Strafrecht overig

Jeugd strafzaak. Zeden. Verdachte is in de zaak met parketnummer 15-045729-25 o.g.v. art. 404 lid 5 Sv…

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
23-000482-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2709
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Jeugd strafzaak. Zeden. Verdachte is in de zaak met parketnummer 15-045729-25 o.g.v. art. 404 lid 5 Sv niet-ontvankelijk t.a.v. de in eerste aanleg gegeven vrijspraken t.a.v. feit 1 en 3. Bevestiging vonnis, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, m.u.v. de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen en het locatieverbod, dat is opgelegd als bijzondere voorwaarde bij de door de rechtbank deels voorwaardelijk opgelegde en in hoger beroep bevestigde jeugddetentie. Het locatieverbod wordt gewijzigd.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000482-26

datum uitspraak: 22 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2026 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-045729-25 en 15-295818-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2026, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 15-045729-25 onder 1 en 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen die vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van:

- het locatieverbod, dat is opgelegd als bijzondere voorwaarde bij de door de rechtbank deels voorwaardelijk opgelegde en in hoger beroep bevestigde jeugddetentie;

- de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen;

in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank onder rubriek ‘3.3.3. Bewijsmotivering’ ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 15-045729-25 als volgt zal aanvullen.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 2 tenlastegelegde wordt bewezenverklaard overeenkomstig de bewezenverklaring in het vonnis, te weten het ‘betasten van en likken aan de vagina en/of de schaamstreek’ van het slachtoffer.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel likken aan de vagina en/of schaamstreek. Gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte en het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv bevat het dossier onvoldoende steunbewijs. Naast de verklaring van het slachtoffer zijn er in het dossier slechts de auditu-verklaringen van de moeder van het slachtoffer en de resultaten van het DNA-onderzoek aanwezig. Het aangetroffen DNA van de verdachte op de onderbroek van het slachtoffer levert geen specifieke steun op voor het likken aan de vagina en/of de schaamstreek, omdat de aangetroffen sporen ook passen bij de verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer heeft betast met zijn vingers. Verder is gelet op de verklaring van de verdachte over het wasgoed en de wijze waarop de onderbroek is veiliggesteld mogelijk sprake van secundaire overdracht of contaminatie. Het uitgevoerde DNA-onderzoek is daarom niet redengevend voor het bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onderdeel likken aan de vagina en/of schaamstreek van het slachtoffer wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dit deel van de verklaring van het slachtoffer vindt op specifieke punten steun in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar bevestiging vindt in andere bron. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het slachtoffer direct na de gebeurtenis aan haar moeder heeft verteld wat de verdachte bij haar had gedaan. Wat zij aan haar moeder heeft verteld, heeft zij grotendeels bij het studioverhoor bij de politie op 30 januari 2025 herhaald. Bij dat verhoor heeft zij nauwkeurig verteld en ook uitgebeeld op welke wijze en op welke plek de verdachte haar tijdens het likken van haar vagina heeft vastgehouden.

Gelet daarop hecht het hof ook veel waarde aan de combinatie en specifieke locaties van de aangetroffen sporen, namelijk niet alleen op de linker- en rechterkant van de binnen- en buitenzijde van de tailleband van de onderbroek die het slachtoffer droeg, maar ook aan de binnenzijde van de voorkant van de onderbroek. Hoewel ten aanzien van de verkregen aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel aan de binnenzijde van de voorkant ter hoogte van het kruis uit het deskundigenrapport van Eurofins TMFI van 21 maart 2025 blijkt dat de DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige (mannelijke) donor in het mengprofiel niet geschikt zijn voor vergelijkend DNA-onderzoek, acht het hof deze aanwijzing in het licht van de resultaten van de overige bemonsteringen (in combinatie met de verklaring van het slachtoffer) ook redengevend als (steun)bewijs.

De alternatieve wijze waarop zijn DNA, volgens de verdachte, op het ondergoed van het slachtoffer terecht kan zijn gekomen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Hiervoor zijn in het dossier, evenals voor de stelling van de raadsvrouw dat sprake kan zijn geweest van contaminatie, geen aanknopingspunten gevonden. Ook in deze context hecht het hof veel waarde aan de combinatie en de locatie van de aangetroffen DNA-sporen. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat ten aanzien van het likken aan de vagina wordt voldaan aan het bewijsminimum als genoemd in artikel 342 lid 2 Sv. De door de verdediging gevoerde verweren worden dan ook door het hof verworpen.

Bijzondere voorwaarden - wijziging locatieverbod

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 297 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. Als zesde bijzondere voorwaarde is aan de verdachte een locatieverbod opgelegd voor de wijk [plaats 1] voor het gebied tussen de [plaats 2] en de [plaats 3] , waarin de woning van de minderjarige [slachtoffer] is gelegen. De rechtbank heeft bevolen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het locatieverbod zal wijzigen conform het verzoek van de advocaat van de benadeelde partij.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het hof verzocht om het in eerste aanleg opgelegde locatieverbod te wijzigen, met dien verstande dat de verdachte zich onder begeleiding van zijn moeder of stiefvader in de auto over de genoemde wegen mag begeven om boodschappen te doen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de moeder van de verdachte hinder ondervindt van het locatieverbod, omdat zij in de buurt van het gebied woont en op dit moment dient om te rijden naar het winkelcentrum om boodschappen te doen wanneer de verdachte met verlof bij haar is. Zij neemt de verdachte graag mee als zij boodschappen gaat doen, zodat hij onder haar toezicht is. De verdachte heeft geen bezwaar tegen de uitbreiding van het locatieverbod met de wijk waarin de basisschool van het slachtoffer is gelegen, zoals verzocht door de gemachtigde van het slachtoffer

Gemachtigde van het slachtoffer [slachtoffer]

De advocaat van het slachtoffer [slachtoffer] heeft het hof op de zitting in hoger beroep verzocht om het gebiedsverbod, overeenkomstig de aan het hof overgelegde kaart, uit te breiden met de wijk waarin de basisschool van het minderjarige slachtoffer is gelegen, te weten het gebied tussen de [plaats 4] en de [plaats 5] . De advocaat heeft ter onderbouwing van (de uitbreiding van) het gebiedsverbod aangevoerd dat het slachtoffer nog op een wachtlijst staat voor de start van de traumabehandeling en dat zij zich op dit moment niet veilig genoeg voelt om op school op het schoolplein buiten te spelen uit angst voor een confrontatie met de verdachte. De ouders van het slachtoffer hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de door de raadsvrouw van de verdachte verzochte wijziging van het locatieverbod.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om de bij het vonnis opgelegde bijzondere voorwaarde, te weten het locatieverbod, te wijzigen op de hierna te melden wijze.

Het hof bepaalt dat het locatieverbod zal worden gewijzigd met dien verstande dat de verdachte zich niet zal bevinden in:

1. de wijk [plaats 1] , te weten het gebied tussen de [plaats 2] en de [plaats 3] , zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, met dien verstande dat de verdachte onder begeleiding van zijn moeder [persoon 1] ( [geboorte datum] ) en/of stiefvader [persoon 2] ( [geboortedatum 2] ) zich in de auto over die wegen mag begeven om boodschappen te doen. De politie ziet toe op de handhaving van dit locatieverbod.

2. de wijk [plaats 1] , in de directe omgeving van de basisschool ' [plaats 6] ', te weten het gebied tussen de [plaats 4] en de [plaats 5] , zolang de jeugdreclassering dat nodig acht. De politie ziet toe op de handhaving van dit locatieverbod.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, mevrouw [persoon 3] , heeft ter terechtzitting een toelichting gegeven op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 31 augustus 2026 en heeft verklaard dat de verdachte het weliswaar goed doet in het [bedrijf 1] in Assen, maar er zijn nog wel zorgen. Er is sprake van een beperkte behandelvoortgang waardoor er nog weinig verdieping heeft kunnen plaatsvinden binnen de behandeling. Het onderdeel ‘delictanalyse’ is nog niet van de grond gekomen en de behandeling zal op dit punt nog geruime tijd in beslag nemen. Het baart zorgen dat de verdachte wraak noemt als achterliggende drijfveer voor zijn delictgedrag. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de feiten heeft gepleegd omdat hij wraak wilde nemen op zijn vader en zijn stiefmoeder. De komende tijd zal verder op ‘delictanalyse’ worden ingezet. Dit blijft een belangrijk aandachtspunt binnen het verminderen van het recidiverisico.

Nu uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en de toelichting daarop ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat er nog belangrijke stappen moeten worden gezet in de behandeling om het recidiverisico in te perken, is het hof van oordeel dat vooralsnog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Daarom zal het hof bevelen dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering van de benadeelde partijen

Zaak A – vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De wettelijk vertegenwoordiger [persoon 4] heeft zich in eerste aanleg namens de benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.349,00, bestaande uit € 9.349,00 ter compensatie van materiële schade en € 15.000,00 ter compensatie van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ook is verzocht hieraan de BEM-clausule te verbinden. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 19.349,00. De benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag van de vordering.

De oorspronkelijke vordering is als volgt opgebouwd:

1. Materiële schade

- studievertraging € 7.725,00;

- verlofdagen vader € 1.624;

2. Immateriële schade € 15.000,00.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade tot € 14.225,00. Ten aanzien van de materiële schade heeft de advocaat-generaal gevorderd deze schade te begroten op

€ 7.725,00 ter compensatie van de studievertraging. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de advocaat-generaal gevorderd deze schade gelet op de toepasselijke categorie van de [plaats 7] te matigen en te begroten op € 6.500, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering van de benadeelde partij gemotiveerd betwist. Zij heeft zich ten aanzien van de studievertraging op het standpunt gesteld dat het causaal verband tussen het bewezen geachte en de studievertraging onvoldoende is onderbouwd en dat onderzocht dient te worden of, en zo ja, in welke mate de incidenten invloed hebben gehad op de studievertraging van de benadeelde, omdat andere factoren, zoals haar leercapaciteiten en schoolprestaties uit het verleden, hierop (ook) van invloed kunnen zijn geweest. Een dergelijk onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding met zich meebrengen en de vordering dient daarom voor wat betreft de studievertraging niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de verlofdagen van de vader in verband met de begeleiding van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, omdat onder meer een inzichtelijke berekening van de verlofdagen en de in verband daarmee gevorderde schade ontbreekt zodat de vordering volgens de verdediging ook op dit punt niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verder heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag sterk moet worden gematigd, omdat het bedrag afwijkt van de bovengrens van de in de [plaats 7] aangegeven toepasselijke categorie van aanranding.

Het hof overweegt als volgt.

Studievertraging en verlofdagen

Het hof is van oordeel, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, dat de gevorderde materiële schadeposten met betrekking tot de studievertraging en de verlofdagen onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de gestelde studievertraging is door de verdediging gemotiveerd betwist dat de vertraging niet in zijn geheel kan worden toegeschreven aan de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten. Het hof heeft bij het onderzoek op de zitting niet kunnen vaststellen dat de gevorderde kosten door de opgelopen studievertraging uitsluitend of in overwegende mate het gevolg zijn geweest van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde en is van oordeel dat ook andere factoren een rol kunnen hebben gespeeld bij de opgelopen studievertraging. Omdat naar het oordeel van het hof niet duidelijk is of en in hoeverre de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde seksueel misbruik studievertraging heeft opgelopen zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is ten aanzien van deze schadepost.

Het hof zal de benadeelde partij tevens niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de kosten voor de opgenomen verlofdagen, omdat de noodzaak van het opnemen van volledige verlofdagen door de vader van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd is in het licht van de betwisting door de verdediging, en het hof bij het ontbreken van een concrete inzichtelijke financiële berekening van het gevorderde (netto)bedrag niet kan verifiëren hoe het gevorderde bedrag is opgebouwd. De benadeelde partij kan de vordering ten aanzien van deze schadeposten bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Het hof acht op grond van het strafdossier, de (schriftelijke) onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat.

Artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op ‘andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Met de rechtbank begrijpt het hof dat de vordering van de benadeelde partij op de laatste grondslag is gebaseerd. Door de benadeelde partij zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat bij de benadeelde sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, te weten de aanranding van zijn minderjarige stiefzusje en het plegen van ontuchtige handelingen met zijn stiefzusje, en de gevolgen daarvan door de benadeelde partij met zich brengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte blijkt. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken en dat wat zij ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht is onder meer gebleken dat de benadeelde partij nog steeds bang is voor de verdachte. Alhoewel het beter gaat op school, voelt zij zich nog niet veilig op het schoolplein. Ze staat inmiddels op de wachtlijst voor traumabehandeling bij Levvel en de bewezenverklaarde feiten zijn regelmatig onderwerp van gesprek in de coachgesprekken.

Rotterdamse schaal

De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd van € 15.000,00 ter compensatie van immateriële schade. Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Het hof is gelet op het voorgaande – mede in aanmerking genomen de bewezenverklaarde frequentie van de handelingen en de omstandigheid dat de verdachte van het binnendringen is vrijgesproken – van oordeel dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag dient te worden gematigd.

Bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding maakt het hof gebruik van de [plaats 7] en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten aansluiting gezocht bij categorie 15.3 ‘aanranding’ onder (a) van de Rotterdame Schaal. Onder deze categorie vallen onder meer ontuchtige handelingen waarbij het ontblote geslachtsdeel van de benadeelde wordt betast en sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen de dader en de benadeelde. Gelet op de aard en ernst van de gevolgen, de kwetsbaarheid en nog zeer jonge leeftijd van de benadeelde partij ten tijde van de feiten alsmede de locatie waar de aanrandingen hebben plaatsgevonden (onder andere haar woning) is het hof van oordeel dat de immateriële schadevergoeding dient te worden begroot op € 6.000,00.

Uit het onderzoek op de zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente, omdat geen omstandigheden zijn gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen (te weten augustus 2023 en december 2024) hebben plaatsgevonden, bepalen in het midden van die periode, dus op 1 april 2024.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BEM-clausule

Het hof zal bepalen dat het toegewezen bedrag moet worden overgemaakt naar een op naam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , te openen bankrekening met een BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).

Zaak B - Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De wettelijk vertegenwoordiger [persoon 5] , heeft zich in eerste aanleg namens de benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.345,57, bestaande uit € 95,57 ter compensatie van materiële schade en € 1250,00 ter compensatie van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de reiskosten en de omvang van de immateriële schade betwist. De verdediging heeft zich daartoe onder meer op het standpunt gesteld dat een brief van [bedrijf 2] over de inhoud van de behandelingen ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de behandeling bij [bedrijf 2] te maken had met de bewezenverklaarde feiten. De verdediging heeft het hof verzocht om de vordering ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren en de hoogte van de immateriële schadevergoeding te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Reiskosten

Het hof is van oordeel, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de verdediging, dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Het hof betrekt daarbij dat ten aanzien van de reiskosten geen stukken zijn overgelegd met betrekking tot de gemaakte kosten, zoals een overzicht van de gemaakte kilometers met start- en eindadres of een vervoersbewijs. Hoewel uit het afsprakenoverzicht van [bedrijf 2] blijkt dat de benadeelde drie afspraken had op locatie in [locatie] , is dit enkele gegeven onvoldoende omdat niet bekend is waar vandaan en met welk vervoersmiddel de benadeelde partij heeft gereisd. Het hof zal de benadeelde partij bij deze stand van zaken niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde reiskosten.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd ter hoogte van € 1.250,00 ter compensatie van immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt niet van objectief geestelijk letsel en evenmin zijn door de benadeelde partij concrete gegevens aangevoerd waaruit blijkt wat de gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor haar zijn geweest. Het enkel overleggen van afspraakbevestigingen zonder enige toelichting, is daarvoor onvoldoende. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-045729-25 onder 1 en 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het in de bijzondere voorwaarden opgenomen locatieverbod en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Locatieverbod:

- zich niet zal bevinden in;

1. de wijk [plaats 1] , te weten het gebied tussen de [plaats 2] en de [plaats 3] , zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, met dien verstande dat de verdachte onder begeleiding van zijn moeder [persoon 1] ( [geboorte datum] ) en/of stiefvader [persoon 2] ( [geboortedatum 2] ) zich in de auto over die wegen mag begeven om boodschappen te doen. De politie ziet toe op de handhaving van dit locatieverbod.

2. de wijk [plaats 1] , in de directe omgeving van de basisschool ' [plaats 6] ', te weten het gebied tussen de [plaats 4] en de [plaats 5] , zolang de jeugdreclassering dat nodig acht. De politie ziet toe op de handhaving van dit locatieverbod

Geeft opdracht aan [stichting] gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel

77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-045729-25 onder 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-045729-25 onder 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,00 (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul)dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 april 2024.

Het hof bepaalt dat het toegewezen bedrag als vergoeding van immateriële schade moet worden overgemaakt naar een op naam van [slachtoffer] geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , te openen bankrekening met een BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld om de belangen van de minderjarige te beschermen en zorgt ervoor dat de bankrekening op zijn naam wordt geblokkeerd. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter geld van de bankrekening opnemen. De BEM-clausule eindigt automatisch als de minderjarige achttien jaar oud wordt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. A.W.T. Klappe en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 september 2026.

Mr. V.J.M. Goldschmeding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

ECLI:NL:HR:2024:466, Hoge Raad, 22/00231, rov. 3.5.