Strafrecht overig

Bankhelpdeskfraude: medeplegen van (pogingen tot) oplichting, meermalen gepleegd en gekwalificeerde diefstal…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
20-001264-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2996
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bankhelpdeskfraude: medeplegen van (pogingen tot) oplichting, meermalen gepleegd en gekwalificeerde diefstal in vereniging, meermalen gepleegd.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de opgelegde hoofdstraf, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij en de daarmee samenhangende beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de andere drie benadeelde partijen.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 2 mei 2025

    ECLI:NL:RBZWB:2025:2649
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2996

Uitspraak

Parketnummer : 20-001264-25

Uitspraak : 28 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 mei 2025, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-354257-24, 02-245770-24 en 15-266699-24, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:

- telkens medeplegen van oplichting (02-354257-24 feit 1, feit 2 en feit 3,

02-245770-24 feit 1 en 15-266699-24 feit 1);

- diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

(02-354257-24 feit 4);

  • medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd (02-354257-24 feit 5);

  • diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (02-245770-24 feit 2) en

  • medeplegen van poging tot oplichting (15-266699-24 feit 2),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden verbonden, inhoudende een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting door [GGZ] of een soortgelijke zorgverlener en een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding. Daarbij is aan de reclassering de opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . De rechtbank heeft de teruggave aan de rechthebbende gelast ten aanzien van de inbeslaggenomen bankpas en heeft de inbeslaggenomen cadeaubon verbeurdverklaard. Tot slot heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de tenlastegelegde feiten en heeft uitsluitend een straftoemetingsverweer gevoerd. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de opgelegde hoofdstraf (de door de rechtbank genomen beslissingen over het beslag blijven dan ook in stand), de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de daarmee samenhangende beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot die beslissingen te vervallen en zullen deze worden vervangen door hetgeen hierna wordt overwogen.

Daarnaast zal het hof, gelet op de vernietiging van het vonnis ten aanzien van de opgelegde straf, tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.

Op te leggen straf

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om bij de oplegging van een gevangenisstraf de duur van het onvoorwaardelijk deel te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de verdediging subsidiair de mogelijkheid naar voren gebracht om daarnaast aan de verdachte een taakstraf op te leggen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het bijzonder heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van meerdere (pogingen tot) oplichtingen en meerdere gekwalificeerde diefstallen in vereniging in de vorm van bankhelpdeskfraude. Samen met (een) ander(en) heeft de verdachte op een slinkse en geraffineerde wijze vijf slachtoffers opgelicht, vier slachtoffers getracht op te lichten en vier keer gepind met door oplichting verkregen bankpassen. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte samen met zijn mededader(s) misbruik gemaakt van de goedheid van de slachtoffers en het bij hen gewekte vertrouwen. Daarbij waren de slachtoffers van hoge leeftijd en daarmee kwetsbaarder en afhankelijker dan de gemiddelde burger. De slachtoffers van de bankhelpdeskfraude dachten dat zij door de handelingen op te volgen hun bankrekeningen en persoonlijke bezittingen veilig konden stellen, maar het tegendeel bleek het geval. Hierdoor is niet alleen het vertrouwen dat de slachtoffers in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen moeten kunnen hebben geschaad, maar is ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens in ernstige mate aangetast. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen nog lange tijd last hebben van angst- en schaamtegevoelens. Bovendien heeft de verdachte met zijn handelen niet alleen de slachtoffers financiële schade toegebracht, maar dergelijke feiten zorgen ook voor een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft daarbij, net als zijn mededader(s), kennelijk slechts aan zijn eigen (financiële) gewin gedacht en op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van de slachtoffers. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich op deze wijze heeft willen verrijken ten koste van anderen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 juli 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.

Ook heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 27 maart 2025, waarin de reclassering gemotiveerd heeft geadviseerd om het volwassenstrafrecht toe te passen. Het hof volgt, evenals de rechtbank, dit advies. Voorts blijkt uit deze rapportage dat het risico op recidive als gemiddeld wordt ingeschat. Het risico op letsel en het risico op onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag. Door de reclassering wordt geadviseerd om aan een eventueel op te leggen straf bijzondere voorwaarden te verbinden. Verder signaleert de reclassering problemen op het gebied van psychosociaal functioneren, houding en het sociaal netwerk van de verdachte. Hoewel de praktische zaken rondom de verdachte stabiel zijn, acht de reclassering het noodzakelijk om hem te monitoren, nu het hebben van een zinvolle dagbesteding de verdachte er eerder niet van heeft weerhouden om tot delictgedrag te komen. De reclassering rapporteert voorts dat de verdachte ondersteuning lijkt te hebben op het gebied van psychosociaal functioneren in verband met gebeurtenissen uit het verleden en acht het noodzakelijk dat de verdachte inzicht krijgt in zijn gedrag door een behandeling waarbij delictpreventie aan bod komt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij openstaat voor de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij sinds februari 2026 werkzaam is als [functie] via een uitzendbureau en dat hij mantelzorger is voor zijn vader. De vader van de verdachte gaat op medisch vlak achteruit en als gevolg van een zenuwoperatie in zijn rug is hij momenteel nauwelijks in staat om te lopen, zodat de verdachte hem helpt en ondersteunt bij dagelijkse handelingen. Op het moment dat de thans nog openstaande strafzaken zijn afgedaan, wil de verdachte starten met een MBO niveau 4-opleiding in de bouw. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij spijt heeft dat hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd en dat hij achteraf gezien niet de juiste keuzes heeft gemaakt. De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij het anders had moeten aanpakken, deze strafzaak achter zich wil laten en wil doorgaan met zijn leven.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op al het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van langere duur met zich brengt. In dat kader acht het hof tevens van belang de hoeveelheid bewezenverklaarde feiten en de mate waarin de bewezenverklaarde feiten schade teweeg hebben gebracht. Het hof heeft in de strafoplegging ook rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Alles afwegende acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof ziet daarnaast aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel, naast de algemene voorwaarden, de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, met uitzondering van het contactverbod, nu het hof niet is gebleken dat daartoe noodzaak bestaat. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, zal het hof aan het voorwaardelijk strafdeel niet een proeftijd van 2 jaren, maar van 3 jaren verbinden. Het hof beoogt hiermee de verdachte een sterke prikkel te geven zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit € 750,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering hoofdelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opgelegd voor hetzelfde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde ingangsdatum en voor dezelfde duur. De verdachte is veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.

Het Openbaar Ministerie heeft te kennen gegeven dat de benadeelde partij inmiddels is overleden en de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof wijst op het bepaalde in artikel 421, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat indien voeging in eerste aanleg heeft plaats gehad, deze van rechtswege voortduurt in hoger beroep voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen. De omstandigheid dat de benadeelde partij inmiddels is overleden doet daar niet aan af. Gelet hierop acht het hof de benadeelde partij in de gehele vordering ontvankelijk.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet inhoudelijk betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 02-354257-24 onder feiten 1 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader(s) rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 750,00. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voldoende is onderbouwd en de vordering is door de verdediging niet inhoudelijk betwist. De verdachte en zijn mededader(s) zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. De situatie als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder a, van het BW is in dit geval niet aan de orde. Blijkens het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW heeft de benadeelde partij voorts recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte geen lichamelijk letsel heeft opgelopen en evenmin daardoor in zijn eer of goede naam is geschaad.

De vraag die vervolgens voorligt, is of de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW. Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in de schriftelijke toelichting op het verzoek tot schadevergoeding te kennen gegeven dat hij na het voorval erg alert is geworden en meer angst en wantrouwen heeft jegens de medemens. Voorts is de benadeelde partij meer beducht op gevaar.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij daarmee - mede gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten - onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen op basis waarvan het bestaan van een aan de bewezenverklaarde te relateren aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden vastgesteld. Hoewel de oplichting, waarbij de benadeelde partij in goed vertrouwen onder meer een pinpas, contant geld en horloges heeft meegegeven aan een persoon die pretendeerde van de politie te zijn en de gekwalificeerde diefstal in vereniging doordat er is gepind met de pinpas van de verdachte, zonder twijfel impact zal hebben gehad op de gemoedstoestand van de benadeelde partij, heeft hij onvoldoende onderbouwd op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat de benadeelde partij zich hiervoor onder behandeling heeft moeten stellen.

Een eventuele nadere bewijslevering voor het kunnen vaststellen van een aantasting in de persoon zou naar het oordeel van het hof een onwenselijk geachte vertraging in de afdoening van de strafzaak betekenen. Verder doet zich in de onderhavige zaak niet het geval voor dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit alles brengt met zich dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat het hof van oordeel is dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer 02-354257-24 onder feiten 1 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte(n) rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 750,00. De verdachte en de medeverdachte(n) zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 7 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door het in de zaak met parketnummer

02-354257-24 onder feiten 2 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte(n) rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 2.559,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. In zoverre wordt de beslissing van de rechtbank dan ook door het hof bevestigd.

Het hof overweegt dat de verdachte en de medeverdachte(n) daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn en het hof ziet dan ook, evenals de rechtbank, aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft na het vonnis van de rechtbank de afspraken over het aantal dagen gijzeling bij het opleggen van een bepaald bedrag aan schadevergoedingsmaatregel gewijzigd. Het hof zal daarom de schadevergoedingsmaatregel, zoals deze door de rechtbank is opgelegd, in zoverre vernietigen en het aantal dagen gijzeling bepalen volgens die nieuwe afspraken. Voor de volledigheid zal het hof hierna de schadevergoedingsmaatregel in zijn geheel in de beslissing van dit arrest opnemen.

Het hof zal bepalen dat, in plaats van 35 dagen gijzeling, zoals door de rechtbank is bepaald, gijzeling voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door het in de zaak met parketnummer

02-354257-24 onder feiten 3 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte(n) rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2024, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. In zoverre wordt de beslissing van de rechtbank dan ook door het hof bevestigd.

Het hof overweegt dat de verdachte en de medeverdachte(n) daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn en het hof ziet dan ook, evenals de rechtbank, aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft na het vonnis van de rechtbank de afspraken over het aantal dagen gijzeling bij het opleggen van een bepaald bedrag aan schadevergoedingsmaatregel gewijzigd. Het hof zal daarom de schadevergoedingsmaatregel, zoals deze door de rechtbank is opgelegd, in zoverre vernietigen en het aantal dagen gijzeling bepalen volgens die nieuwe afspraken. Voor de volledigheid zal het hof hierna de schadevergoedingsmaatregel in zijn geheel in de beslissing van dit arrest opnemen.

Het hof zal bepalen dat, in plaats van 10 dagen gijzeling, zoals door de rechtbank is bepaald, gijzeling voor de duur van 5 dagen zal worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door het in de zaak met parketnummer

15-266699-24 onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte(n) rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 4] is toegebracht tot een bedrag van € 2.469,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2024, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. In zoverre wordt de beslissing van de rechtbank dan ook door het hof bevestigd.

Het hof overweegt dat de verdachte en de medeverdachte(n) daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn en het hof ziet dan ook, evenals de rechtbank, aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft na het vonnis van de rechtbank de afspraken over het aantal dagen gijzeling bij het opleggen van een bepaald bedrag aan schadevergoedingsmaatregel gewijzigd. Het hof zal daarom de schadevergoedingsmaatregel, zoals deze door de rechtbank is opgelegd, in zoverre vernietigen en het aantal dagen gijzeling bepalen volgens die nieuwe afspraken. Voor de volledigheid zal het hof hierna de schadevergoedingsmaatregel in zijn geheel in de beslissing van dit arrest opnemen.

Het hof zal bepalen dat, in plaats van 34 dagen gijzeling, zoals door de rechtbank is bepaald, gijzeling voor de duur van 24 dagen zal worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde hoofdstraf, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de daarmee samenhangende beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen

[benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  • de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door [GGZ] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

  • de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-354257-24 onder feiten 1 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is;

veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer

02-354257-24 onder feiten 1 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 7 (zeven) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide

betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Schadevergoedingsmaatregel benadeelde partij [benadeelde 2]

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer

02-354257-24 onder feiten 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.559,45 (tweeduizend vijfhonderdnegenenvijftig euro en vijfenveertig cent), bestaande uit

€ 1.809,45 (duizend achthonderdnegen euro en vijfenveertig cent) aan materiële schadevergoeding en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide

betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Schadevergoedingsmaatregel benadeelde partij [benadeelde 3]

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer

02-354257-24 onder feiten 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 (vijf) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide

betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Schadevergoedingsmaatregel benadeelde partij [benadeelde 4]

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer

15-266699-24 onder feit 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.469,60 (tweeduizend vierhonderdnegenenzestig euro en zestig cent), bestaande uit € 1.719,60 (duizend zevenhonderdnegentien euro en zestig cent) aan materiële schadevergoeding en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide

betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. van Campen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier,

en op 28 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.