Strafrecht overig

Jeugd. Strafzaak. Beperkt hoger beroep ingesteld (toepassing van art. 423 lid 4 Sv). Vernietiging van het…

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
23 september 2026
Zaaknummer
23-000531-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2726
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Jeugd. Strafzaak. Beperkt hoger beroep ingesteld (toepassing van art. 423 lid 4 Sv). Vernietiging van het vonnis waarvan beroep, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak voor openlijke geweldpleging (zaak B) en veroordeling voor voorbereidingshandelingen art. 10a Opiumwet (zaak D, feit 2). Het hof neemt aanvullende bewijsoverwegingen op over de gestelde vormverzuimen en het opzet op de voorbereidingshandelingen. Onder de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het aanraken en bewegen van de tas, ter inbeslagname, door de verbalisanten naar het oordeel van het hof niet geleid tot een overschrijding van hun bevoegdheden; dit ging niet verder dan zoekend rondkijken. Het hof bepaalt de straf (overeenkomstig art. 423 lid 4 Sv) voor de bewezenverklaarde misdrijven in zaak A onder 1 en 2, zaak C en zaak D onder feit 1 op een jeugddetentie op van 200 dagen, waarvan 130 dagen vw, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd in het vonnis waarvan beroep. Voor de voorbereidingshandelingen legt het hof een taakstraf op in de vorm van een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie. Ook neemt het hof beslissingen ten aanzien van het beslag.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 27 februari 2026

    ECLI:NL:RBAMS:2026:3158
  2. Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2726

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000531-26

datum uitspraak: 22 september 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026 en het herstelvonnis van 11 maart 2026 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-062436-25 (zaak A) en 13-231927-25 (zaak B) en 13-119481-25 (zaak C) en 13-220498-25 (zaak D) 25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2026, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor wat in zaak A onder feit 1 (primair) en 2, in zaak B, in zaak C en in zaak D onder feit 1 en 2 aan hem ten laste is gelegd. Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordelingen in zaak B en zaak D onder feit 2.

Het voorgaande betekent dat de aan de verdachte ten laste gelegde feiten in zaak A onder feit 1 en 2, zaak C en zaak D onder feit 1 niet in hoger beroep voorliggen en dat het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van die feiten. Voor deze feiten heeft de rechtbank een bewezenverklaring uitgesproken. Het hof zal, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, toepassing geven aan artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv).

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:


Zaak B
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, op en/of aan de IJburglaan, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het een of meerdere keren slaan op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het springen op en/of tegen de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of

- het een of meerdere keren schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het een of meerdere malen duwen en/of trekken van die [slachtoffer 1] en/of

- het trekken aan het haar van die [slachtoffer 1] en/of

- het vasthouden van die [slachtoffer 1]

- het een of meerdere keren slaan op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het een of meerdere keren schoppen op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het een of meerdere malen duwen en/of trekken van die [slachtoffer 2] ;


Zaak D

Feit 2.
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid GHB en/of cocaïne en/of XTC en/of LSD en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of MDMA en/of 3-MMC en/of 2C-B, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen een of meerdere voorwerpen en/of stoffen en/of gelden, te weten

- een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of metamfetamine en/of 2C-B en/of MDMA, althans een of meerdere soorten verdovende middelen (lijst I) en/of

- een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende GBL en/of BMK(-glycidezuur),

althans een of meerdere soorten grondstoffen voor verdovende middelen (lijst I) en/of

- een of meerdere gebruikersmiddelen (te weten een of meerdere injectienaalden en/of basepijpen) en/of

- een contant geldbedrag van in totaal ongeveer 2155 euro voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak – zaak B (openlijke geweldpleging)

De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij niet betrokken was bij het ontstaan van de vechtpartij, omdat hij een stuk verderop liep. Het ging daarna heel snel. Op het moment dat er werd gevochten, heeft hij alleen gekeken of het goed ging met zijn vrienden.

Het hof kan, gelet op de inhoud van het dossier en wat op de zitting in hoger beroep door de verdachte is verklaard, in onderling verband en samenhang bezien, niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Naar het oordeel van het hof is om deze reden niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van geweld, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Zaak D, feit 2 (voorbereidingshandelingen art. 10a van de Opiumwet)

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities ten aanzien van feit 2 primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de voormelde voorbereidingshandelingen vanwege onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Daartoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige fouillering, een onrechtmatig binnentreden ter inbeslagname en dat de beslissing tot doorzoeking van de woning alleen maar steunt op de verboden vruchten van hetgeen daarvoor is gebeurd op grond waarvan deze beslissing eveneens onrechtmatig is geweest. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen in de woning is aangetroffen. De raadsman heeft met betrekking tot het veroorzaakte nadeel aangevoerd dat sprake was van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit, het huisrecht en de privacy van de verdachte. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat gezien de verklaring van de verdachte en de overige inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is geweest van wetenschap van de inhoud van de in de woning aangetroffen tassen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

De fouillering is rechtmatig geweest op grond van de Wet wapens en munitie, omdat de verdachte een vuurwapenantecedent had en de verbalisanten een bobbel onder zijn vest hebben gezien. Na de fouillering was er gezien de aangetroffen goederen sprake van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad, wat op grond van artikel 96 Sv aan de verbalisanten de bevoegdheid gaf om de woning binnen te treden ter inbeslagneming. Het binnentreden in de woning van de verdachte en de latere doorzoeking van de woning zijn rechtmatig geweest.

Oordeel van het hof

Vormverzuim?

Het hof verenigt zich met wat de rechtbank met betrekking tot de vormverzuimen heeft overwogen onder rubriek 4, zaak D, ‘Het oordeel van de rechtbank’ en neemt deze overwegingen over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verbalisanten in afwachting van de machtiging van de rechter-commissaris hun bevoegdheden hebben overschreden door méér te doen dan zoekend rondkijken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verbalisanten tijdens het binnentreden in de woning ter inbeslagname niet verder zijn gegaan dan waartoe zij, voorafgaand aan de doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris, bevoegd waren. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 2 augustus 2025 volgt dat verbalisant [verbalisant 1] de woning waarin de verdachte verbleef, is binnengegaan en daar vervolgens zoekend heeft rondgekeken, waarbij zij in de open kledingkast, op de bovenste plank een sporttas zag staan. Uit het proces-verbaal volgt verder dat zij wilde kijken (het hof begrijpt: ter inbeslagname) of de sporttas gevuld was. Toen zij de tas bewoog hoorde zij een geluid dat zij herkende als glazen voorwerpen die tegen elkaar aankwamen, waaruit zij opmaakte dat er wat in de tas zat. Zij heeft vervolgens de situatie bevroren. Het hof is van oordeel dat het aanraken en bewegen van de tas onder deze omstandigheden niet kan worden aangemerkt als het doorzoeken van de woning. De verbalisant heeft de tas slechts aangeraakt ter inbeslagname. Van het doorzoeken van de tas nadat de verbalisant had geconstateerd dat deze gevuld was, is geen sprake geweest. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Opzet op de voorbereidingshandelingen

Over het door de verdediging gevoerde verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op het plegen van voorbereidingshandelingen, omdat hij de voorwerpen slechts voor iemand in bewaring had en niet wist wat de inhoud daarvan was, overweegt het hof het volgende. Voor strafbaarheid op grond van artikel 10a van de Opiumwet is vereist dat de dader daadwerkelijk wetenschap heeft gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie dan wel handel van harddrugs bevorderde. Dit opzet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak die ziet op artikel 10a Opiumwet, omvat ook voorwaardelijk opzet.

Uit het dossier volgt dat de verdachte door de politie met een dealervest aan op straat is aangetroffen. In dit vest zaten drugs, gebruikersvoorwerpen en een contant geldbedrag van € 1.525,10. De in het vest aangetroffen basepijpen bleken gelijk te zijn aan de later aangetroffen basepijpen die in de gele plastic Jumbo tas in de woning van de verdachte zaten.

De verdachte heeft verklaard dat hij dit vest, via via, samen met de drugs en de voorwerpen die in zijn woning zijn aangetroffen, tegen een vergoeding voor een ander in bewaring had genomen. Volgens verdachte wist hij wel dat er iets in het vest en de tassen zat dat het niet klopte, maar hij heeft niet in de tassen gekeken. Het vest zou hij moeten dragen en zou dezelfde dag nog worden opgehaald. De tassen zouden een paar dagen in zijn woning blijven liggen. De verdachte heeft niet willen verklaren voor wie hij het vest met inhoud en de tassen in bewaring had. Desgevraagd kon verdachte ook niet verklaren wanneer de tassen in zijn woning precies zouden worden opgehaald en hoe hij wist aan wie hij het vest met inhoud en de tassen moest geven.

Het hof schuift de verklaring van de verdachte, die niet aannemelijk en verifieerbaar is, als ongeloofwaardig terzijde.

Gelet op de genoemde feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat de verdachte zelf bij de handel in verdovende middelen betrokken was en acht het hof bewezen dat de verdachte wist dat de goederen die hij in de woning had bewaard, bestemd waren voor die handel in verdovende middelen en dat zijn opzet op de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen gericht was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak D onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


2.
hij op 1 augustus 2025 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid MDMA, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen een of meerdere voorwerpen en stoffen en gelden, te weten

- een of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende GBL en BMK(-glycidezuur), en

- een of meerdere gebruikersmiddelen te weten een of meerdere injectienaalden en basepijpen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Hetgeen in zaak D onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze in de aanvulling op het verkort vonnis van 24 april 2026 zijn opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Sv

De rechtbank heeft voor alle in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten een jeugddetentie opgelegd voor de duur van 200 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarnaast heeft de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf ter hoogte van 150 uur opgelegd, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie indien niet volledig of naar behoren verricht.

Omdat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in zaak B en zaak D onder feit 2 tenlastegelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van de in eerste aanleg onder Zaak A onder 1 en 2 (medeplegen poging tot diefstal met geweld en het voorhanden hebben van een vuurwapen), Zaak C (voorhanden hebben van een speelgoed pistool) en zaak D onder feit 1 (opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 260 pillen bevattende MDMA) bewezenverklaarde misdrijven. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de straf ten aanzien van de feiten in zaak A onder 1 en 2, zaak C en in zaak D onder 1 zal bepalen op een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd in het vonnis waarvan beroep.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafbepaling voor deze feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de LOVS-oriëntatiepunten voor minderjarigen en de straffen die in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd. Het hof bepaalt de straf ten aanzien van de in zaak A onder 1 en 2, C en D onder 1 voornoemde feiten op een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd in het vonnis waarvan beroep. Het hof zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering zal worden gebracht.

Oplegging van straffen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak B en zaak D onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uur te vervangen door 75 dagen jeugddetentie indien niet volledig of naar behoren verricht.

De raadsman heeft het hof – in het geval van een bewezenverklaring van die feiten – verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte vrijwillig hulp heeft gezocht.

Oordeel van het hof

Het hof verenigt zich met wat de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten heeft overwogen in rubriek 9 van het vonnis waarvan beroep (tot en met ‘persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte’) en neemt deze overwegingen over. Het hof vult de overwegingen als volgt aan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf voor het bewezenverklaarde in zaak D onder 2 bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in zaak D schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Door verschillende stoffen en gebruikersmiddelen voorhanden te hebben, die bestemd waren voor het verrichten van voorbereidingshandelingen met betrekking tot onder meer het verkopen van MDMA, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor kort gezegd de drugshandel. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en de handel erin gaat niet zelden gepaard met ernstige vormen van criminaliteit, die voor grote overlast in de samenleving zorgen. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft tevens gelet op het strafblad van de verdachte en stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.

Het hof heeft ook kennisgenomen van wat de zittingsvertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming Regio Amsterdam op de zitting in hoger beroep over de verdachte naar voren hebben gebracht. De mentaliteit en het gedrag van de verdachte lijkt ten positieve te zijn veranderd. Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn besproken.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op straffen die door rechters in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Het hof acht ten aanzien van het in zaak D onder 2 bewezenverklaarde, alles afwegende, een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, indien niet naar behoren verricht 50 dagen vervangende jeugddetentie, passend en geboden.

Beslissingen ten aanzien van het beslag

Onder de verdachte zijn, gezien de beslaglijst van 3 februari 2026, in zaak D verscheidene voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van het inbeslaggenomen contante geldbedrag van 630,00 euro (nummer 2: voorwerpnummer PL 1300-2025192128-G6692017) zal beslissen conform het herstelvonnis van de rechtbank van 11 maart 2026 en het bedrag dient te worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van de overige in zaak D inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof daarover geen beslissing hoeft te nemen, omdat de verdachte hiervan afstand heeft gedaan.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep mondeling afstand gedaan ten aanzien van alle in zaak D inbeslaggenomen voorwerpen met uitzondering van het inbeslaggenomen en niet teruggeven contante geldbedrag van 630,00 euro (nummer 2). De verdediging heeft het hof verzocht om de teruggave van dit geldbedrag te gelasten. De verdediging heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verdachte werkzaam was bij restaurant [bedrijf] als bezorger en dat het geldbedrag niet bij de tas met verdovende- en gebruikersmiddelen is aangetroffen. Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.525,10 (nummer 1) heeft de verdachte tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dit bedrag, wat zat in het dealervest, heeft bewaard voor iemand anders.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 8 september 2026 uitdrukkelijk afstand gedaan van alle in zaak D inbeslaggenomen voorwerpen met uitzondering van het inbeslaggenomen en niet teruggeven contante geldbedrag van 630,00 euro. Hoewel de verdachte ter terechtzitting kenbaar heeft gemaakt dat hij afstand doet van de overige goederen, moet door het hof nog rechtens op het beslag worden beslist.

Verbeurdverklaring

De op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen te weten;

- 3 STK Rookwaar (nummer 19: voorwerpnummer G6691974, pijp);

- 7 STK Rookwaar (nummer 33: voorwerpnummer G6692039, Pijp).

worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen, die aan de verdachte op de wijze als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, Sr, toebehoren, zijn begaan.

Teruggave aan de verdachte

Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van het inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedrag van 630,00 euro (nummer 2: voorwerpnummer PL 1300-2025192128-G6692017).

Dit bedrag is onder de verdachte in beslag genomen en het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat een relatie bestaat tussen dit geldbedrag en de in zaak D bewezenverklaarde feiten.

Gezien de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld en de omstandigheid dat dit geldbedrag volgens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 2 augustus 2025 niet is aangetroffen bij de tas met verdovende middelen, maar in de linker kast onder een witte djellaba, acht het hof niet aannemelijk geworden dat dit geld afkomstig is uit de opbrengsten van de bewezen geachte feiten.

Bewaring ten behoeve van rechthebbende

Ten aanzien van het geldbedrag van € 1.525,10 (nummer 1) heeft de verdachte tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dit bedrag, wat zat in het dealervest, heeft bewaard voor iemand anders. Om die reden zal het hof het bedrag bewaren ten behoeve van de rechthebbende.

Onttrekking aan het verkeer

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de overige inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen waaronder de (vermoedelijk) verdovende middelen, stoffen, medicijnen en de gebruikersmiddelen (nummer: 4 t/m 6, 8 t/m 18, 20 t/m 32 en 34 t/, 39), dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met behulp van deze voorwerpen het in zaak D bewezen geachte is voorbereid of begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan, gelet op de omstandigheden waaronder ze zijn aangetroffen, in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het hof verwijst voor de opsomming van deze inbeslaggenomen voorwerpen naar de lijst in rubriek 11 onder ‘beslag, zaak D ‘onttrekking aan het verkeer’ in het herstelvonnis van 11 maart 2026.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B met parketnummer 13-231927-25 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak D met parketnummer 13-220498-25 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak D met parketnummer 13-220498-25 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak A (parketnummer 13-062436-25) onder 1 primair en 2 en in zaak C (parketnummer 13-119481-25) en in zaak D (parketnummer 13-220498-25) onder 1 bewezenverklaarde op:

jeugddetentie voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 130 (honderddertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

- zich houdt aan het rooster van zijn stage en school;

- meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van

werk;

- meewerkt met coaching vanuit [instelling] of een soortgelijke instelling;

- meewerkt aan alle hulpverlening die Jeugdbescherming Amsterdam noodzakelijk acht.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de Jeugdbescherming Regio Amsterdam toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslag zaak D (parketnummer 13-220498-25)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 3 STK Rookwaar (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691974, Pijp);

- 7 STK Rookwaar (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692039, Pijp).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 15 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691963);

- 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6691958, GHB);

- 13 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6691964, Cocaïne Crack);

- 20 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6691965);

- 8 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6691971);

- 13 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6691973);

- 2 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025192128-6691975);

- 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025192128-6691976);

- 11 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691977, Cocaïne);

- 12 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025192128-6691979, Ketamine);

- 114 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691980 XTC);

- 41 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691981 LSD);

- 81 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691982 2CB);

- 190 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691959, Alprazolam);

- 70 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691962, Diazepam);

- 32 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691968, Kamagra);

- 10 STK Injectiemiddel (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6691978, Naald);

- 16 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692024 GHB);

- 76 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692016, Kamagra);

- 70 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692018, Cobra-120);

- 2 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692022, Azitromycine sandoz);

- 60 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692025, Alprazolam);

- 3 STK Medicijn (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692027, Isopropyl nitrite);

- 22 STK Injectiemiddel (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692028, Naald);

- 6 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692029, GHB);

- 5 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692031, GHB);

- 2 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025192128-6692032 GHB);

- 136 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692033 XTC);

- 5 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692035, GHB);

- 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692034, Amfetamine);

- 11 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL 1300-2025192128-6692037, MDMA);

- 7 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692040);

- 8 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692041);

- 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692044, Cocaïne);

- 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PLI300-2025192128-6692046, XTC).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.525,10 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL 1300-2025192128-G6691947 1BG 01-08-2025);

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 630,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL 1300-2025192128-G6692017- IBGN 2-8-2025).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. R.A.E. van Noort en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 september 2026.

Mr. V.J.M. Goldschmeding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

vgl. HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:442. rov. 2.4 vgl. HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2757, rov. 2.4.