar dochter om in zijn woorden af te koelen en heeft in de slaapkamer van haar dochter op het bed zijn broek naar beneden getrokken. Aangeefster zag een litteken, net onder zijn eikel. Zijn penis was nog een beetje stijf. Hij zei: ‘Geef er eens een kusje op. Zuig er heel eventjes aan’. Zij werd toen boos en zei dat hij moest vertrekken. Ze zag toen dat hij zijn penis beetpakte en er een beetje mee begon te spelen. Ze liep naar de gang en hij liep ook naar de gang met zijn broek omhoog. Hij zei: ‘Als je me nu niet geeft wat ik wil, dan ga ik naar buiten en dan verkracht ik iemand. En dan is het jouw schuld’. Zij heeft toen haar telefoon gepakt en heeft haar vriend [getuige 1] gebeld. De verdachte is op dat moment vertrokken.

De verklaring van de aangeefster is gedetailleerd en feitelijk en maakt op het hof een geloofwaardige indruk. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van aangeefster voor het bewijs kan worden gebruikt.

Op grond van artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.

Evenals de rechtbank is het hof op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De aangeefster heeft de getuige [getuige 1] gebeld op het moment dat de verdachte zich nog in haar woning bevond en heeft verklaard dat zij hem na het vertrek van de verdachte heeft verteld dat de klusjesman zich aan haar opdrong. [getuige 1] heeft dat bevestigd en verklaard dat hij de aangeefster eerder die dag al had gebeld over de afspraak die zij hadden en dat zij toen niet had opgenomen wat hij vreemd vond. Verder heeft hij bevestigd dat zij in haar pyjama was op het moment dat hij haar kort na hun gesprek zag. Dit bevreemdde hem. Hij vroeg aan haar waarom ze niet aangekleed was en wat er aan de hand was. Ze zei dat er een klusser bij haar was geweest die ‘raar begon te doen’. Ze bleef in haar verhaal oppervlakkig. In de avond heeft aangeefster getuige [getuige 1] gebeld waarbij zij moest huilen. De aangeefster heeft toen verteld dat de man van die middag haar had aangeraakt bij haar bil of haar kruis, dat zij hem had weggeslagen en dat er een worsteling had plaatsgevonden.

De middag na het voorval heeft de aangeefster haar zus, de getuige [benadeelde partij] , telefonisch ingelicht over het voorval. De getuige verklaarde dat haar zus daarbij overstuur was en van de hak op de tak ging, terwijl zij normaliter zaken goed kan verwoorden. De getuige heeft haar geadviseerd om het gebeuren op te schrijven. De aangeefster heeft het incident vervolgens gedetailleerd opgeschreven en aan haar zus verstuurd via iMessage. Deze berichten zijn in het dossier gevoegd. De berichten komen naar het oordeel van het hof op significante onderdelen overeen met de verklaring van aangeefster, zoals (i) het vastpakken bij de keel, (ii) de opmerking dat de verdachte iemand zal verkrachten als aangeefster hem haar niet liet aanraken, en (iii) dat hij zijn penis liet zien en vroeg of zij daar een kusje op wilde geven. De getuige [benadeelde partij] heeft verder onder meer opgemerkt dat de aangeefster sinds dit voorval niet meer in haar eigen bed slaapt, maar bij haar kinderen, dat zij onstabieler is en dat zij er enkele dagen na het incident grauw uitzag.

Voorts heeft aangeefster de middag na het voorval met de getuige [getuige 2] , haar ex-partner, gesproken. Hij zag dat aangeefster ‘down’ was en vroeg haar wat er aan de hand was. Zij heeft hem toen verteld dat de klusjesman zich aan haar had opgedrongen en ongepaste dingen had gezegd. Aangeefster belde [getuige 2] in de avond en vertelde dat de jongen zijn geslachtsdeel eruit had gehaald, haar bij haar nek had gepakt, haar heeft gewurgd en haar heeft gekust op haar mond. [getuige 2] heeft verklaard dat hij vervolgens diezelfde avond twee keer telefonisch contact heeft opgenomen met de verdachte en de verdachte heeft geconfronteerd met alles wat aangeefster aan hem had verteld. De verdachte heeft toen zijn excuses aangeboden en alles toegegeven. De verdachte heeft dit erkend, maar heeft daarover verklaard dat hij dit slechts heeft gedaan uit angst voor wat [getuige 2] zou kunnen doen. Het hof acht die verklaring van de verdachte evenwel, bezien tegen de achtergrond van de overige feiten en omstandigheden, niet geloofwaardig.

De dag na het misdrijf heeft de aangeefster zich gemeld bij de huisarts waarbij zij heeft aangegeven te zijn aangerand door de klusjesman. De huisarts nam waar dat de aangeefster emotioneel was en dat zij hevig moest huilen.

Gelet op het voorgaande vinden de verklaringen van de aangeefster naar het oordeel van het hof voldoende steun in ander bewijsmateriaal, waardoor geen sprake is van een situatie van ‘unus testis nullus testis’, zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv. Dat (mogelijk) sprake is geweest van schaamte bij aangeefster door een (seksuele) afwijzing, zoals aangevoerd door de verdediging, is naar het oordeel van het hof in het licht van het voorgaande op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het hof heeft op basis van de wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 november 2023 te Amsterdam, door geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

die [benadeelde partij] (onverhoeds) (bij de nek) vastgepakt en

die [benadeelde partij] bij de keel vastgepakt en

de keel van die [benadeelde partij] dichtgeknepen en daarbij gezegd: “Zeg me dat ik harder mag knijpen” en

in de vagina van die [benadeelde partij] geknepen en

zijn, verdachte's, penis uit zijn broek gehaald en

zijn armen om die [benadeelde partij] heen geslagen en

die [benadeelde partij] een duwtje tegen de schouder gegeven waardoor die [benadeelde partij] op de bank viel en

tegen die [benadeelde partij] gezegd: “Na ons gesprek van net ga ik niet meer weg, nu ben ik geil” en “Kijk” (daarbij wijzend naar zijn stijve penis) en “Hou me vast, hou me vast” en “Kus me” en “Kom naar de slaapkamer” en “Als jij me nu niet geeft wat ik wil dan ga ik naar buiten en verkracht ik iemand. Dat is dan jouw schuld” en “Denk je dat het mij iets uitmaakt dat je niet gedoucht bent, ik ben gewoon geil” en “Ik wil je nu” en

de broek van die [benadeelde partij] naar beneden getrokken en

die [benadeelde partij] getongzoend en

die [benadeelde partij] in haar gezicht gelikt en

in de borst van die [benadeelde partij] geknepen en
die [benadeelde partij] bij de billen vastgepakt en

de rug en billen van die [benadeelde partij] aangeraakt en betast.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 89 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een contactverbod met de aangeefster als bijzondere voorwaarde.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de aangeefster. Hij heeft haar in haar eigen woonomgeving aangerand. Ondanks dat de aangeefster meermalen zei en liet merken dat ze geen seks met hem wilde, is hij doorgegaan in zijn pogingen en heeft hij haar gedwongen zijn betastingen op verschillende plekken van haar lichaam te ondergaan. De verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij de grenzen van het slachtoffer niet heeft gerespecteerd en kennelijk enkel oog heeft gehad voor zijn eigen lustgevoelens.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als deze daarvan gedurende lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Helaas is dat ook in deze zaak het geval. Uit de slachtofferverklaring, die het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen, en de overige inhoud van het dossier, blijkt dat zij zich door deze gebeurtenis tot op heden niet meer veilig voelt. Voor deze klachten heeft ze EMDR-therapie moeten ondergaan. Het hof rekent de verdachte deze gevolgen die zijn handelen voor het slachtoffer heeft gehad aan.

Het hof neemt anderzijds in aanmerking dat de verdachte ten tijde van het feit jong was en wegens soortgelijke feiten niet eerder, maar ook na dit feit niet met politie en justitie in aanraking is gekomen. Dit weegt het hof in strafmatigende zin mee.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van enige noodzaak tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet wel aanleiding om een deel van de taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, en daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen waaronder een contactverbod met de aangeefster en een meldplicht bij de reclassering. Het hof overweegt over het contactverbod dat de aangeefster hierom heeft verzocht vanwege een recent contact met een familielid van de verdachte en dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard ook zelf zo’n verbod te wensen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur en onder na te melden voorwaarden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.197,41. Zij vordert een vergoeding van € 1.197,41 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet inhoudelijk betwist.

Materiële schade

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden van € 1.197,41, gelet op de onderbouwing en de toelichting die namens de benadeelde partij daaraan ten grondslag is gelegd. Door of namens de verdachte is de vordering niet betwist en de vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze posten komen naar het oordeel van het hof dan ook voor toewijzing in aanmerking.

Immateriële schade
Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.

Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij onder behandeling is geweest bij een psycholoog en EMDR- en exposure therapie heeft gehad voor PTSS-klachten.

Gelet op deze onderbouwing en rekening houdend met hetgeen in vergelijkbare gevallen door rechters aan schadevergoeding wordt toegekend, stelt het hof de door de benadeelde partij geleden immateriële schade naar billijkheid – net zoals de politierechter – vast op een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 (zoals in werking tot 1 juli 2024) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

slachtoffer: [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1989.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.197,41 (drieduizend honderdzevenennegentig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 1.197,41 (duizend honderdzevenennegentig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.197,41 (drieduizend honderdzevenennegentig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 1.197,41 (duizend honderdzevenennegentig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 november 2023.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. R.A. Boon en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. N.R.H. Marsera, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2026.

mr. R.A. Boon, mr. A.E.M. Röttgering en mr. N.R.H. Marsera zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.