Strafrecht overig

Bevestiging vonnis, behalve ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, de beslissing…

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
23-000229-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2562
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging vonnis, behalve ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, de beslissing ten aanzien van de vordering benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000229-26

datum uitspraak: 8 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer

13-289920-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag 1] 1987,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, de beslissing ten aanzien van de vordering benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sv)

De politierechter heeft aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een contact- en locatieverbod voor de duur van twee jaar en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Het hof legt deze maatregel eveneens aan de verdachte op, maar voor een periode van vijf jaar. Het hof acht oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel voor een langere duur aangewezen teneinde de verdachte ervan te weerhouden het slachtoffer (opnieuw) te belagen, aangezien het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat de verdachte volledig is doordrongen van het feit dat het slachtoffer op geen enkele manier contact wenst met de verdachte. Het hof zal deze maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod, waarbij het aantal locaties waarvoor het verbod geldt, ten opzichte van het in eerste aanleg opgelegde locatieverbod wordt uitgebreid met de concertlocaties van het koor van het slachtoffer op de dag van een optreden. Het gaat daarbij om de concerten die op de website van het koor worden aangekondigd, zodat voor de verdachte voorzienbaar is om welke locaties op welke dagen het gaat. Aan elke overtreding wordt twee weken vervangende hechtenis gekoppeld, tot het hierna te melden maximum. Door oplegging van deze maatregel wordt de verdachte in het onverhoopte geval van de tenuitvoerlegging van die hechtenis geconfronteerd met de gevolgen van hernieuwd belastend gedrag ten aanzien van het slachtoffer. Dit dient ertoe te leiden dat hij ervan wordt weerhouden opnieuw contact te zoeken met het slachtoffer en/of zich in de nabijheid van zijn woning, de sportclub of het koor op te houden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof zal daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid dat de verdachte na het vonnis in eerste aanleg het (dadelijk uitvoerbaar verklaarde) contactverbod heeft overtreden en daarvoor vervangende hechtenis heeft ondergaan.

Ten aanzien van de duur van de maatregel overweegt het hof dat de maatregel door de politierechter op 28 januari 2026 dadelijk uitvoerbaar is verklaard, wat betekent dat op het moment van het wijzen van arrest 7 maanden zijn verstreken, welke tijd in mindering moet worden gebracht op de duur van de door hof opgelegde maatregel. Het hof is van oordeel dat vanuit het oogpunt van de bescherming van het slachtoffer de vrijheidsbeperkende maatregel nog geruime tijd moet voortduren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geadviseerd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering bij een veroordeling kan worden toegewezen tot het bedrag zoals door de politierechter is bepaald.

Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade – in de vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ – heeft geleden. Het hof heeft daarbij mede gelet op de aard, de ernst en de duur van de belaging. Verder neemt het hof in aanmerking dat het geestelijke letsel van de benadeelde partij is toegelicht en steun vindt in zijn verklaring en een brief van de psycholoog, waaruit blijkt dat de benadeelde partij EMDR-therapie ondergaat voor angst en stress reacties wanneer de stalker voor hem staat of als hij iemand die op hem lijkt op straat ziet. . Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, waarbij tevens is gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegewezen, op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek en gelet op de Rotterdamse Schaal naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf na te noemen aanvangsdatum.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel en de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van het door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangever], geboren op [geboortedag 2] 1956, en

zich voor de duur van 5 (vijf) jaren niet zal ophouden in de navolgende gebieden:

- in de nabijheid van de woning van aangever, te weten de [adres 2];

- in de filialen van [bedrijf] gelegen aan de

[locaties]

;

- in de nabijheid van buurtcentrum [plek], [adres 3] op de dagen dat het koor van aangever daar repetities houdt;

- op de locaties waar het koor van de aangever op de website aangekondigde concerten geeft, op de dagen van die concerten.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2025.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.C.W. de Graaf (voorzitter), mr. N. E. Kwak en mr. A.A. Koolen Zwijnenburg in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.