Strafrecht overig
Winkeldiefstallen. De verdachte en haar mededader hebben luxe winterkleding ter waarde van een aanzienlijke…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2605 · Gerechtshof Amsterdam · 30 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2605
Zaakgegevens
Op 30 januari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 januari 2026
- Datum publicatie
- 10 september 2026
- Zaaknummer
- 23-002989-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2605
Samenvatting
Winkeldiefstallen. De verdachte en haar mededader hebben luxe winterkleding ter waarde van een aanzienlijke winkelwaarde weggenomen. De verdachte en haar mededader zijn op gewiekste wijze te werk gegaan. Hof legt een taakstraf op voor de duur van honderdvijftig uren. Nadere overwegingen over vordering benadeelde partij ten aanzien van de economische waarde, inkoopwaarde en verkoopwaarde van de weggenomen goederen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002989-24
datum uitspraak: 30 januari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-060914-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1978,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, haar raadsman en de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 14 februari 2024 en/of 17 februari 2024 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, kleding en/of jassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] BV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primair
zij op of omstreeks 16 februari 2024 tot en met 19 februari 2024 te Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas en/of kledingstuk, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan BV [bedrijf 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 16 februari 2024 tot en met 19 februari 2024 te Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas en/of kledingstuk, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een ander bewijsoordeel komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aan gevoerd dat de verdachte niet wist dat de medeverdachte bezig was de jassen te stelen. Voorts heeft hij aangevoerd dat uit de camerabeelden volgt dat het de medeverdachte is die de gestolen jassen uit de winkel heeft weggenomen door deze onder zijn eigen jas te verstoppen, en dat op de camerabeelden niet te zien is dat de verdachte daar een significante bijdrage aan heeft geleverd. Uit het enkele feit dat de verdachte de medeverdachte een jas zou hebben aangereikt, kan niet volgen dat sprake is van het medeplegen van diefstal. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde handelingen gepleegd op 14 februari 2024.
Evenals de politierechter overweegt het hof dat de verdachte erkend heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode meerdere malen in de winkel van [bedrijf 1] in Velsen te zijn geweest. Uit de aangifte en de aanvullende verklaringen van de aangever blijkt dat er toen meerdere jassen zijn weggenomen. Op grond van de beschrijving van de camerabeelden stelt het hof vast dat de verdachte op 14 februari 2024 met medeverdachte [medeverdachte] in gesprek was. De verdachte en [medeverdachte] zijn samen de winkel ingelopen en stonden samen ter hoogte van de kledingrekken. Beiden voerden een handeling uit bij de jas van [medeverdachte], waarna [medeverdachte] de winkel verliet. Op dat moment stond de achterzijde van de jas van [medeverdachte] helemaal bol, terwijl er nog geen bolling te zien was op het moment dat [medeverdachte] de winkel inliep. Ook op 17 februari 2024 zijn de verdachte en [medeverdachte] samen in de winkel te zien. Te zien is dat de verdachte een witte jas pakt en die aan [medeverdachte] geeft. Ongeveer een halve minuut later is te zien dat de verdachte en [medeverdachte] met elkaar in gesprek zijn en bezig zijn met de jas van [medeverdachte]. De verdachte geeft hierna nogmaals een kledingstuk aan [medeverdachte], waarna wederom handelingen bij de jas van [medeverdachte] worden verricht. Op het moment dat de verdachte samen met [medeverdachte] de winkel verlaat, is wederom een flinke bult op de rug onder de jas van [medeverdachte] te zien. Gelet op bovenstaande bevindingen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn de handelingen die de verdachte samen met [medeverdachte] in de winkel heeft verricht, zozeer gericht op het wegnemen van goederen dat daaruit het opzet op de diefstal volgt. In dit verband overweegt het hof voorts dat bij de fouillering van de verdachte een haakje is aangetroffen dat een alarmtagverwijderaar bleek te zijn, terwijl bij de fouillering van [medeverdachte] een elastische buikband is aangetroffen die geschikt is voor het vastbinden van een kledingstuk op de buik of rug. Gelet op
de uit al het voorgaande volgende intensieve samenwerking tussen beide verdachten, heeft de verdachte de diefstallen in nauwe en bewuste samenwerking – en daarmee tezamen en in vereniging – met [medeverdachte] gepleegd.
Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde
Feit 2 primair
Evenals de politierechter is ook het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen onder feit 2 primair aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. Uit de herkenning door een medewerker van [bedrijf 3] in Hoorn, als degene die tussen 16 en 19 februari 2024 in de winkel in Hoorn is geweest, volgt niet zonder meer dat de verdachte toen ook zelf daadwerkelijk een jas als (mede)pleger heeft weggenomen.
Feit 2 subsidiair
Uit het dossier volgt dat de verdachte kort voor haar aanhouding op 20 februari 2024 een tas met daarin een jas voorzien van een verkooplabel van het bedrijf [bedrijf 3] uit de kofferbak van de door haar gebruikte auto heeft genomen en heeft weggegooid. De aangetroffen jas is door de eigenaar van het betreffende bedrijf herkend als een jas afkomstig uit zijn winkel.
Uit het feit dat de verdachte zich kort voorafgaand aan haar aanhouding kennelijk heeft willen ontdoen van de betreffende jas ter voorkoming van de vondst daarvan, leidt het hof af dat de jas door een misdrijf was verkregen en dat de verdachte dat wist ten tijde van het voorhanden hebben daarvan. Voor een bewezenverklaring van het misdrijf van artikel 416 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wist van de criminele herkomst daarvan (vgl. HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5804; HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:977). Omdat uit het dossier niets blijkt over het moment waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de jas voorhanden heeft gekregen, kan niet worden vastgesteld dat zij op dat moment wetenschap had van een criminele herkomst van de jas. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op 14 februari 2024 en 17 februari 2024 te Velsen-Zuid, gemeente Velsen telkens tezamen en in vereniging met een ander jassen, die aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] BV toebehoorden telkens heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft het hof verzocht een lagere taakstraf op te leggen, eventueel in geheel voorwaardelijke vorm. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de in eerste aanleg opgelegde straf – gelet op het strafblad van de verdachte – fors is, en dat geen sprake is van mobiel banditisme.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met haar mededader schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Daarbij hebben zij luxe winterkleding ter waarde van een aanzienlijke winkelwaarde weggenomen. De verdachte en haar mededader zijn op gewiekste wijze te werk gegaan: zij hebben de jassen met gebruik van een elastische band onder de jas van de medeverdachte verborgen, en hebben deze zo de winkel uit gesmokkeld. Winkeldiefstal is een vorm van veelvoorkomende criminaliteit die een plaag vormt voor ondernemers en winkelpersoneel. De schade en de overlast die winkeldieven veroorzaken, hebben een negatieve weerslag op betrokkenen. De verdachte heeft met haar handelen laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Het hof acht, alles afwegende en gelet op het in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. De verdachte wordt door het hof weliswaar van één feit vrijgesproken, maar de geraffineerde aard en ernst van de winkeldiefstallen maakt dat niet met een andere of lagere straf kan worden volstaan .
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] Amsterdam
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.599,92, bestaand uit vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de beslissing van de politierechter ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij te bevestigen.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier onvoldoende is vast te stellen hoeveel jassen zijn weggenomen en wanneer de door de benadeelde partij geconstateerde voorraadverschillen zijn ontstaan. Ook heeft hij aangevoerd dat niet de verkoopschade, maar de inkoopschade moet worden vergoed. De inkoopschade is door de benadeelde partij niet geconcretiseerd, en kan geschat worden op minder dan de helft van de verkoopschade. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht gebruik te maken van zijn schattingsbevoegdheid, en een aanzienlijk lager bedrag toe te wijzen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof betrekt daarbij dat de vertegenwoordiger van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht dat de winkelvoorraad blijkens een telling vóór 14 februari 2024 nog op orde was. Het hof kan evenwel niet vaststellen dat de verdachte acht jassen met haar mededader heeft weggenomen en zal dit aantal gelet op de onderzoeksbevindingen hier, binnen het strafproces, beperken tot drie jassen. Nu de gevorderde vergoeding van schade is gebaseerd op het wegnemen van vier jassen met een verkoopwaarde van ieder € 549,99 en vier jassen met een verkoopwaarde van ieder € 599,99, zal het hof daarbij per weggenomen jas uitgaan van een verkoopwaarde van € 574,99.
Het hof overweegt dat de gevorderde vergoeding van materiële schade ziet op geleden verlies als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal daarom de economische waarde van de weggenomen goederen schatten. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, zal het hof daarvoor de inkoopwaarde van de goederen als uitgangspunt nemen, en deze, naar aanleiding van het partijdebat, schatten op 50% van de (gemiddelde) verkoopwaarde. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 862,49. Door de beperkingen van de voegingsprocedure in het strafproces behoort deze vordering voor het overige onderwerp te kunnen zijn van een vollediger partijdebat bij de civiele rechter dan in het strafproces mogelijk is. Het hof zal de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de bij dit arrest toegewezen schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] Amsterdam
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 2] Amsterdam ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 862,49 (achthonderdtweeënzestig euro en negenenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 2] Amsterdam, ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 862,49 (achthonderdtweeënzestig euro en negenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. B.A.A. Postma en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.
mrs. M.A.H. van Dalen-van Bekkum en M.C. de Rade zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]