Strafrecht overig

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Gerechtshof Amsterdam, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
23-002511-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2345
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002511-25

datum uitspraak: 21 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-189043-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
zij, op of omstreeks 29 april 2024 te Landsmeer op de openbare weg in de [adres 2] in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [benadeelde partij] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit meerdere keren die [benadeelde partij] naar de grond te werken terwijl het door die [verdachte] gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had;

subsidiair
zij, op of omstreeks 29 april 2024 te Landsmeer [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] naar de grond te werken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte van 7 mei 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina’s 6-13.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de op 7 mei 2024 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [benadeelde partij]:

Hierbij doe ik aangifte van mishandeling. Op 29 april 2024 reed ik over de [adres 2] in Landsmeer. Ik hoorde ineens een knal en een schavend geluid. Ik zag dat de Nissan tegen mijn auto aan zat. Ik ben direct uitgestapt en ben naar de Nissan gelopen. Ik zag dat er een vrouw achter het stuur van de Nissan zat. Ik zag dat er een man op de bijrijder stoel zat.

Ik voelde dat ik van achteren werd vastgepakt. Doordat de man mij hard naar achteren trok, viel ik op de grond. Hierdoor heb ik letsel opgelopen. Ook zijn mijn broek en trui stuk gegaan.

Nadat ik de politie gebeld had, draaide ik mij om en heb ik met alle macht de man en vrouw van mij afgeduwd. Vervolgens draaide ik mij weer om om de auto in te stappen en toen voelde ik ineens dat mijn keel dicht werd geknepen. Ik voelde lange nagels prikken in mijn hals.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, p. 14-16.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:

Op 29 april 2024 kreeg ik een melding van een ongeval materieel waarbij er wat onenigheid was bij de betrokken partijen. Ik zag dat de voertuigen een Nissan voorzien van kenteken [kenteken 1] en een Land Rover voorzien van kenteken [kenteken 2] betroffen.

Eerst sprak ik met de vrouw die bij de Nissan hoorde. Ik hoorde haar met zeer luide stem zeggen dat zij een verkeersconflict heeft gehad met de andere partij. De vrouw gaf bij de collega's van de regio op te zijn: [verdachte] , [geboortedag] -1988 te [geboorteplaats] .

Ten tijde dat wij als politie ter plaatse zijn geweest heeft [verdachte] meerdere keren de verbale confrontatie gezocht met [benadeelde partij] en zat erg hoog in haar emotie. Dit was te horen aan de luide stem en het niet willen luisteren naar ons als wij haar aanspraken.

3. Een proces-verbaal van bevindingen camerabeelden mishandeling (incl. fotobijlage) van 17 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, p. 17-27.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisant:

Analyse van beeldmateriaal van een mishandeling dat plaatsvond op de [adres 2] te Landsmeer op 29-04-2024, afkomstig van twee naast elkaar liggende huizen, leerde het volgende.

Ik hoor [verdachte] tegen de aangever schreeuwen, ze roept meermaals “je gaat niet wegrijden”. De aangever reageert hierop met “ik ga niet wegrijden maar je blijft niet van me af”. Ik hoorde [verdachte] nog enkele minuten doorschreeuwen.

Ik zag en hoorde het portier van de Range Rover dichtslaan en op hetzelfde moment werd de aangever met kracht op de grond gegooid door [verdachte] . Ik hoorde een kreet van de aangever toen hij op de grond viel.

Ik zag dat de aangever nu tussen [verdachte] en NN2 instond. Hij stond met zijn rug naar NN2 toe. Ik zag dat NN2 de aangever bij zijn rechterarm van achteren greep en met ferme kracht op de grond gooide. Ik zag dat de aangever voor de tweede keer op zijn rug op de grond viel.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geheel dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft ontkend dat zij de aangever heeft mishandeld en zij heeft naar eigen zeggen niet gezien of haar ex-partner (hierna: de medeverdachte) geweld heeft gebruikt. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is van enige samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte en dat er zodoende geen sprake is van openlijke geweldpleging in vereniging.

Het hof overweegt als volgt. De aangever heeft kort na het voorval aangifte van mishandeling gedaan tegen de verdachte en de medeverdachte. Op de foto’s die als bijlage bij de aangifte zijn gevoegd, is te zien dat de aangever letsel had op zijn knie en hand. Ook had hij rode striemen/krassen in zijn nek. Daarnaast volgt uit de omschrijving van de camerabeelden dat de aangever in ieder geval twee keer op de grond is gegooid, één keer door de verdachte en één keer door de medeverdachte. Bij het uitkijken van de camerabeelden is het hof niet gebleken dat de uitwerking daarvan door de verbalisant onjuist is, zodat het hof van de juistheid van de inhoud van dat proces-verbaal uitgaat. Het hof ziet het handelen van de verdachte en de medeverdachte als een gezamenlijk optreden. De ontkenning van de verdachte dat zij de aangever niet op de grond heeft gegooid, strookt niet met wat uit de bewijsmiddelen volgt. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het bij de aangever ontstane letsel een gevolg is van het handelen van de verdachte en niet van de medeverdachte, zodat de verdachte van dit onderdeel moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 29 april 2024 te Landsmeer op de openbare weg in de [adres 2] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit meerdere keren die [benadeelde partij] naar de grond te werken.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstaf van 150 uur.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uur met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging samen met haar toenmalige partner, waarbij het slachtoffer – kort gezegd – twee keer op de grond is gegooid. De aanleiding was een ruzie die ontstaan was na een (lichte) aanrijding op straat. In plaats van de situatie rustig samen op te lossen, heeft de verdachte ervoor gekozen om direct verbaal en kort daarna ook fysiek agressief te reageren. Door zo te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast. Daarnaast heeft zij ook een angstige situatie gecreëerd voor de tienjarige dochter van het slachtoffer, die al huilend getuige is geweest van het gepleegde geweld.

Het hof heeft voor de straftoemeting acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan bij een openlijke geweldpleging begaan tegen personen als vertrekpunt uit van een taakstraf voor de duur van 120 uur. Daarnaast heeft het hof bij de straftoemeting gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij een alleenstaande moeder is van vier kinderen die allen nog bij haar wonen en afhankelijk zijn van haar zorg.

Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke taakstraf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 175,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag ten aanzien van zijn kleding. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 175,00 (honderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 175,00 (honderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 april 2024.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. H.A. Stalenhoef en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. F. Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 augustus 2026.

Mr. W.S. Ludwig is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]