Strafrecht overig

Verdachte is niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard, omdat de door de raadsman ingediende…

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
23-001207-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2329
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte is niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard, omdat de door de raadsman ingediende schriftelijke volmacht niet aan de eisen van de wet voldoet en ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem gemachtigde raadsman is verschenen om dit te repareren.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001207-26

datum uitspraak: 6 augustus 2026

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2026 in de strafzaak onder parketnummer

13-077191-26 tegen de verdachte door het openbaar ministerie in hoger beroep gedagvaard als:

[verdachte] (ook bekend als: [verdachte] ),

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2009 dan wel [geboortedag 2] 2008,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

laatst bekend adres: [adres] .

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 augustus 2026. Aldaar is noch de verdachte, noch diens raadsman verschenen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot

niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026 heeft het onderzoek zich beperkt tot de vraag of het hoger beroep op de in artikel 450 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voorgeschreven

wijze is ingesteld.

Het hof overweegt daarover het navolgende

Ingevolge artikel 449, eerste lid, Sv wordt – voor zover de wet niet anders bepaalt – hoger beroep

ingesteld door een verklaring, af te leggen door diegene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie

van het gerecht dat het betreffende vonnis heeft gewezen. Uit het eerste lid van artikel 450 Sv volgt

dat dit rechtsmiddel ook kan worden aangewend door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt,

bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij

bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

Uit de tekst van artikel 450, derde lid, Sv blijkt niet dat ook een door de verdachte bepaaldelijk

gevolmachtigde advocaat een bijzondere schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker kan geven

om namens de verdachte hoger beroep in te stellen.

Gelet op hetgeen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de

Wet stroomlijnen hoger beroep is opgenomen en de gang van zaken in de rechtspraktijk, heeft de Hoge

Raad bij arrest van 22 december 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ7810) – onder meer – overwogen dat een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat op de wijze van artikel 450, derde lid Sv, hoger beroep kan instellen. De schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker hiertoe machtigt moet dan echter voldoen aan de in artikel 450, eerste en derde lid Sv (nader) geformuleerde eisen, te weten:

1. een verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het

instellen van hoger beroep (ingevolge artikel 450, eerste lid, aanhef en onder a Sv);

2) een verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker

aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (ingevolge artikel 450, derde lid Sv);

3) de vermelding van het door de verdachte opgegeven adres, waarnaar een afschrift van de

appeldagvaarding kan worden gezonden (ingevolge artikel 450, derde lid Sv).

Op grond van de stukken en wat ter terechtzitting naar voren is gekomen, stelt het hof in dit geval de volgende gang van zaken vast.

De verdachte is bij vonnis van 8 juni 2026 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam op tegenspraak veroordeeld. De raadsman heeft op 12 juni 2026 een volmacht gestuurd naar de griffie van voornoemde rechtbank, waarvan de inhoud luidt:

“Tot mij wendde zich de heer [verdachte] [hierna te noemen: cliënt], geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] [ [geboorteland] ], met het verzoek om hem in opgemelde aangelegenheid bij te staan. Derhalve ben ik gevolmachtigd om namens cliënt het navolgende verzoek te doen.

Op 8 juni jl. heeft de politierechter te Amsterdam in deze zaak een mondeling vonnis gewezen. Cliënt is veroordeeld voor feit 1 en 2 en vrijgesproken voor feit 3.

Client kan zich met dit vonnis niet verenigen en wenst hiertegen beroep in te stellen.

Op grond van het vorenstaande machtig ik de strafgriffie om hoger beroep in opgemelde aangelegenheid in te stellen.

U kunt de appeldagvaarding/oproeping versturen naar [adres] . Graag ontvang ik een afschrift hiervan.”

De griffie van de rechtbank Amsterdam heeft daarop een akte rechtsmiddel opgemaakt, die gedateerd is op 15 juni 2026.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de volmacht van de raadsman van 12 juni 2026 niet een verklaring inhoudt dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hogerberoep. De schriftelijke volmacht voldoet dus niet aan de in de wet gestelde eisen.

In zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem gemachtigde

raadsman is verschenen, wordt in de regel het door een raadsman door middel van een schriftelijke

volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard indien die volmacht

niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.

Evenwel bestaat onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens een verzuim als voormeld, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen (vgl.HR 20 maart 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV6999 en HR 19 september 2017 ECLI:NL:HR:2017:2411.)

In dit geval voldoet de door de raadsman ingediende schriftelijke volmacht niet aan de eisen van de wet en is ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem gemachtigde raadsman

verschenen om dit te repareren. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. D. Radder en mr. P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van

mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 augustus 2026.