Strafrecht overig
Bevestiging m.u.v. de straf. Invoer van cocaïne (Schiphol). Arrest n.a.v. de Themazitting Drugskoeriers…
Gerechtshof Amsterdam, 9 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2964 · Gerechtshof Amsterdam · 9 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2964
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-000364-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2964
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevestiging m.u.v. de straf. Invoer van cocaïne (Schiphol). Arrest n.a.v. de Themazitting Drugskoeriers. Straf conform LOVS opgelegd.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000364-26
datum uitspraak: 9 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 13 februari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 15-264949-25 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gegrond na het eventueel instellen van beroep in cassatie in aanvulling op dit arrest zal aanvullen met de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Om die reden heeft de verdediging primair verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden op te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van 3,67 kg cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding.
De handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent de verdachte aan dat hij hier een wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd.
Achtergrond
Op 21 april 2026 heeft het hof Amsterdam uitspraak gedaan van twaalf arresten gewezen naar aanleiding van een zogeheten Themazitting Drugskoeriers op 31 maart 2026 (o.a. ECLI:NL:GHAMS:2026:1019). Deze themazitting is georganiseerd naar aanleiding van nieuw beleid van de rechtbank Noord-Holland bij de straftoemeting in zaken die zien op koeriers van (in- of uitgevoerde) harddrugs op Schiphol. De rechtbank heeft in deze zaken in het voordeel van de verdachte afgeweken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en heeft eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd. Het hof heeft – anders dan de rechtbank – de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt genomen in de straftoemeting en daarbij gewezen op de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid. Het hof heeft benadrukt dat bij de strafoplegging ruimte bestaat voor het meewegen van zowel persoonlijke omstandigheden van de verdachte als specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan, waardoor het opleggen van een lagere straf dan in de LOVS-oriëntatiepunten wordt genoemd, aangewezen kan zijn.
Persoonlijke omstandigheden en oordeel van het hof
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij twee jaar geleden aan zijn maag is geopereerd, daardoor niet meer kan werken en zijn huur niet meer kon betalen, waardoor hij zijn woning is kwijtgeraakt. In ruil voor het invoeren van de koffer cocaïne zou de verdachte een vliegticket naar zijn familie in [plaats] krijgen. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte kan worden aangemerkt als first-offender en dat een criminele organisatie misbruik heeft gemaakt van de wanhopige situatie van de verdachte. Hoewel de omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd op zichzelf schrijnend zijn, is het hof van oordeel dat deze onvoldoende zijn onderbouwd en weinig concreet zijn gemaakt. Daar komt bij dat de verdachte in april 2025 nog in Spanje en Portugal is geweest, terwijl hij heeft verklaard dat hij sinds twee jaar geen werk heeft en dakloos is. Zijn verklaring hiervoor, te weten dat hij deze reis kon betalen van een erfenis, kan het hof niet rijmen met zijn verklaring dat hij zijn huur niet meer kon betalen omdat hij geen inkomen had.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van dusdanig schrijnende persoonlijke of specifieke omstandigheden die ertoe moeten leiden dat moet worden afgeweken van de LOVS-oriëntatiepunten.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. B.A.A. Postma en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2026.
mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.