Strafrecht overig
Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaar voor moord op een door hem verwekte…
Gerechtshof Amsterdam, 28 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3043 · Gerechtshof Amsterdam · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-3043
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001541-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3043
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaar voor moord op een door hem verwekte, ongeboren maar levensvatbare vrucht en voor zware mishandeling met voorbedachten rade, met de dood van zijn vriendin tot gevolg. Hij heeft zijn vriendin die circa 7-8 maanden zwanger was, met de bedoeling de baby te doden, abortuspillen (misoprostol), drugs en alcohol verstrekt. Daarna heeft hij nagelaten medische hulp in te schakelen. Als gevolg van dit handelen en nalaten zijn de baby en de moeder overleden. De ruime overschrijding van de redelijke termijn leidt tot strafvermindering. Anders dan de rechtbank legt het hof geen tbs-maatregel op: verdachte heeft aan geen enkel onderzoek meegewerkt en geen van de deskundigen heeft een stoornis kunnen vaststellen, zodat niet aan de wettelijke vereisten voor tbs is voldaan. Affectieschade toegewezen aan ouders en minderjarige kinderen van het slachtoffer, ondanks beroep op eigen schuld.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 24 juni 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:3711Gerechtshof Amsterdam · 28 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:3043
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001541-24
datum uitspraak: 28 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest (Promis) van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-251477-19 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
thans gedetineerd in [adres 1].
1 Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21, 22, 24, 28 september en 28 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is na een in eerste aanleg toegestane nadere omschrijving (samengevat) tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen heeft schuldig gemaakt aan:
1. primair
moord/doodslag op een (door hem verwekt) kind, dat zich als ongeboren/ levensvatbare vrucht na een zwangerschapsduur van (circa) 32 tot 37 weken in (de buik van) de moeder, te weten [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), bevond, door aan [slachtoffer] te verstrekken en/of haar te bewegen tot inname van en/of haar toe te dienen:
-
een (grote) hoeveelheid alcohol en/of cocaïne en/of MDMA en/of ketamine en/of
-
(abortus)pillen/tabletten, met daarin, onder meer, de werkzame stof Misoprostol, als gevolg waarvan de bevalling op gang is gekomen en/of een uterusruptuur is ontstaan en/of hevig bloedverlies is opgetreden bij [slachtoffer] en/of bij het kind,
terwijl hij geen professionele/medische hulp heeft ingeroepen, ook niet nadat hij constateerde dat sprake was van veel bloedverlies bij [slachtoffer], ten gevolge waarvan het kind is overleden.
1. subsidiair
medeplegen, met [slachtoffer], van voornoemd feit.
2.
zware mishandeling met voorbedachten rade, ten aanzien van zijn levensgezel/partner [slachtoffer], waarbij het zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] bestond uit de afdrijving en/of dood van haar (door hem verwekte) vrucht, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
3.
het geven van een behandeling aan zijn levensgezel/partner [slachtoffer], waarvan hij wist of kon vermoeden dat daardoor haar zwangerschap kon worden afgebroken.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit arrest is gehecht en geldt
als hier ingevoegd.
3 Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt.
4 Inleiding
Het hof gaat uit van de volgende inleidende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.
Op 18 oktober 2019 omstreeks 10:05 uur verscheen de verdachte aan de balie van het politiebureau in Diemen. Hij vertelde dat zijn vriendin genaamd Patricia [slachtoffer] met geopende ogen, dood in zijn woning in Diemen in bed lag, dat zij het middel misoprostol had gebruikt en dat er ook een dood kind naast zijn vriendin in bed lag. De verdachte werd vervolgens aangehouden.
De verbalisanten betraden de woning van de verdachte om 10:28 uur en zagen in de woonkamer een tweepersoonsbed. Op de grond en rondom het bed zagen zij meerdere bloedvegen. Aan het voeteneind van het bed lag een sprei op de grond; de sprei was besmeurd met bloed. Boven de dekens aan de rechterzijde van het bed stak een hoofd uit. De verbalisant trok het dekbed naar zich toe en zag dat er een vrouw in bed lag. De vrouw lag op haar rug en had geen ademhaling. Naast de vrouw, aan haar linkerzijde, lag een baby. De baby was naakt en lag er levenloos bij. Er was geen ademhaling zichtbaar.
Op grond van het DNA-verwantschapsonderzoek is vast komen te staan dat de verdachte de biologische vader van de baby is.
5 Overwegingen ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. Zij hebben daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Met betrekking tot de verklaringen van de verdachte hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat zij waarde hechten aan de eerste twee bij de politie afgelegde verklaringen, vooral aan de eerste van 18 oktober 2019, die immers vlak na het gebeurde is afgelegd. Het gedeelte van de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij tijdens de abortus naast [slachtoffer] sliep en niets heeft gemerkt, achten zij niet geloofwaardig.
Daarnaast hebben de advocaten-generaal gewezen op de volgens hen ongelijkwaardige relatie tussen de verdachte en [slachtoffer], waarin de verdachte bepaalde en [slachtoffer] volgde. Uit het geheel van de duizenden berichten en spraakberichten volgt dat de verdachte in belangrijke mate de regie voerde en dat [slachtoffer] van hem afhankelijk was, onder meer financieel. De verdachte heeft onder meer gruwelijke berichten aan [slachtoffer] gestuurd, waaruit niets anders volgt dan dat de verdachte de baby koste wat het kost wilde doden. De verdachte had voor ogen wat er moest gebeuren, namelijk het doden van de baby, eventueel met veel bloedverlies, pijn en letsel bij [slachtoffer] als acceptabele nevenschade. De verdachte was degene die wilde aborteren omdat de baby een jongetje was en hij heeft [slachtoffer] zo gemanipuleerd en geïndoctrineerd dat zij zich aan hem en zijn wens heeft overgegeven/onderworpen. De syfilis van [slachtoffer] speelde geen rol van betekenis in de wens van de verdachte om te aborteren.
Volgens de advocaten-generaal heeft de verdachte de misoprostol-pillen aan [slachtoffer] verstrekt door deze tweemaal te bestellen en heeft hij in de nacht van 16 op 17 oktober 2019 in elk geval tweemaal gezien dat [slachtoffer] die pillen innam en haar een derde keer erop gewezen dat het tijd was om dat te doen. De verdachte heeft [slachtoffer] bewogen tot inname van die pillen en van de alcohol en de verdovende middelen, waardoor zij verminderd zelfredzaam was en heeft haar vervolgens de noodzakelijke hulp en medische zorg onthouden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] en de baby zijn overleden.
Ten aanzien van de causaliteit hebben de advocaten-generaal aangevoerd dat uit de jurisprudentie en literatuur blijkt dat het allereerst gaat om de vraag of het handelen van de verdachte een onmisbare schakel heeft gevormd in het geheel van gebeurtenissen en vervolgens om de vraag of het overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De door misoprostol in gang gezette – niet medisch begeleide – bevalling, bij een gevorderde zwangerschap, terwijl [slachtoffer] ook onder invloed van andere middelen was en het nalaten hulp in te schakelen, is zonder meer een onmisbare schakel geweest die heeft geleid tot een voor [slachtoffer] en de baby fatale bevallingscomplicatie, te weten een baarmoederruptuur. Er is geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat het op gang komen van de uiteindelijk fatale bevalling door iets anders werd veroorzaakt, laat staan uitsluitend werd veroorzaakt door iets anders dan door de gedragingen van de verdachte. De verdachte is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] en de baby.
Met betrekking tot feit 1 stellen de advocaten-generaal verder nog dat sprake was van een zwangerschapsduur van tussen de 32 en 37 weken en daarmee van een levensvatbare vrucht in de zin van artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en dat opzet en voorbedachte raad kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 menen zij dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, met haar dood als gevolg. De afdrijving of dood van de vrucht kan volgens hen als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt, waarbij de dood van [slachtoffer] een geobjectiveerd gevolg is. Ten aanzien van feit 3 achten de advocaten-generaal bewezen dat de verdachte opzettelijk een abortusbehandeling bij [slachtoffer] heeft uitgevoerd, met haar dood als gevolg. Ten slotte dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken van de bestanddelen ‘toedienen’ (feiten 1, 2 en 3) en ‘levensgezel’ (feiten 2 en 3), net zoals de rechtbank dat heeft gedaan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Volgens de raadsvrouw heeft [slachtoffer] uit eigen beweging besloten haar zwangerschap af te breken. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat [slachtoffer] niet zelfstandig en onafhankelijk tot die keuze is gekomen en daarbij te veel gewicht toegekend aan een beperkte en eenzijdige selectie van berichten van de verdachte aan [slachtoffer]. Uit het volledige berichtenverkeer, waaronder ook de door [slachtoffer] verzonden berichten, en uit het gegeven dat zij eerder al meermalen had geprobeerd een zwangerschap af te breken, volgt volgens de verdediging juist dat sprake was van een eigen wens van [slachtoffer]. Er was sprake van een gelijkwaardige relatie. Van een afhankelijkheidsrelatie of door de verdachte uitgeoefende dwang was geen sprake. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de voor de verdachte in negatieve zin sturende vertaling van verschillende berichten en de bredere context waarin de vermeend belastende berichten zijn verstuurd.
Met betrekking tot de verklaringen van de verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de eerste verhoren in shock en verdrietig was, wat vraagt om behoedzaamheid bij het gebruik van deze verklaringen. De wijze waarop is verhoord en de wijze waarop dit is uitgewerkt maakt dat niet uitgegaan mag worden van de samenvattingen van de verhoren noch van de uitgewerkte verhoren, maar slechts van wat er daadwerkelijk is gezegd, dus enkel van de audiovisuele opnamen.
Over de doodsoorzaak van [slachtoffer] is aangevoerd dat er 11 factoren kunnen worden aangewezen die een bijdrage kunnen hebben geleverd aan het ontstaan van de baarmoederverscheuring. Misoprostol, cocaïne, MDMA, alcohol en ketamine kunnen allemaal gezamenlijk of afzonderlijk een spontane abortus veroorzaken. Kansen op spontane abortus of een baarmoederverscheuring worden ook verhoogd door de eerdere inname van diverse abortusmiddelen, de vastgestelde syfilis en de daarvoor ingenomen benzylpenicilline, de diverse doorgemaakte infectieziekten, het littekenweefsel in de baarmoeder en een stuitligging van de baby. De beschikbare deskundigenrapportages beschrijven volgens de verdediging hooguit een mogelijk of aannemelijk scenario. Alternatieve oorzaken zijn onvoldoende onderzocht. Dat betekent dat niet vastgesteld kan worden welke van de 11 aanwezige factoren heeft geleid tot de bevalling(scomplicatie) en de uiteindelijke dood van [slachtoffer] en de baby, waardoor ook niet vast te stellen is dat de verdachte daaraan een strafbare bijdrage heeft geleverd. In dit verband is door de verdediging ook betoogd dat het causale verband tussen de bevallingscomplicatie bij de moeder en het overlijden van de baby niet is onderbouwd en dus niet kan worden vastgesteld. Evenmin kan worden vastgesteld hoeveel misoprostol [slachtoffer] op de bewuste avond/in de bewuste nacht heeft ingenomen. Ook wordt nog gewezen op extreme gewichtstoename van [slachtoffer] in de periode van eind juli tot en met 18 oktober 2029, wat mogelijk wijst op het HELLP-syndroom.
Verder kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft bewogen tot het innemen van misoprostol en/of de andere middelen, of dat hij deze middelen aan haar heeft verstrekt of toegediend. De aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen kunnen daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen.
Daarnaast kan volgens de verdediging niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte heeft nagelaten hulp in te schakelen en dat sprake was van voorbedachte raad. Ook wordt betwist dat de baby levensvatbaar was. Daartoe is aangevoerd dat de precieze zwangerschapsduur niet zeker was en dat [slachtoffer] de verdachte voor de bevalling had verteld dat ze dacht dat de baby in haar was overleden, zodat de verdachte ervan uitging dat de baby al dood was voor de geboorte. Van (voorwaardelijk) opzet op die levensvatbaarheid is dan ook geen sprake geweest. Verder heeft de verdediging met betrekking tot feit 3 aangevoerd dat de verdachte geen ‘behandeling’ in de zin van de wet heeft gegeven, hij geen middelen heeft toegediend, verstrekt of [slachtoffer] heeft bewogen tot inname van middelen. Bovendien is niet vastgesteld wat of welk middel tot de abortus heeft geleid.
De raadsvrouw heeft een voorwaardelijk verzoek tot benoeming van een nieuwe gynaecoloog en patholoog gedaan. Daarop zal het hof in overweging 5.3.6 ingaan.
Overwegingen van het hof
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair/subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde. Het hof bespreekt die vraag in de volgende stappen.
Eerst stelt het hof feiten en omstandigheden vast over de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer], de duur van hun relatie en de wens tot zwangerschap (5.3.1). Vervolgens beoordeelt het hof de zwangerschapsduur en reconstrueert het hof het verloop van de gebeurtenissen van het abortusplan tot het overlijden van [slachtoffer] en de baby (5.3.2). Daarbij gebruikt het hof (delen van) de eerste twee verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie op 18 oktober 2019 en 1 november 2019. Redengevend daarvoor is dat deze verklaringen, anders dan de vele latere door de verdachte zelf opgestelde schriftelijke verklaringen, zijn afgelegd kort na de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan de tenlastelegging en de inhoud van (delen van) deze) verklaringen steun vinden in de overige dossierstukken die voor het bewijs worden gebruikt. Het hof ziet geen reden daarbij niet uit te gaan van de woordelijk uitgewerkte processen-verbaal van verhoor, nu niet gebleken is dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van die processen-verbaal van verhoor.
Daarna gaat het hof in op de forensische en medische bevindingen (5.3.3).
Op basis daarvan komt het hof tot conclusies met betrekking tot de doodsoorzaak van [slachtoffer] en de baby en de rol daarbij van de verdachte (5.3.4 en 5.3.5).
Tot slot bespreekt het hof het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om nader onderzoek (5.3.6).
Nog enkele vaststaande feiten en omstandigheden
De volgende feiten met betrekking tot de eerste ontmoeting tussen de verdachte en [slachtoffer], de duur van hun relatie en de (wens tot) zwangerschap zijn door de verdediging en de advocaten-generaal niet betwist en neemt het hof als vaststaand aan.
De verdachte ging sinds 2003 jaarlijks op vakantie naar Brazilië. Op deze vakanties had de verdachte seks met prostituees. Tijdens één van deze vakanties in 2015 in Fortaleza heeft hij [slachtoffer] voor het eerst gezien in een bar. Zij was ook een prostituee met wie hij in het voorjaar van 2017 (de eerste keer) betaalde seks heeft gehad. In het najaar van 2017 zagen zij elkaar weer en ontstond een relatie. De verdachte spreekt van liefde op het eerste gezicht. Sindsdien zijn ze nooit uit elkaar geweest. De verdachte ging ieder jaar vier tot acht weken naar Fortaleza. Als hij in Nederland was, hadden ze dagelijks contact. De verdachte en [slachtoffer] wilden samen zwanger worden.
Van abortusplan tot overlijden van de baby en [slachtoffer]
Het hof zal in de navolgende subparagrafen eerst ingaan op de zwangerschapsduur (5.3.2.1) en daarna het chronologische verloop van de gebeurtenissen met betrekking tot de abortusplannen en -pogingen, de aanschaf van misoprostol en de gebeurtenissen in de periode van 16 tot en met 18 oktober 2019 bespreken (5.3.2.2).
5.3.2.1 Zwangerschapsduur
Een ongeboren kind wordt op grond van artikel 82a Sr aangemerkt als ‘een ander’ die van het leven kan worden beroofd, zodra die vrucht als levensvatbaar kan worden beschouwd. Daarvan is in beginsel sprake bij een zwangerschapsduur vanaf 24 weken. In dat verband overweegt het hof het volgende.
Uit de verklaringen van de verdachte en de overige bevindingen in het dossier blijkt dat de verdachte van 2/3 februari 2019 tot 14 maart 2019 bij [slachtoffer] in Brazilië is geweest. Aangezien vaststaat dat de verdachte de vader was van de baby, was 14 maart 2019 de laatste dag waarop geslachtsgemeenschap kon leiden tot de verwekking van de baby. Dit was 31 weken voor de tenlastegelegde periode.
[slachtoffer] heeft op 24 juli 2019 voor het eerst tegen de verdachte gezegd dat ze zwanger was. De verdachte en [slachtoffer] gingen er beiden van uit dat de conceptie uiterlijk op 14 maart 2019 had plaatsgevonden. Dat blijkt onder meer uit de onderlinge berichten tussen de verdachte en [slachtoffer]. Op 27 juli 2019 schreef de verdachte: “Mijn god liefje, binnen 5 maanden een kindje”. Op 14 september 2019 hadden de verdachte en [slachtoffer] het erover dat zij nu 6 maanden zwanger is. En op 9 oktober 2019 berichtte de verdachte aan [slachtoffer] dat het nog steeds moeilijk is om met 7 maanden te aborteren, maar dat het nu makkelijker is dan zonder medicijnen. Ook uit de verklaringen van de verdachte volgt dat zij in de tenlastegelegde periode ervan uitgingen dat [slachtoffer] toen ongeveer zeven maanden zwanger was.
Bovendien blijkt uit het zwangerschapsboekje dat op 28 augustus 2019 een echo is gemaakt en dat de duur van de zwangerschap toen is vastgesteld op 28 weken. Dat zou duiden op een zwangerschapsduur van ongeveer 35 weken in de tenlastegelegde periode.
Tot slot wijst de uitkomst van radiologisch onderzoek op een zwangerschapsduur van 34,3 weken, met een standaarddeviatie van 2,1 weken.
Uit al deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat in de tenlastegelegde periode sprake was van een vergevorderde zwangerschap van ruimschoots meer dan 24 weken.
5.3.2.2 Het verloop van de gebeurtenissen: van abortusplan tot het overlijden van [slachtoffer] en de baby
Abortuspogingen
Uit de berichten in het dossier en de verklaringen van de verdachte leidt het hof af dat er al vroeg een duidelijke voorkeur bestond voor een meisje. Op 28 juli 2019 schreef de verdachte aan [slachtoffer] dat hij geen vader wil zijn van een jongen, nu zeker weet dat hij alleen een meisje wil en als het een jongen is ze moeten aborteren. Ook schreef hij diezelfde dag aan [slachtoffer] dat als het geen meisje is en ze niet aborteert, ze kiest voor een toekomst zonder hem. [slachtoffer] schreef op 30 juli 2019 aan de verdachte dat zij ook een meisje wil. Diezelfde dag schreef de verdachte aan [slachtoffer] dat hij niet van een jongen houdt, ze moet laten weten wat ze doet als het een jongen is: aborteren, of niet aborteren en dan zonder hem verder. En ook: dat de verdachte 100% zeker is dat als [slachtoffer] zwanger is van een jongen, hij het na 18 augustus uitmaakt. Hij wil geld geven voor de baby als het een meisje is en voor een abortus als het een jongen is. Daarop reageert [slachtoffer] dat ze gaat aborteren. In latere berichten herhaalde de verdachte de boodschap: een meisje of aborteren. Tijdens de echo van 28 augustus 2019 bleek uiteindelijk dat [slachtoffer] zwanger was van een jongen. Uit de daarop volgende berichten in het dossier volgt dat zij beiden teleurgesteld waren in de uitslag van de echo. Daarna gingen zij samen actief op zoek naar manieren en middelen om te aborteren. De abortuspogingen begonnen in Brazilië. Zo hadden de verdachte en [slachtoffer] het over het halen van medicijnen bij een vrouw die in Papicu woont of werkt. Haar naam is onbekend, maar wel is het duidelijk dat deze vrouw medicatie (voor abortus) regelde en/of verkocht. Uit de gesprekken vanaf 2 september 2019 volgt dat de verdachte geld stuurde naar [slachtoffer] om in Brazilië medicijnen te kopen voor de beoogde abortus. In de periode van 3 tot en met 27 september 2019 bezocht [slachtoffer] meerdere keren de vrouw en kocht zij diverse medicatie, waaronder cefalexine. Zij nam de medicatie in, maar zonder resultaat. Volgens [slachtoffer] leidde dit wel tot hevige pijn, maar niet tot een bloeding en dus ook niet tot een abortus. De verdachte was niet gerust op de werking van cefalexine, omdat hij erover had gelezen en nergens stond dat het abortus kan opwekken.
Misoprostol: zoektocht, aanschaf en werking
Op 18 september 2019 sprak de verdachte voor het eerst over misoprostol. Volgens hem werd het middel wereldwijd het meest gebruikt, ook bij langdurige zwangerschappen. Vanaf dat moment leek de verdachte gefixeerd te zijn op het middel misoprostol. Uit de berichten blijkt dat hij informatie heeft opgezocht op het internet over dit middel en dat hij wist dat het mogelijk is om dit middel te kopen via internet zonder doktersrecept. De verdachte stuurde [slachtoffer] zelfs een link naar een website voor misoprostol. Op 20 september 2019 zei hij tegen [slachtoffer] dat het de laatste dag is van cefalexine en een nieuwe dag is voor Moneygram, Papicu en nieuwe medicijnen (misoprostol). Uit de berichten in de daaropvolgende dagen volgt dat [slachtoffer] wederom (telefonisch) contact had met de vrouw en ook meerdere malen afreisde naar Papicu om aan misoprostol te komen. Op 27 september 2019 was het [slachtoffer] uiteindelijk gelukt om aan het middel te komen bij de vrouw, maar werd ze in de bus terug naar huis beroofd van haar geld en de misoprostol. De verdachte berichtte [slachtoffer] vervolgens dat hij ging proberen om misoprostol hier (in Nederland) te kopen en dat ze het hier (in Nederland) weer gingen proberen.
Op 29 september 2019 is [slachtoffer] in Nederland aangekomen. De verdachte is vervolgens vanaf 4 tot en met 15 oktober 2019 op een cruisevakantie gegaan met zijn vader. Gedurende die periode verbleef [slachtoffer] alleen in de woning van de verdachte.
Over de aankoop van misoprostol heeft de verdachte als volgt verklaard.
Na de vierde abortuspoging van [slachtoffer] in Brazilië had hij op internet gelezen over een ander middel om te aborteren, namelijk misoprostol. Omdat dit middel in Nederland alleen op doktersrecept verkrijgbaar is, heeft hij voordat hij op cruise-vakantie ging via internet misoprostol-pillen besteld. De verdachte verklaarde hierover: ‘Dan toets je gewoon in ‘Misoprostol buy’ en dan krijg je sites’ en ‘Het zijn rare sites (…) je moet je creditcard geven (…) dus ik heb het maar twee keer gekocht’. Hij heeft in totaal 180 pillen besteld [het hof: uit onderzoek in de woning van de verdachte blijkt het om in totaal 184 pillen te zijn gegaan, zie verderop], 120 pillen uit Amerika en 60 pillen uit India. De verdachte wilde geen risico nemen dat er niets zou worden geleverd. Daarom heeft hij op twee websites besteld om er zeker van te zijn dat er iets binnen zou komen. De pillen uit Amerika kwamen tijdens zijn vakantie al binnen, de pillen uit India volgden op woensdag (het hof begrijpt: 16 oktober 2019). Uit appberichten volgt dat de eerste bestelling (de 120 pillen uit Amerika) binnenkwam op 8 oktober 2019 en in ontvangst werd genomen door [slachtoffer]. Uit gegevens van de creditcard van de verdachte blijkt dat daarmee twee betalingen zijn verricht, te weten op 29 september 2019 en 4 oktober 2019.
Uit berichtjes van 14 oktober 2019 blijkt dat de baby op dat moment nog leefde (‘als [slachtoffer] de pijn niet voldoende kon volhouden, zouden ze de baby niet kunnen doden’). In zijn verhoor van 18 oktober 2019 verklaarde de verdachte dat de baby volgens [slachtoffer] ‘nauwelijks meer’ bewoog (naar het hof begrijpt: op het moment van slikken van de misoprostol) sinds de eerdere abortuspogingen. Het hof leidt hieruit af dat de baby nog leefde toen [slachtoffer] begon met het slikken van de misoprostol.
Over de werking van misoprostol schrijft de verdachte op 18 september 2019 het volgende aan [slachtoffer].
Heb je gelezen over sefalexine en over misoprostol?
Als zij het verkoopt, kunnen we misoprostol gebruiken. We hebben het voor maximaal 2 dagen nodig ik zal 30 pillen nodig hebben van 200-mcg. Deze medicijnen worden het meest gebruikt op de hele wereld en ook voor langere zwangerschappen.
Internet zegt Gebruiken Misoprostol het meest wereldwijd en ook bij langdurige zwangerschappen.
De verdachte stuurt [slachtoffer] op 19 en 20 september 2019 een bijsluiter bij misoprostol.
In het dossier bevindt zich een bijsluiter bij misoprostol. Deze bevat onder meer de volgende informatie voor gebruikers:
Misoprostol wordt gebruikt voor het afbreken van een zwangerschap. U mag misoprostol niet later dan 49 dagen na de eerste dag van uw laatste menstruatie innemen.
Dosering voor volwassenen: twee tabletten. Belangrijke zaken om te onthouden bij het innemen van dit geneesmiddel: misoprostol moet 36-48 uur na de inname van 600 mg mifepriston worden ingenomen. Als u zich niet aan deze instructies houdt, vergroot dat de kans op de risico’s die samenhangen met het gebruik van dit geneesmiddel.
Het embryo kan al binnen een paar uur na het innemen van misoprostol worden uitgedreven, maar dit kan ook pas in de dagen daarna gebeuren. U krijgt vaginale bloedingen.
Neem onmiddellijk contact op met het centrum waar de behandeling is voorgeschreven, als uw bloedingen erg hevig zijn.
Wanneer u te veel tabletten heeft ingenomen, neem dan onmiddellijk contact op met uw arts of ga naar de eerstehulpafdeling van het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Het innemen van te veel tabletten kan leiden tot klachten als slaperigheid, bevingen, toevallen, moeite met ademhalen, buikpijn, diarree, koorts, pijn op de borst, lage bloeddruk en een vertraagde hartslag, die dodelijk zouden kunnen zijn.
De kans op ernstige bijwerkingen wordt groter als u dit geneesmiddel meer dan 49 dagen na de eerste dag van uw laatste menstruatie inneemt.
Ernstige bijwerkingen zijn onder andere:
• cardiovasculaire voorvallen: pijn op de borst, moeite met ademhalen, verwardheid of een
onregelmatige hartslag;
• gevallen van ernstige of fatale toxische of septische shock: koorts met spierpijn, versnelde hartslag,
duizeligheid, diarree, overgeven of een gevoel van slapheid.
Als u last krijgt van een van deze bijwerkingen, neem dan ONMIDDELLIJK contact op met uw arts of ga naar de eerstehulpafdeling van het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Andere vaak voorkomende bijwerkingen (bij maximaal 1 op de 10 personen): hevige vaginale bloedingen.
In het dossier bevindt zich voorts informatie van de website Apotheek.nl over misoprostol. Hierin wordt onder meer vermeld:
Artsen schrijven misoprostol voor bij het afbreken van een zwangerschap en om een bevalling in te leiden. Misoprostol wekt weeën op en vergemakkelijkt het afdrijven van de vrucht. De weeën starten enkele uren tot dagen na gebruik. Bijwerkingen zijn het samentrekken van de baarmoeder of baarmoederkrampen, foetale sterfte en hevige vaginale bloedingen. Ook een scheur in de baarmoeder wordt als bijwerking genoemd. Het is een zeer zeldzame bijwerking (bij minder dan 1 op de 100 mensen) die kan ontstaan als de zwangerschap al vergevorderd is, als er een litteken in de baarmoeder zit, bijvoorbeeld door een keizersnede of andere operatie aan de baarmoeder, als de vrouw vijf of meer keer zwanger is geweest of een heel hoge dosis misoprostol gebruikt. Een scheur in de baarmoeder is een ernstige situatie die onmiddellijk moet worden geopereerd. Vandaar dat het medicijn in deze gevallen altijd in een kliniek onder medisch toezicht moet worden gebruikt en niet thuis.
Gebeurtenissen in de periode van 16 tot en met 18 oktober 2019
Vanaf 15 oktober 2019 waren de verdachte en [slachtoffer], na de cruisevakantie van de verdachte, weer samen in de woning. Op camerabeelden van 17 oktober 2019 om 05:34 uur werd waargenomen dat [slachtoffer] (toen nog ongedeerd) samen met de verdachte de portiek van de flat binnenkwam en dat zij vervolgens samen de lift instapten. Dit is het laatste moment waarop [slachtoffer] levend werd gezien.
Over de gebeurtenissen in de bewuste periode heeft de verdachte als volgt verklaard.
Op woensdag [het hof begrijpt: 16 oktober 2019] hebben de verdachte en [slachtoffer] tussen 22:00 en 23:15 uur thuis tequila gedronken. Rond 23:15 uur zijn zij samen naar café Cheers gegaan alwaar zij beiden een gin-tonic hebben gedronken. Vervolgens zijn zij omstreeks 00:00 uur naar café 't Pandje gegaan alwaar zij een gin-tonic en een Pasoa met jus d'orange hebben gedronken. Om 1:00 uur (17 oktober 2019) zijn de verdachte en [slachtoffer] naar huis gefietst. Thuisgekomen hebben zij beiden enkele XTC pillen genomen en hebben zij samen een halve gram cocaïne gebruikt. De XTC-pillen had de verdachte nog in huis liggen.
De verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer] op woensdagavond (16 oktober 2019) om 22:30 uur twee misoprostol tabletten heeft ingenomen bij het drinken van de tequila. Om 1:30 uur, toen zij terugkwamen uit het café, heeft [slachtoffer] nog twee misoprostol tabletten ingenomen en mogelijk om 4:30/5:00 uur nog twee. Ze moest elke drie uur twee pillen slikken.
Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat het de bedoeling was dat de baby dood was, dat het een succes was, maar dat het veel sneller ging dan verwacht.
Zoals reeds vastgesteld, werden op 18 oktober 2019 [slachtoffer] en de baby levenloos aangetroffen in de woning van de verdachte.
De vraag is vervolgens wat er is gebeurd in de periode van 17 oktober 2019, omstreeks 4.30/5.00 uur, het laatste moment waarop [slachtoffer] levend op beeld is gezien, tot de ochtend van 18 oktober 2019, het moment waarop [slachtoffer] en de baby levenloos werden aangetroffen en wat daarbij de rol van de verdachte is geweest.
De verdachte heeft hierover verklaard dat hij en [slachtoffer] op 17 oktober 2019 enige tijd na 4.30/5.00 uur zijn gaan slapen en hij niets heeft meegekregen van de bevalling en ook niets heeft gehoord. De gehele bevalling heeft volgens de verdachte plaatsgevonden toen hij sliep. Het hof acht dit volstrekt ongeloofwaardig. Dit was immers het moment waar zo lang naartoe was gewerkt: het moment waarop de zwangerschap dan toch eindelijk zou worden beëindigd en de baby zou worden gedood. Het is niet voorstelbaar dat de verdachte onder die omstandigheden is gaan slapen nadat [slachtoffer] misoprostol had ingenomen, en is blijven slapen terwijl zij beviel – terwijl nota bene die medicinaal opgewekte bevalling, zoals hierna zal worden beschreven, tot ernstig en fataal letsel heeft geleid.
Forensische en medische bevindingen
5.3.3.1 Bevindingen verbalisanten met betrekking tot de bloedsporen en de misoprostol-pillen
De verbalisanten die op 18 oktober 2019 de woning van de verdachte forensisch hebben onderzocht hebben onder meer het volgende bevonden.
Zij zagen dat het erg donker was in de woning. De rolluiken van alle ramen in de woning waren gesloten en veel muren in de woning waren zwart van kleur. In de woon- slaapkamer zagen verbalisanten een tweepersoonsbed. Op de rechterzijde zagen zij een overleden vrouw en een overleden baby. Op meerdere locaties in de woning zagen zij op bloed gelijkende vlekken, vegen, afdrukken en spatten.
De verbalisanten die op 22 oktober 2019 de woning van de verdachte forensisch hebben onderzocht hebben onder meer het volgende bevonden.
Het algemene beeld van het bloed in de woning was dat er bloed op muren, in naden, tussen plinten en tussen de drempel te zien was. Op meerdere plekken op het zeil werd verdund bloed gezien. De verbalisanten zagen dat er bloed afwezig was, of verdund, op het zeil terwijl er wel bloed te zien was in de naad tussen zeil en muur/plint. Op meerdere locaties in de gehele woning werden op bloed gelijkende vlekken, vegen, afdrukken en spatten waargenomen. De volgende op bloed gelijkende sporen zijn met een indicatieve test positief getest op de aanwezigheid van bloed, op basis waarvan het hof concludeert dat het daadwerkelijk bloed betreft:
op de toiletdeur en drempel, op de intercom in de hal, op de koelkast, op de derde en vierde plank van een stellingkast in de kledingkastenkamer, de vloer voor de badkamer, het linker kozijn in de badkamer, de onderzijde van de wastafel en de muur onder de wastafel, op het kozijn en halzijde van de deur naar de woonkamer, op de zwarte muur van de woonkamer (een afdruk in de vorm van een hand), op twee flessen Glassex, op de wasmand, in blauwe emmers die op de koelkast stonden, op een blauwe archiefkast, op en naast het vloerkleed in de woonkamer, de zitting van een stoel en het handvat van het nachtkastje.
De bloedvlekken bevonden zich vaak op de vloer, laag op de muren en op steunpunten van meubels/kozijnen. Een groot gedeelte van de bloedvlekken was verdund met water. Ook was er een geel schoonmaakdoekje met bloed aangetroffen. Ook op het dekbed, aangetroffen in de wasruimte, zaten meerdere op bloed gelijkende zwemen verspreid. De matrashoes/molton en de matrastopper waren bebloed en op de hoofdzijde van het bed werden meerdere ontlasting vlekken en vegen gezien.
Tijdens het forensisch onderzoek in de woning van de verdachte op 22 oktober 2019 zagen verbalisanten in een kast in de kledingkastenkamer een stoffen tas met gekleurde strepen met daarin een bruine papieren verpakking met een postetiket geadresseerd op de naam [verdachte], [adres 2] te Diemen en voorzien van een stempel met "Registered Airmail" van 5 oktober 2019, met daarin onder meer twaalf strips van vier tabletten misoprostol, in totaal 48 tabletten.
In de kledingkastenkamer in het rechter kastdeel in de bovenste lade zagen verbalisanten een bruine papieren verpakking met daarop een vergelijkbaar postetiket en voorzien van de stempel “Registered Airmail" van 1 oktober 2019. In deze verpakking zagen zij vijftien strips van vier misoprostol tabletten en één strip van vier tabletten waar nog één tablet in aanwezig was. In totaal 61 tabletten.
In het nachtkastje aan de keukenzijde van het bed in de woonkamer zagen verbalisanten in de bovenste lade een wit plastic bakje met een blauwe deksel met daarin zeventien strips van vier (68) pillen misoprostol en één strip misoprostol waarvan er nog twee van de vier tabletten aanwezig waren.
In totaal waren er 180 [het hof begrijpt: 179] tabletten misoprostol in de woning aanwezig en ontbraken er vijf tabletten misoprostol uit de aangetroffen strips.
5.3.3.2 Bevindingen verbalisanten met betrekking tot de lichamen van [slachtoffer] en de baby
[slachtoffer]
De verbalisanten zagen dat [slachtoffer] op haar rug in het bed lag en dat haar hoofd naar achteren gekanteld was. Haar linker hand lag op haar buik en haar rechter arm en haar benen waren gestrekt.
De verbalisanten zagen dat de vagina van [slachtoffer] opgezwollen, rood en verkleurd was, waardoor het vermoeden bestond dat zij kort geleden was bevallen van de aangetroffen baby. In de linker lies zagen de verbalisanten een geringe hoeveelheid opgedroogd bloed en in de rechter lies zagen zij geen bloed. Op de matrashoes ter hoogte van haar billen/vagina zagen de verbalisanten een geringe hoeveelheid bloed. Bij onderzoek van de rugzijde van het lichaam zagen zij dat deze schoon was en ook zagen zij vrijwel geen lijkvlekken. De afwezigheid van lijkvlekken zou verklaard kunnen worden door veel bloedverlies.
Baby
Verbalisanten zagen dat de baby van het mannelijk geslacht was. De baby lag in bed op zijn rug. De placenta lag op heuphoogte van de baby op het matras tegen de baby aan. De placenta was aan de baby verbonden door de navelstreng. De borst en het gezicht van de baby waren schoon.
5.3.3.3 Onderzoek schouwartsen
[slachtoffer]
In het schouwverslag van de forensisch artsen (i.o.) staat onder meer het volgende:
Overledene wordt aangetroffen in een kamer op een 2-persoonsbed, naakt onder een deken met aan haar linker zijde een baby met placenta verbonden door navelstreng.
Overledene ligt in rugligging op bed. Hoofd in lichte mate naar achteren gekanteld. Ogen en mond geopend.
Aan het lichaam worden opvallend weinig lijkvlekken gezien.
Over de vloer, op het dekbed en op het bed zelf zijn donkere rode gekleurde vlekken zichtbaar, zoals kan passen bij (schoongemaakt) bloed.
De rechter schaamlippen zijn meer gezwollen dan links. Bloed zichtbaar in de vagina.
Evaluatie
Het betreft een 32-jarige vrouw, vermoedelijk bekend met syfilis en circa 8 maanden zwanger, die overleden wordt aangetroffen in een woning met een baby (inclusief placenta). Overledene is waarschijnlijk in de nacht van 16-10-2019 op 17-10-2019 bevallen van een baby na circa 8 maanden
zwangerschap en het nemen van alcohol, drugs en abortusmedicatie. Tijdens de bevalling heeft zij vermoedelijk massaal bloedverlies gehad waarna zij vermoedelijk (een dag later) aan de gevolgen hiervan is overleden, of sinds de bevalling is blijven bloeden. Er is geen hulp ingeschakeld ten tijde van de bevalling noch daarna.
Conclusie
Niet-natuurlijk overlijden te Diemen met onbekende overlijdensdatum.
De combinatie van een opgewekte abortus door medicatie, alcohol en drugs en (volgens dhr. X) het opgetreden bloedverlies (als gevolg van bevalling), zouden een verklaring voor het overlijden kunnen zijn. Volgens de nu bekende informatie, lijkt er geen (adequate) hulpverlening te zijn geweest, waardoor niet uit te sluiten is dat mogelijk de complicaties van de bevalling beperkt hadden kunnen worden.
Baby
In het schouwverslag van de forensisch artsen (i.o.) staat onder meer het volgende:
Rugligging van licht getinte baby verbonden met navelstreng en placenta.
Opvallend weinig vernix [het hof begrijpt: huidsmeer] op de baby, alleen wat tussen de vingers en tenen. Weinig tot geen lanugo [het hof begrijpt: donshaar].
Evaluatie
Baby verbonden met navelstreng en placenta aangetroffen na [het hof begrijpt: naast] overleden moeder. Uitwendig geen letsels aangetroffen.
Conclusie
Onverklaard overlijden van baby te Diemen.
5.3.3.4 Toxicologisch onderzoek
[slachtoffer]
Apotheker-toxicoloog [naam 1] heeft toxicologisch onderzoek verricht waarbij in het
lichaamsmateriaal van [slachtoffer] de volgende stoffen werden aangetoond.
Misoprostol
In de maaginhoud werd misoprostol aangetoond. Ook werd in de maaginhoud misoprostolzuur aangetoond, dit betreft het omzettingsproduct van misoprostol. Dit bewijst een blootstelling aan misoprostol. Misoprostol is een geneesmiddel dat onder andere wordt toegepast ter inleiding van de baring en (in combinatie met mifepriston) ter afbreking van de zwangerschap. Het middel wordt na inname/toediening in het lichaam snel omgezet naar misoprostolzuur. De bijwerkingen die kunnen optreden bij therapeutisch gebruik van misoprostol zijn onder andere maag-darmklachten, uterusbloedingen en uterusruptuur. Het risico op uterusruptuur is verhoogd bij een hogere doses, bij een langere zwangerschapsduur en bij een eerder doorgemaakte keizersnede of andere uterusoperatie. Als er tenminste een therapeutische misoprostolzuurconcentratie in het lichaam aanwezig was, dan kan dit de
uterusruptuur en inleiding van de bevalling verklaren.
MDMA
In het femoraalbloed is 3.9 mg/l MDMA aangetoond. Gebruikelijke werkzame MDMA-concentraties liggen doorgaans tussen ongeveer 0.1 en 0.4 mg/l. De gemeten MDMA-concentratie (van 3.9 mg/l) is een hoge concentratie, waarbij ernstige, mogelijk fatale, toxische verschijnselen kunnen optreden.
MDMA heeft een sterk stimulerend effect op het centrale zenuwstelsel, waardoor lichamelijke en geestelijke functies worden geactiveerd. Lichamelijke effecten zijn onder andere stijging van de bloeddruk en hartslag en toename van de lichaamstemperatuur. Psychische effecten die kunnen optreden zijn onder andere emotionele ontremming. toename van zelfvertrouwen (zelfoverschatting) en het verdwijnen van barrières in de communicatie. Toxische effecten die op kunnen treden na inname van een hoge dosering MDMA zijn onder andere: oververhitting, effecten op bloeddruk en hart en hallucinaties.
De gemeten MDMA-concentratie past beter bij concentraties gemeten bij personen die overleden zijn aan een MDMA-overdosis dan bij concentraties gemeten bij personen die niet aan een MDMA-overdosis zijn overleden. Echter, de gemeten concentratie kan ook bij levende personen en personen die niet zijn overleden door een MDMA-overdosis voorkomen. De gemeten hoge MDMA-concentratie kan, bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak, het overlijden verklaren.
Cocaïne
In het femoraalbloed is 0.053 mg/l cocaïne aangetoond. Er was ten tijde van het overlijden waarschijnlijk sprake van een werkzame cocaïneconcentratie. Cocaïne heeft een sterk centraal stimulerend effect, waardoor lichamelijke en geestelijke functies worden geactiveerd. Lichamelijke effecten zijn onder andere stijging van de bloeddruk en toename van de hartslag. Psychische effecten zijn onder andere een 'high' gevoel, emotionele ontremming. toename van zelfvertrouwen (zelfoverschatting) en het verdwijnen van barrières in de communicatie. Het gebruik van cocaïne tijdens zwangerschap geeft een verhoogd risico op optreden van spontane abortus.
Alcohol
In het hartbloed werd 1.2 mg/ml ethanol (alcohol) aangetoond. Effecten van alcohol, bij de gemeten concentratie, zijn onder meer een coördinatiestoornis, verstoorde waarneming, vertraagde reactietijd, onduidelijk spreken en een onvaste gang.
Ketamine
In het femoraalbloed is ongeveer 0.055 mg/l ketamine aangetoond. Dit betreft een lage ketamineconcentratie. In lage doseringen veroorzaakt ketamine een trance-achtige staat van bewustzijn met veranderingen in gedrag en waarnemingen.
De apotheker-toxicoloog komt tot de volgende conclusie.
Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het overlijden beïnvloed door de combinatie van MDMA en het omzettingsproduct MDA, cocaïne en ethanol, waarbij de stimulerende effecten van MDMA voornamelijk op de voorgrond hebben gestaan.
De gemeten MDMA-concentratie kan, bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak, het overlijden verklaren. Volgens verkregen informatie uit de voorlopige bevindingen van de patholoog, blijkt dat het overlijden in dit geval kan worden verklaard door verwikkelingen van een verscheuring van de baarmoeder gedurende de bevalling en het daardoor opgetreden bloedverlies en verbloeding.
Baby
Apotheker-toxicoloog [naam 1] heeft toxicologisch onderzoek verricht waarbij in het lichaamsmateriaal van de baby de volgende stoffen werden aangetoond. In het leverweefsel van de baby is 0.81 mg/gr ethanol (alcohol) aangetoond en in het hartbloed is (een hoge concentratie van) 3.4 mg/l MDMA, ongeveer 0.1 mg/l cocaïne en ongeveer 0,07 mg/1 ketamine aangetoond.
De apotheker-toxicoloog komt tot de volgende beschouwing en conclusie.
In het lichaamsmateriaal zijn diverse geneesmiddelen en drugs aangetoond.
In het hartbloed is een hoge concentratie van MDMA gemeten van 3,4 mg/l. Bij volwassenen leidt deze concentratie tot het optreden van toxische verschijnselen. Door ontbreken van gegevens in de literatuur Is onbekend wat werkzame en toxische MDMA- concentraties zijn bij een foetus. In vergelijking met beschikbare gegevens voor volwassenen zal de gemeten concentratie in hartbloed waarschijnlijk ook hebben geleid tot toxische effecten bij de foetus, zoals een verhoogde bloeddruk en hartslag. Ten tijde van het overlijden zal er een additief effect hebben opgetreden door cocaïne.
De gemeten MDMA-concentratie kan, al dan niet in combinatie met cocaïne, het overlijden verklaren. Echter, op basis van alleen de gemeten concentraties kan het overlijden door MDMA en cocaïne niet worden geconcludeerd. Het is niet uitgesloten dat de foetus de hoge MDMA-concentratie kan overleven.
Daarnaast komen de aangetoonde stoffen en de gemeten concentraties in het hartbloed van de foetus en de onderlinge verhouding ervan overeen met die in het femoraalbloed van de moeder.
Op basis van de hoogte, verhoudingen van de gemeten concentraties in het bloed, van zowel de foetus als de moeder, en de verschillende (kinetische) eigenschappen van de stoffen is het waarschijnlijker dat de foetus en de moeder kort na elkaar of tegelijkertijd zijn overleden dan dat de foetus eerder (tot enkele uren) is overleden dan de moeder. Hierdoor is het overlijden door MDMA van de foetus minder waarschijnlijk en een overlijden door een andere oorzaak of combinatie waarschijnlijker.
Er is vooralsnog geen aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van misoprostol en/of omzettingsproducten. Het is dus mogelijk dat misoprostolzuur in het lichaam aanwezig was. Misoprostol heeft bij therapeutisch gebruik geen directe toxische effecten op de foetus.
5.3.3.5 Pathologisch onderzoek
[slachtoffer]
Patholoog [naam 2] heeft sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer].
De patholoog constateerde weinig wegdrukbare lijkvlekken aan de rugzijde. Er was ongeveer 50 milliliter vrij bloed in de buikholte en verder waren er bleke organen en slijmvliezen en weinig bloed in de bloedsomloop. Er was een scheur van de baarmoederwand rechts reikend tot door de baarmoedermond (cervix) met een grote, paarse bloeduitstorting in de weke delen naast de baarmoeder/in het bekken. Links in de baarmoeder net voor de cervix werden meerdere blaasvormige structuren aangetroffen passend bij microscopisch bevestigde delen van de placenta (de placenta onderzocht samen met de baby bleek incompleet te zijn). Er bleken resten van de moederkoek (placenta) aan de baarmoederwand vast te zitten. Er bleek een verscheuring van de baarmoeder te bestaan (uterus ruptuur). Dit is een zeer ernstige en indien niet behandeld, fatale complicatie van een bevalling. Door de rijke voorziening van de baarmoeder (en de baby) met bloed leidt een niet behandelde uterusruptuur tot verbloeding. Het ontbreken van een normale hoeveelheid lijkvlekken, de hoeveelheid bloed in de buikholte en de bleke organen en weinig bloed in bloedsomloop passen bij verbloeding.
Conclusies met betrekking tot de doodsoorzaak van [slachtoffer] en de baby en de rol daarbij van de verdachte
Resumerend staat het volgende vast:
-
De verdachte en [slachtoffer] wilden een abortus, waarbij voorop stond dat de baby zou moeten overlijden.
-
Vanaf 4 september 2019 zijn diverse pogingen tot abortus ondernomen. Tot frustratie van de verdachte hadden deze echter niet het verlangde effect: de zwangerschap duurde voort en de baby bleef in leven.
-
De verdachte heeft op internet informatie over misoprostol gevonden. Hij deelde die informatie met [slachtoffer] en drong erop aan dat zij misoprostol zou bemachtigen voor een nieuwe poging tot aborteren.
-
Uit informatie van de bijsluiter en Apotheek.nl volgt, dat misoprostol wordt gebruikt voor het afbreken van de zwangerschap en het inleiden van een bevalling. De bevalling kan al binnen enkele uren na het innemen van de pillen plaatsvinden. Voorts blijkt daaruit dat gebruik van het middel kan leiden tot hevig bloedverlies, foetale sterfte en mogelijk fatale klachten bij de moeder. Eén van de mogelijke bijwerkingen is een baarmoederruptuur. Dit is een bijzonder ernstige aandoening waarvoor direct medisch ingrijpen noodzakelijk is. Risico’s zijn groter bij een vergevorderde zwangerschap.
-
De verdachte heeft op 29 september 2019 en 4 oktober 2019 via internet misoprostol besteld.
-
Volgens de verdachte volgden zij een schema van twee pillen misoprostol per 3 uur om tot abortus te komen. Dat komt neer op ongeveer 6 pillen en gebleken is dat 5 pillen uit strips ontbreken.
-
Nadat [slachtoffer] was begonnen met het slikken van de misoprostol heeft zij cocaïne gebruikt. Het gebruik van cocaïne tijdens zwangerschap geeft een verhoogd risico op optreden van spontane abortus.
-
De baby leefde nog toen [slachtoffer] op 16 oktober 2019 begon met het innemen van misoprostol.
-
Binnen korte tijd na het gebruik van cocaïne en het slikken van misoprostol is [slachtoffer] bevallen van de baby.
-
[slachtoffer] en de baby zijn overleden. Er waren in de woning veel bloedsporen.
-
Uit onderzoek door de patholoog bleek sprake van een baarmoederverscheuring die heeft geleid tot verbloeding.
-
In de maag van [slachtoffer] werden misoprostol en het omzettingsproduct misoprostolzuur aangetroffen. Er was ten tijde van het overlijden waarschijnlijk sprake van een werkzame cocaïneconcentratie in het bloed.
-
Het is van algemene bekendheid dat een vroeggeboren baby zonder (medische) zorg een aanmerkelijk risico loopt op overlijden binnen korte tijd na de bevalling.
5.3.4.1 Doodsoorzaak
Op basis van deze feiten en omstandigheden gaat het hof ervan uit dat het weeën-opwekkende/zwangerschap-afbrekende middel misoprostol, mogelijk in combinatie met cocaïne, de bevalling bij [slachtoffer] heeft opgewekt. Dat de bevalling spontaan heeft plaatsgevonden, in die zin dat voornoemde middelen, en dan met name de misoprostol, geen rol zouden hebben gespeeld, acht het hof zeer onwaarschijnlijk, zodat het hof aan deze mogelijkheid voorbijgaat. Tijdens die bevalling is de baarmoeder verscheurd, waarbij er sprake was van zeer veel bloedverlies. Als gevolg van de baarmoederverscheuring en het opgetreden hevige bloedverlies bij [slachtoffer], mogelijk verergerd en versneld door de ingenomen drugs, én het niet inschakelen van medische/professionele hulp zijn zowel [slachtoffer] als de baby komen te overlijden.
5.3.4.2 Levensvatbare vrucht
Het hof is daarbij van oordeel dat sprake was van een levensvatbare vrucht in de zin van artikel 82a Sr, gelet op de hiervoor vastgestelde zwangerschapsduur van ruimschoots meer dan 24 weken en bij gebreke van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel aanleiding geven.
5.3.4.3 Verstrekken
Uit het voorgaande volgt ook dat de verdachte de misoprostol-pillen aan [slachtoffer] heeft verstrekt, door deze op internet met zijn creditcard te bestellen (en daarmee te betalen) en deze vervolgens aan [slachtoffer] ter beschikking te stellen. Het hof is verder van oordeel dat de verdachte ook de drugs, die [slachtoffer] heeft ingenomen in de tenlastegelegde periode, aan haar heeft verstrekt. De XTC-pillen (MDMA) had de verdachte al in huis, zoals de verdachte zelf heeft verklaard. Met betrekking tot de andere drugs gaat het hof ervan uit dat de verdachte deze ook aan [slachtoffer] heeft verstrekt aangezien de verdachte heeft verklaard dat hij met enige regelmaat cocaïne gebruikte die hij kocht bij een vast contact en het zeer onaannemelijk is dat [slachtoffer] deze drugs zelf bij zich had vanuit Brazilië of dat zij de drugs zelf in Nederland zou hebben gekocht. Zij had immers geen geld, was niet eerder in Nederland geweest en zij sprak de taal niet. Het is onaannemelijk dat zij zou hebben geweten waar en hoe zij in Nederland aan drugs kon komen. Ten slotte gaat het hof ervan uit dat de verdachte ook de alcohol, zowel thuis als in het café, aan [slachtoffer] heeft vertrekt door deze al in huis te hebben dan wel voor haar te kopen. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] nooit alcohol gebruikte behalve als ze met de verdachte was want dan kon hij betalen. Het dossier bevat diverse aanwijzingen dat [slachtoffer], zeker tijdens haar verblijf in Nederland, volledig financieel afhankelijk was van de verdachte.
5.3.4.4 Het nalaten hulp in te schakelen
Naast dat de verdachte zich dus actief heeft opgesteld door aan [slachtoffer] diverse middelen te verstrekken die (mede) de bevalling in gang hebben gezet, heeft hij zich toen die bevalling inmiddels op gang was gekomen en [slachtoffer], die onder invloed was van drank en drugs en daarmee verminderd zelfredzaam was en veel bloed verloor, juist passief opgesteld door niet de noodzakelijke hulp in te roepen. De verdachte heeft hier bewust voor gekozen omdat hij wist dat de abortus illegaal was, zoals blijkt uit de volgende appberichten van de verdachte aan [slachtoffer] van 7 oktober 2019:
[slachtoffer]: Ik denk dat ik naar het ziekenhuis zal moeten gaan liefje
[verdachte]: Dat kan / mag niet liefje
[slachtoffer]: Ja liefje
[verdachte]: Geen verzekering en ze zullen begrijpen dat wij hebben geprobeerd hem te doden. Wij naar Orissa. Gevangenis.
[slachtoffer]: Denk je liefje?
[verdachte]: Wij naar de gevangenis. Begrijp je?
[slachtoffer]: Mijn god liefje. Ik begrijp het liefje.
[verdachte]: Je zult sterk moeten zijn
[verdachte]: Zonder ziekenhuis.
[slachtoffer]: Ik weet het liefje.
[verdachte]: Of anders zit je met een jongen met afwijkingen. Maar het ziekenhuis kan niet.
[slachtoffer]: Dat wil ik niet liefje. Ik weet het liefje
[verdachte]: Ook niet in het geval het een gevaar voor je leven is. Begrijp je?
[slachtoffer]: Ja ik begrijp het liefje
[verdachte]: Ok liefje. Aborteren is in Nederland verboden na 24 weken en wij krijgen dan 9
maanden gevangenisstraf.
5.3.4.5 Causaal verband en redelijke toerekening
Het hof stelt voorop dat de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedragingen en de tenlastegelegde gevolgen, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of die gevolgen redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Het hof is gelet op wat hiervoor aan feiten en omstandigheden en overwegingen is weergegeven van oordeel dat de dood van [slachtoffer] en de baby in redelijkheid aan hem kunnen worden toegerekend. Daarbij is van belang dat het ook de bedoeling van de verdachte was om de baby te doden, in die zin dat hij met vol opzet en met voorbedachte raad (zie hierna) de baby heeft gedood en daarmee [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. Het is het gedrag van de verdachte geweest, zowel het verstrekken van de misoprostol en de andere middelen als het nalaten van het inschakelen van de noodzakelijke hulp, dat uiteindelijk tot de fatale gevolgen voor [slachtoffer] en de baby heeft geleid. Met betrekking tot de voorzienbaarheid merkt het hof op dat de verdachte uitvoerig onderzoek op internet heeft gedaan onder andere naar de werking van misoprostol, zelfs tot aan een bijsluiter van een misoprostol-medicijn toe. Daarin worden als mogelijke bijwerkingen genoemd foetale sterfte, hevige vaginale bloedingen en een scheur in de baarmoeder, een zeer zeldzame bijwerking die onder meer kan ontstaan als de zwangerschap al vergevorderd is, zoals in deze zaak aan de orde was. Verder staat daarin beschreven dat een scheur in de baarmoeder een zeer ernstige situatie is die onmiddellijk moet worden geopereerd, reden waarom het medicijn in het geval van een vergevorderde zwangerschap altijd in een kliniek onder medisch toezicht moet worden gebruikt en niet thuis.
De verdachte schreef aan [slachtoffer] dat bij 90% van de gevallen geen ziekenhuis nodig zou zijn. Hij verklaarde daarover bij de politie: ‘Op internet stond er heel duidelijk dat meer dan 90%, 92 procent is geen ziekenhuis nodig. In 8 procent dat je wel ziekenhuis nodig hebt dat is voor bloedverlies inderdaad. Die inschatting hebben we gemaakt. Voor mij is 92 procent een redelijk hoge kans dat het goed gaat’.
Aldus heeft de verdachte ondanks de bekende risico’s zonder medische begeleiding aan [slachtoffer] misoprostol en de andere middelen verstrekt, en ook geen hulp ingeroepen tijdens de daardoor opgewekte bevalling en het optreden van de baarmoederverscheuring. Zijn gedragingen zijn daarmee in de keten van gebeurtenissen niet alleen een noodzakelijke factor geweest voor de dood van [slachtoffer] en de baby, maar hun overlijden kan daarmee ook redelijkerwijs aan hem worden toegerekend.
Alle door de verdediging aangevoerde omstandigheden/factoren, die naar de stelling van de verdediging een bijdrage kunnen hebben geleverd aan het ontstaan van de baarmoederverscheuring, maken dit niet anders.
5.3.4.6 Opzet feiten 1 primair en feit 2
Uit het voorgaande blijkt ook dat de verdachte vol opzet had op de dood van de baby en de zware mishandeling van [slachtoffer]. Ten overvloede merkt het hof met betrekking tot feit 2 op dat het overlijden van [slachtoffer], welk gevolg de verdachte kennelijk niet heeft beoogd, een geobjectiveerd gevolg is waarvoor geen opzet is vereist. Zijn opzet was gericht op de afdrijving van de baby/vrucht.
5.3.4.7 Voorbedachte raad feit 1 primair en feit 2
Verder blijkt uit het voorgaande ook dat sprake was van voorbedachte raad, in die zin dat de verdachte zich gedurende geruime tijd (meerdere maanden) heeft beraden op het besluit tot het aborteren/doden van de baby. Van een handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is overduidelijk geen sprake geweest.
Het hof acht bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zowel ten aanzien van feit 1 primair als ten aanzien van feit 2. De voorbedachte raad heeft bij beide feiten betrekking op hetzelfde besluit en dezelfde voorbereiding. Bij feit 1 primair zijn opzet en voorbedachte raad gericht op de dood van het kind. Bij feit 2 zijn zij gericht op de afdrijving of dood van de vrucht als zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Voor het gevolg dat [slachtoffer] is overleden is geen opzet vereist, zodat de voorbedachte raad zich daar evenmin op hoeft te richten. Haar dood is een geobjectiveerd gevolg dat aan de verdachte wordt toegerekend.
5.3.4.8 Feit 3: abortus provocatus
Gelet op wat hiervoor aan feiten en omstandigheden en overwegingen is weergegeven is het hof van oordeel dat het handelen van de verdachte, anders dan door de verdediging is betoogd, moet worden aangemerkt als het geven van een behandeling in de zin van artikel 296 Sr.
5.3.4.9 Overige forensische rapportages
Het hof merkt op dat het dossier een uitzonderlijk grote hoeveelheid forensische rapportages bevat, naast de rapportages waarnaar hiervoor in de voetnoten is verwezen. Met name bevat het dossier meerdere rapporten van de deskundige gynaecoloog [naam 3] en van de pathologen [naam 4] en [naam 5]. Het hof gebruikt deze rapportages niet voor het bewijs, omdat de verdediging zich daartegen heeft verzet en het hof – zoals hiervoor uiteengezet – die rapportages ook niet nodig heeft om de tenlastegelegde feiten te beoordelen.
Partiële vrijspraken
Het hof is van oordeel dat niet met een voor bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte de alcohol, de drugs en de misoprostol-tabletten aan [slachtoffer] heeft toegediend of haar heeft bewogen de middelen te nemen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Het hof is verder van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende volgt dat het slachtoffer ten tijde van het tenlastegelegde feit de levensgezel van de verdachte was, in de zin dat zij – beoordeeld naar aard en hechtheid – met de verdachte een nauwe persoonlijke betrekking onderhield die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Het enkele feit dat de verdachte en het slachtoffer een relatie en toekomstplannen hadden, is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal daarom van die strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.
Bespreking van voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om, voor het geval de rapportages van de pathologen [naam 2], [naam 4] en [naam 5] en de gynaecoloog [naam 3] worden gebruikt voor een bewezenverklaring, primair een contra-expertise (door nieuwe deskundigen) te laten verrichten en subsidiair dezelfde deskundigen vragen te laten beantwoorden zoals geformuleerd in deel 18 van de “eigen verklaring” van de verdachte. Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt dat het gaat om de rapportages van de pathologen en de gynaecoloog waarop de rechtbank de bewezenverklaring heeft gebaseerd, die in belastende zin zijn gebruikt en die de verdachte heeft betwist. Die betwisting ziet vooral op de factoren die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de (spontane) abortus en de baarmoederruptuur. Deze factoren zijn niet voldoende beoordeeld in de huidige rapportages, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft het hof de in het voorwaardelijk verzoek bedoelde rapportages van de gynaecoloog [naam 3] en de pathologen [naam 4] en [naam 5] niet bij de bewijsvoering betrokken. De door de raadsvrouw geformuleerde voorwaarde is aldus niet vervuld, zodat het verzoek op dit punt ten aanzien van deze deskundigen wordt afgewezen.
Het hof heeft wel de rapportage van de patholoog [naam 2] voor het bewijs gebruikt, maar slechts voor zover daarin is beschreven wat de patholoog bij de sectie op en in het lichaam van [slachtoffer] heeft geconstateerd, onder andere de verscheuring van de baarmoeder, een zeer ernstige en indien niet behandeld, fatale complicatie van een bevalling. Verder heeft de patholoog beschreven dat het ontbreken van een normale hoeveelheid lijkvlekken, de hoeveelheid bloed in de buikholte en de bleke organen en weinig bloed in bloedsomloop passen bij verbloeding.
Dit zijn constateringen van de patholoog die door de verdachte niet worden betwist. Van een belastend gebruik van de rapportage van de patholoog is dus geen sprake, zodat ook op dit punt de voorwaarde gesteld aan het verzoek niet is vervuld en het verzoek ook voor wat betreft de patholoog [naam 2] wordt afgewezen.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3.4.5 is overwogen en hetgeen de raadsvrouw aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, ook overigens de noodzaak tot het benoemen van nieuwe deskundigen dan wel de deskundigen [naam 3], [naam 2], [naam 4] en [naam 5] opnieuw te bevragen niet gebleken.
Het hof is de gehele procedure overziend van oordeel dat de verdachte door afwijzing van het verzoek niet in zijn verdediging is geschaad en dat, behalve ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn (zie verderop), sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
6 Bewezenverklaring
Gelet op alles wat hiervoor aan feiten en omstandigheden, overwegingen en oordelen is weergegeven acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.primair
hij in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, een door hem verwekt kind dat zich nog als ongeboren/levensvatbare vrucht na een zwangerschapsduur van circa 32 tot 37 weken in (de buik van) de moeder, te weten [slachtoffer], bevond en/of bezig was geboren te worden en/of zich in het geboortekanaal bevond en/of zeer kort tevoren geboren was opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg aan de moeder van het kind, voornoemde [slachtoffer], te verstrekken
- een hoeveelheid alcohol en cocaïne en MDMA en ketamine, waardoor voornoemde [slachtoffer] onder invloed en/of verminderd zelfredzaam is geraakt, terwijl één of meer van deze stoffen bijdroegen aan het op gang komen van de bevalling en/of de na te noemen uterusruptuur en/of een nadelige uitwerking/doorwerking hadden op het nog ongeboren kind, en
- 5 door verdachte via internet bestelde en per post bezorgde abortuspillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol, als gevolg waarvan de bevalling op gang is gekomen en/of vervolgens een uterusruptuur (verscheuring van de baarmoeder) is ontstaan bij voornoemde [slachtoffer] en/of vervolgens hevig bloedverlies is opgetreden bij voornoemde [slachtoffer],
zulks terwijl verdachte geen (professioneel/professionele) medisch(e) toezicht/zorg/begeleiding/hulp heeft ingelicht/geraadpleegd/ingeroepen/ingeschakeld en/of geen medische hulpdienst (ambulance) heeft gealarmeerd, ook niet nadat hij constateerde dat voornoemde [slachtoffer] onder invloed van één of meer van de hiervoor genoemde stoffen en/of dientengevolge verminderd zelfredzaam was en/of nadat hij constateerde dat er sprake was van veel bloedverlies bij voornoemde [slachtoffer] ten gevolge waarvan het kind is overleden;
2.
hij in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, aan een persoon, te weten zijn partner [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten afdrijving en dood van haar door hem verwekte vrucht heeft toegebracht, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg aan voornoemde [slachtoffer] terwijl zij circa 32 tot 37 weken zwanger was te verstrekken:
- een hoeveelheid alcohol en cocaïne en MDMA en ketamine, waardoor voornoemde [slachtoffer] onder invloed en/of verminderd zelfredzaam is geraakt, terwijl één of meer van deze stoffen bijdroegen aan het op gang komen van de bevalling en/of de na te noemen uterusruptuur en/of een nadelige uitwerking/doorwerking hadden op het nog ongeboren kind, en
-5 door verdachte via internet bestelde en per post bezorgde abortuspillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol, als gevolg waarvan de bevalling op gang is gekomen en/of vervolgens een uterusruptuur (verscheuring van de baarmoeder) is ontstaan bij voornoemde [slachtoffer] en/of vervolgens hevig bloedverlies is opgetreden bij voornoemde [slachtoffer],
zulks terwijl verdachte geen (professioneel/professionele) medisch(e) toezicht/zorg/begeleiding/hulp heeft ingelicht/geraadpleegd/ingeroepen/ingeschakeld en/of geen medische hulpdienst (ambulance) heeft gealarmeerd, ook niet nadat hij constateerde dat voornoemde [slachtoffer] onder invloed van één of meer van de hiervoor genoemde stoffen en/of dientengevolge verminderd zelfredzaam was en/of nadat hij constateerde dat er sprake was van veel bloedverlies bij voornoemde [slachtoffer], ten gevolge waarvan de vrucht is afgedreven en/of overleden en voornoemde [slachtoffer] is overleden;
3.
hij in periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, zijn partner. [slachtoffer], een behandeling heeft gegeven waarvan hij wist, dat daardoor haar zwangerschap kon worden afgebroken, immers heeft hij, verdachte, aan voornoemde [slachtoffer] verstrekt 5 abortus pillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol, terwijl het feit haar dood ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
7 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Meerdaadse samenloop
Anders dan de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat sprake is van twee zelfstandige vervullingen van de delictsomschrijving, nu het twee slachtoffers betreft. Daarom is geen sprake van eendaadse, maar van meerdaadse samenloop.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
moord.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
een vrouw een behandeling geven terwijl hij weet dat daardoor de zwangerschap kan worden afgebroken, terwijl het feit de dood van de vrouw ten gevolge heeft.
8 Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
9 Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: de tbs-maatregel) opgelegd.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren en 9 maanden met aftrek van het voorarrest, en tot oplegging van de tbs-maatregel. Zij hebben bij requisitoir uitvoerig uiteengezet op grond waarvan zij concluderen dat de verdachte degene was die wilde aborteren, en dat hij [slachtoffer] zo heeft gemanipuleerd en geïndoctrineerd dat zij zich aan hem en die wens heeft overgegeven/onderworpen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat [slachtoffer] een eigen wil tot aborteren had, en dat er geen sprake van was dat zij onder dwang van de verdachte met de abortus akkoord was gegaan.
Verder heeft de raadsvrouw het hof verzocht rekening te houden met de schending van de redelijke termijn, waarbij, gelet op de forse schending, een strafvermindering van ten minste 25% aangewezen is.
Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen per 1 juli 2021, de feitelijke detentie bij de verdachte aanzienlijk langer uitvalt, dan onder het oude regime – bij een tijdige berechting – het geval zou zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft de raadsvrouw het hof verzocht aan te sluiten bij vergelijkbare uitspraken uit die periode en een lagere straf op te leggen.
Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel heeft de raadsvrouw primair betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat ten tijde van het feit bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rapporten bieden daarvoor geen basis en een stoornis volgt ook niet uit de feiten of verklaringen van de verdachte. De weigerachtige houding van de verdachte zegt ook niets over de aanwezigheid van een stoornis, maar is duidelijk herleidbaar tot zijn procespositie. Ook is het recidivegevaar onvoldoende onderbouwd.
Subsidiair heeft de verdediging, voor het geval het hof toch oplegging van de tbs-maatregel overweegt, verzocht rekening te houden met de lange wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek, die pas ingaat nadat de gevangenisstraf is uitgezeten.
Overwegingen van het hof
Uit het geheel aan berichten tussen de verdachte en [slachtoffer] rijst, zoals de rechtbank heeft overwogen en de advocaten-generaal hebben betoogd, het beeld op van een dwingende, eisende en controlerende verdachte, tegenover een volgzame [slachtoffer]. Toch ziet het hof geen aanleiding om van zo’n rolverdeling uit te gaan bij de waardering van verdachtes aandeel in de abortus en het dientengevolge overlijden van [slachtoffer] en de baby, in verband met het volgende. Vaststaat dat de verdachte en [slachtoffer] gedurende ongeveer twee jaar een relatie hebben gehad. Daarin hebben zij verschillende periodes samen in Brazilië verbleven, tijdens (lange) vakanties van de verdachte. Ook staat vast dat de verdachte en [slachtoffer] veel hebben ge(beeld)beld. Van alle communicatie die live dan wel al bellend heeft plaatsgevonden, is in het dossier begrijpelijkerwijs niets terug te vinden. Getuigenverklaringen over hoe de verhouding tussen de verdachte en [slachtoffer] eruit zag, zijn bijzonder schaars. Bij die stand van zaken past behoedzaamheid bij het trekken van conclusies, alleen op grond van de (vele) voorhanden tekstberichten, die bovendien niet alle vertaald zijn. Het hof kan niet uitsluiten dat [slachtoffer] zelf, uit eigen beweging, heeft gekozen voor abortus; het kan zelfs zo zijn dat zij dat idee als eerste naar voren heeft gebracht.
Passende straf
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Twee mensen zijn overleden, omdat de verdachte geen zoontje maar een dochtertje wilde. Hij heeft aan zijn hoogzwangere vriendin [slachtoffer] misoprostol tabletten, een grote hoeveelheid MDMA en daarnaast alcohol, cocaïne en ketamine verstrekt. Met de misoprostol tabletten wilde hij een illegale abortus en de dood van de baby tot stand brengen. Daarmee heeft hij niet alleen doelbewust het leven van de baby willen beëindigen, maar heeft hij bovendien onaanvaardbare risico’s genomen met het leven van [slachtoffer], zeker gelet op de al vergevorderde zwangerschap. Dat die risico’s er waren, wist de verdachte terdege door zijn zoektocht op internet. Hij heeft daarover verklaard dat hij op internet had gevonden dat in 92 procent van de gevallen geen ziekenhuis nodig zou zijn. Dat volgens die inschatting in 8 procent van de gevallen dus wél een ziekenhuis nodig was voor bloedverlies, ja ‘die inschatting hadden ze gemaakt’. Voor de verdachte was 92 procent ‘een redelijk hoge kans dat het goed gaat’.
Als gevolg van de inname van de middelen is de bevalling op gang gekomen en is uiteindelijk een scheur in de baarmoeder ontstaan, wat tot hevig bloedverlies bij [slachtoffer] heeft geleid. De verdachte heeft, ook nadat hij dit had geconstateerd, nagelaten om medische/professionele hulp in te schakelen. Als gevolg van zijn handelen en nalaten zijn de baby en [slachtoffer] overleden.
De verdachte heeft op grove wijze de baby het meest elementaire recht dat een mens toekomt, namelijk het recht op leven, ontnomen en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], wat haar dood tot gevolg heeft gehad. [slachtoffer] stierf ver van haar Braziliaanse naasten, in de woning van de verdachte in Diemen. Hij heeft er onder meer voor gezorgd dat [slachtoffer] haar jonge kinderen en de baby niet kan zien opgroeien. Ook heeft hij bewerkstelligd dat [slachtoffer]’s zoons al vanaf jonge leeftijd zonder moeder moeten opgroeien. Daarnaast heeft de verdachte aan de andere nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Ook zij zullen moeten leven met het gemis van [slachtoffer]. Voor hen allen geldt dat zij nog steeds in onzekerheid verkeren over wat zich precies heeft afgespeeld in de laatste momenten van het leven van hun dierbare, wat het verwerken van het verlies nog zwaarder maakt. Feiten als in deze zaak aan de orde dragen bovendien in hoge mate bij aan gevoelens van onrust en verontwaardiging in de samenleving.
Daarnaast weegt het hof ten nadele van de verdachte mee dat hij op geen enkel moment inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen en steeds alle verantwoordelijkheid bij [slachtoffer] heeft gelegd.
Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, komt alleen een vrijheidsbenemende straf van zeer lange duur in aanmerking, ter algemene en bijzondere preventie en ter vergelding van het leed dat de verdachte het slachtoffer en de nabestaanden heeft aangedaan. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend en geboden.
Redelijke termijn
De verdachte heeft recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Het hof hanteert daarvoor de maatstaf van 16 maanden per feitelijke instantie, omdat de verdachte sinds zijn aanhouding en inverzekeringstelling op 18 oktober 2019 onafgebroken in voorlopige hechtenis heeft verbleven. In de omstandigheid dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de redelijke termijn in zeer ruime mate is overschreden ziet het hof reden om de op te leggen straf te matigen. In eerste aanleg is de redelijke termijn van 16 maanden met ruim 40 maanden overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 5 juli 2024, terwijl het hof arrest wijst op 28 oktober 2026. Daarmee is in hoger beroep de redelijke termijn opnieuw met ruim 11 maanden overschreden. Verder stelt het hof vast dat de overschrijding van de redelijke termijn niet te wijten is aan het handelen van de verdachte en dat de lange duur van deze strafzaak voor de verdachte, zo blijkt uit zijn verklaring in hoger beroep, zeer belastend is geweest. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.
Wet straffen en beschermen
Op 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Gedetineerden die na 1 juli 2021 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan zes jaar zullen door deze regeling in de regel later vrijkomen dan gedetineerden die voor 1 juli 2021 tot een gevangenisstraf van dezelfde duur zijn veroordeeld. De wetgever heeft ervoor gekozen de nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing te laten zijn op alle veroordelingen tot een vrijheidsstraf die na 1 juli 2021 zijn uitgesproken.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, ziet het hof geen aanleiding om daarvan af te wijken en in strafmatigende zin rekening te houden met deze regeling.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering (verder: Sv), aan de orde is.
Tbs-maatregel
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van de verscheidene rapportages die zien op de persoon van de verdachte en verband houden met de bewezenverklaarde feiten.
Uit de in de hoger beroepsfase opgemaakte Pro Justitia rapportage van 11 november 2025 komt naar voren dat de verdachte opnieuw niet heeft meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) en de totstandkoming van de rapportage, waardoor onvoldoende onderzoek mogelijk was naar de vraag of sprake is van een psychische stoornis. Daardoor konden de rapporteurs dan ook geen uitspraken doen over de invloed van eventuele psychopathologie op de ten laste gelegde feiten of over een mogelijk pathologisch recidiverisico. In het rapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
Zijn weigering leidt ertoe dat geen zicht wordt verkregen op zijn innerlijke belevingen en psychisch functioneren. Op basis van de observatie en gespreksindrukken bestaan geen directe aanwijzingen voor psychiatrische problematiek in engere zin, zoals een psychotische stoornis (zoals wanen of hallucinaties), of een ernstige stemmingsstoornis (bijvoorbeeld een depressie). Bij de betrokkene vallen een aantal aspecten op zoals de detailgerichtheid, enkele dagelijkse repetitieve handelingen die een strakke structuur volgen, de emotionele geslotenheid en enige mogelijke beperkingen in de non-verbale communicatie: hij vertoont emotioneel vlakke affecten. Zijn detailgerichtheid is opvallend zichtbaar in zowel de gesprekken als hoe hij te werk gaat door zeer gedetailleerd schriftelijk te reageren. Dit kunnen aspecten vormen die geassocieerd worden of onderdeel uitmaken van een autismespectrumstoornis. Dit geldt eveneens voor opvallende gedragspatronen op de afdeling). Echter verdere uitvoerige diagnostiek naar een autismespectrumstoornis kan niet worden uitgevoerd, mede omdat een meer gedetailleerd
zicht op eventuele (pervasieve) ontwikkelingsproblematiek van de kinder- en jeugdjaren ontbreekt in combinatie met zijn weigering deel te nemen aan onder meer testonderzoek. Evenmin werd zicht verkregen op zijn sociale interactie gedurende zijn leven. Een autismespectrumstoornis kan dientengevolge niet worden vastgesteld, noch worden uitgesloten. Door de weigering van betrokkene om mee te werken, zijn procespositie en de beperkte collaterale informatie is geen inkleuring van de persoonlijkheid mogelijk, maar kan een eventuele stoornis daarin ook niet uitgesloten worden. Er lijkt bij betrokkene sprake van een beperkte verwerking van emoties. Niet uitgesloten wordt dat zijn procespositie dit beeld (mede of allesoverheersend) bepaalt.
Doordat ondergetekenden niet hebben kunnen onderzoeken of betrokkene door eventuele psychopathologie werd beperkt in zijn gedragskeuzes ten tijde van de ten laste gelegde feiten, of verminderd in staat was zijn gedrag te controleren of te overzien en er geen pathologisch bepaald risico op herhaling van delictgedrag kan worden vastgesteld, kunnen zij ook geen antwoord geven op alle overige vragen.
Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de volgende Pro Justitia rapportages die gedurende de procedure in eerste aanleg zijn opgemaakt:
-
een Pro Justitia rapport van 15 januari 2020, opgesteld door GZ-psycholoog [naam 6];
-
een Pro Justitia rapport van 22 januari 2020, opgesteld door psychiater [naam 7];
-
een Pro Justitia rapport van 5 oktober 2020 van het NIFP. locatie PBC, opgesteld door psychiater [naam 8] en GZ-psycholoog [naam 9];
-
een aanvullend Pro Justitia rapport van 11 juli 2023. opgesteld door GZ-psycholoog [naam 6] en
-
een aanvullend Pro Justitia rapport van 8 januari 2024, opgesteld door psychiater [naam 7].
Psycholoog [naam 6] heeft op 15 januari 2020 onder meer als volgt gerapporteerd:
Betrokkene gaf bij aanvang van het Psychologisch Onderzoek aan dat hij zijn volledige medewerking aan het onderzoek wilde verlenen, hetgeen hij vervolgens deels heeft gedaan. Betrokkene weigerde gegevens te verstrekken die het inwinnen van heteroanamnestische informatie mogelijk zouden hebben kunnen maken. Betrokkene vulde een groot deel van een der aangeboden vragenlijsten niet in.
[…]
In termen van de DSM-5 kan in het geval van betrokkene niet worden gesproken over het bestaan van een expliciete narcistische persoonlijkheidsstoornis maar wel van het bestaan van narcistische trekken.
[…]
In diagnostische zin wordt wat de persoonlijkheidspathologie van betrokkene derhalve niet gekozen voor het vaststellen van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, want daarvoor ontbreekt binnen de onderhavige psychologische rapportage te veel informatie over betrokkene op meerdere levensgebieden. Wel kan met de nodige omzichtigheid worden gesproken de meer algemene benaming van een “Andere
gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis” waarbij de narcistische trekken van betrokkene dus
vermoedelijk wel overheersend zijn.
Psychiater [naam 7] heeft op 22 januari 2020 onder meer als volgt gerapporteerd:
Als betrokkene weigert onderzocht te worden, tot welke overwegingen van de onderzoeker geeft die welgering aanleiding?
Door de weigering van betrokkene om toestemming te verlenen om collaterale informatie verzamelen en referenten te spreken is er alleen informatie beschikbaar vanuit de visie van betrokkene. Deze weigering heeft als consequentie dat onderzoeker de gegevens zoals verstrekt door betrokkene niet heeft kunnen verifiëren en falsifiëren wat de betrouwbaarheid van het onderzoek niet heeft verbeterd. Daarnaast is ook niet mogelijk geweest een uitspraak te doen of er sprake was van een eventuele stoornis ten tijden van de ten laste gelegde, een causaliteitsverband en een doorwerking van de eventuele stoornis in de tenlastelegging. Ook was het hierdoor niet mogelijk te adviseren of de tenlastelegging aan betrokkene toegerekend kon worden. Daardoor was ook geen risicoanalyse mogelijk. Tevens is er door de eenzijdige informatie onvoldoende zicht ontstaan op het functioneren van betrokkene en is ook van invloed geweest op het stellen van een eventuele stoornis.
Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (geestesstoornis) en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
Door de beperkte informatie, gecombineerd met het forensisch-psychiatrisch onderzoek tijdens de onderzoekscontacten kon gesteld worden, dat er differentiaal diagnostisch mogelijk sprake lijkt te zijn van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische-trekken. Een specifieke classificatie is niet mogelijk door het gebrek aan essentiële biografische gegevens informatie.
Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?
Zoals in vraag 1 vastgesteld kan hierop geen antwoord gegeven worden.
De deskundigen van het PBC concluderen op 5 oktober 2020 als volgt:
Op grond van het bovenstaande menen ondergetekenden dat het huidig onderzoek zo beperkt is dat zij geen uitspraak kunnen doen over betrokkenes psychische c.q. psychiatrische toestand noch over zijn persoonlijkheid. Derhalve valt niet te bepalen (dan wel uit te sluiten) of betrokkene thans, dan wel in de aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde, lijdende is (was) aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.
Resumeren: het geheel overziend komen ondergetekenden vanwege de forse beperkingen van het onderzoek tot de conclusie dat zij de vraagstelling van Uw College niet kunnen beantwoorden aangezien zij niet in staat zijn diagnostische en forensische conclusies te trekken.
Psycholoog [naam 6] heeft op 11 juli 2023 onder meer als volgt aanvullend gerapporteerd:
In hoeverre geven de opgegeven dossierstukken betreffende het berichtenverkeer tussen de verdachte en het slachtoffer de deskundigen aanleiding hun eerder uit gebrachte rapportages d.d. 15 en 22 januari 2020 en de daarin beantwoorde vraag stelling aan te vullen dan wel te wijzigen?
Het berichtenverkeer tussen de verdachte en zijn toenmalige partner samenvattend is ondergetekende van mening dat de communicatie tussen betrokkene en zijn toenmalige partner wat betrokkene betreft aanzienlijke kenmerken laat zien van de kern-symptomen van narcisme. Op basis van deze aanvullingen kan de DSM-5-TR classificatie Andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische
trekken als werkhypothese slechts worden bevestigd en derhalve worden gehandhaafd. Verdere wijzigingen in de conclusies van de eerdere psychologische rapportage hoeven niet te worden aangebracht.
Geeft het tijdsverloop sinds genoemde rapportage reden om de bevindingen en conclusies daarin aan te vullen dan wel te wijzigen?
Sinds het uitbrengen van de psychologische rapportage van 15 januari 2020 is er naar de mening van ondergetekende geen sprake van veranderde omstandigheden die aanleiding geven om de bevindingen en conclusies daarin aan te vullen dan wel te wijzigen.
Is onderzochte lijdende aan een psychische stoornis, verstandelijke beperking en/of psychogeriatrische aandoening en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
Getuige de resultaten van het psychologisch en het aanvullend psychologisch onderzoek is er bij betrokkene in termen van de DSM-5-TR sprake van het bestaan van een Andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.
Psychiater [naam 7] heeft op 8 januari 2024 onder meer als volgt aanvullend gerapporteerd:
In hoeverre geven de opgegeven dossierstukken betreffende het berichtenverkeer tussen de verdachte en het slachtoffer de deskundigen aanleiding hun eerder uit gebrachte rapportages d.d. 15 en 22 januari 2020 en de daarin beantwoorde vraagstelling aan te vullen dan wel te wijzigen?
De eerder gestelde classificatie andere ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken kan op grond van het berichtenverkeer verder worden ondersteund en gehandhaafd blijven.
Daarnaast zijn uit het berichtenverkeer nog een aantal andere observaties opgevallen, te weten:
Hypothetisch gezien, kan tenslotte gesteld worden, dat naast aanwijzingen voor (1) Narcistische persoonlijkheidsproblematiek, ook gedragingen aanwezig lijken te zijn passend bij (2) de B-cluster persoonlijkheidsproblematiek met psychopathische trekken, zo valt uit het berichtenverkeer op te merken. Ook een (3) deviante seksuele interesse valt op, zoals seksueel sadisme (de ander poep laten eten, plassen en overgeven, waar hij blij van werd en zij niet). In hoeverre sprake is van seksueel sadisme als seksuele stoornis, is niet goed vast te stellen om eerder beschreven redenen.
Er moet nadrukkelijk gesteld worden dat dit op grond van het berichtenverkeer is gededuceerd. Een persoonlijkheidsonderzoek is steeds geweigerd en bovenstaande bevindingen/opmerkingen moeten dan ook als zodanig, met enige terughoudendheid, gewaardeerd worden.
Verder heeft het hof acht geslagen op wat de deskundigen [naam 7] en [naam 6] op de zitting in eerste aanleg hebben verklaard.
Het hof stelt vast dat geen van de deskundigen daadwerkelijk een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte heeft kunnen vaststellen, ondanks dat daar aanwijzingen voor waren. De psychiater en psycholoog spreken van mogelijke narcistische persoonlijkheidstrekken en de onderzoekers in het PBC geven aan dat een inkleuring van de persoonlijkheid van de verdachte niet mogelijk is, maar dat een eventuele stoornis daarin ook niet uitgesloten kan worden. Het hof onderkent dat het aan de rechter is om al dan niet te komen tot de vaststelling van – kort gezegd – een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat in bepaalde gevallen ook zonder een daartoe strekkend rapport van een gedragsdeskundige de rechter tot de conclusie kan komen dat daarvan bij de verdachte sprake is. Daarbij geldt bovendien dat die stoornis niet hoeft te zijn geclassificeerd op grond van de DSM-V. Echter, mede gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) omtrent kort gezegd (strafrechtelijke) detentie vanwege een geestelijke stoornis, kan een dergelijke vaststelling zonder een daartoe strekkende conclusie van een gedragsdeskundige slechts in uitzonderlijke gevallen door de rechter zelf worden gedaan. In ieder geval zal op betrouwbare wijze, gebaseerd op bevindingen van een gedragsdeskundige, moeten zijn gebleken dat de verdachte (ten tijde van het tenlastegelegde) leed aan een dergelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Het hof is van oordeel dat, alhoewel de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige feiten, het over onvoldoende aanknopingspunten beschikt om met een voldoende mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat deze ook aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde feiten.
Het hof is daarmee van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel en zal daartoe dan ook niet overgaan. Met betrekking tot het zogenaamde gevaarscriterium (de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen) overweegt het hof ten overvloede dat het in deze zaak gaat om feiten die in zeer specifieke omstandigheden zijn gepleegd, te weten naar aanleiding van een ongewenste zwangerschap binnen een relatie die al meerdere jaren duurde. Dit is een situatie die zich niet snel opnieuw zal voordoen. Daarnaast volgt uit de justitiële documentatie van de verdachte dat hij een blanco strafblad heeft. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien brengen het hof tot het oordeel dat evenmin is voldaan aan het gevaarscriterium, wat ook in de weg staat aan de oplegging van een tbs-maatregel.
10 Vorderingen van de benadeelde partijen
Inleiding
In dit strafproces hebben de volgende nabestaanden van de slachtoffers als benadeelde partij schadevergoeding gevorderd:
Kinderen van [slachtoffer]:
[nabestaande 1] en [nabestaande 2]
Ouders van [slachtoffer] en grootouders van de baby:
[nabestaande 3] en [nabestaande 4]
Zus van [slachtoffer] en tante van de baby:
[nabestaande 5]
Voor het hof staat buiten twijfel dat de nabestaanden diep zijn getroffen door het overlijden van hun dierbaren. Het hof heeft oog voor het verdriet en het leed dat zij ondervinden als gevolg daarvan. Dat neemt niet weg dat de rechter een vordering tot vergoeding van schade alleen kan toewijzen als de wet daarvoor een grondslag biedt en zich ook aan de wettelijke regels moet houden als de hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald. Mede gelet op het debat tussen de partijen over de juridische grondslag van en de (vorm)vereisten met betrekking tot de vorderingen zal het hof, na de standpunten van de partijen, eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna die vorderingen afzonderlijk zullen worden beoordeeld.
Standpunten partijen
Standpunt advocaat benadeelde partijen
De advocaat van de benadeelde partijen heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat alle benadeelde partijen de vorderingen in hoger beroep handhaven en het hof verzocht deze toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 oktober 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Ten aanzien van de minderjarige zonen van [slachtoffer] heeft de advocaat, onder verwijzing naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2026 waarbij mr. [naam 11] als bijzonder curator van de minderjarigen is benoemd, het hof verzocht om deze benadeelde partijen – anders dan de rechtbank – wel ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Verder heeft zij ten aanzien van deze benadeelde partijen verzocht om niet, zoals wel gebruikelijk bij minderjarige benadeelde partijen, te bepalen dat de te betalen schadevergoeding op een BEM-rekening wordt gestort (BEM-clausule). Zij heeft daartoe aangevoerd dat de nabestaanden in grote armoede leven en dat het openen van een BEM-rekening ten behoeve van de kinderen, vanwege de zeer moeizame toegang tot instanties, waarschijnlijk niet mogelijk is, waardoor uitkering zou uitblijven en de bedoeling van het Besluit affectieschade teniet zou worden gedaan. Op de zitting in hoger beroep heeft de advocaat (subsidiair) voorgesteld de te betalen bedragen aan de minderjarigen te laten overmaken op de derdengelden-rekening van mr. [naam 11]. Verder heeft zij in reactie op de verdediging nog aangevoerd dat van eigen schuld van de zijde van [slachtoffer] geen sprake is en de causale verdeling niet ziet op vergoeding van de affectieschade. Het is niet de bedoeling van de wetgever om de forfaitaire bedragen vanwege eigen schuld te matigen, aldus nog steeds de advocaat van de benadeelde partijen.
Standpunt advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft het hof, gelet op de bepleite vrijspraak, primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, dan wel de vorderingen af te wijzen.
Subsidiair heeft zij betoogd dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat geen van de voegingsformulieren volledig is ingevuld en onvoldoende vaststaat dat sprake is van een rechtsgeldige machtiging van de gestelde benadeelde partijen. Ten aanzien van het verzoek om geen BEM-clausule toe te passen, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het onduidelijk is op welke rekening het uit te keren bedrag gestort moet worden, waardoor er geen zicht op is waar het geld terechtkomt. Ook dit zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de minderjarige benadeelde partijen. Ten aanzien van de gevorderde repatriërings- en lijkbezorgingskosten heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze kosten reeds zijn voldaan met gelden die onder de verdachte in beslag waren genomen, zodat deze kosten niet door de benadeelde partij zijn gedragen en haar vordering om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt. Voor zover een vergoeding wegens affectieschade zou worden toegewezen, heeft de raadsvrouw het hof verzocht om de vergoeding met 50 procent te matigen, wegens de eigen schuld van [slachtoffer]. Zij heeft daarbij aangevoerd dat het alcohol- en drugsgebruik van [slachtoffer] mogelijk heeft bijgedragen aan het ontstaan en verloop van de medische toestand en daarmee aan haar overlijden.
Tot slot heeft de raadsvrouw het hof verzocht om, bij een eventuele schadevergoedingsmaatregel, rekening te houden met de financiële situatie van de verdachte en zijn betalingsonmacht.
Juridisch kader
Voor anderen dan het slachtoffer (‘derden’) die schade lijden door de verwonding of het overlijden van het slachtoffer, bieden de artikelen 107, 107a en 108 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een recht op vergoeding van schade. Zo biedt artikel 6:108 lid 2 BW aan nabestaanden een aanspraak op vergoeding van kosten van lijkbezorging. Daarnaast bieden artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b en 6:108 lid 3 BW aan (een aantal) naasten en nabestaanden een aanspraak op een vast bedrag aan smartengeld. Dit wordt ook wel ‘affectieschade’ genoemd. De hoogte van de vergoedingen van affectieschade is vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Voor zover het gaat om het leed dat naasten en nabestaanden is aangedaan, bieden de wet en de jurisprudentie alleen ruimte voor de vergoeding van affectieschade, afgezien van het bijzondere en hier niet aan de orde zijnde geval van schokschade.
Overwegingen van hof
De gevoerde verweren
Ontvankelijkheid van de vorderingen
Het hof stelt vast dat alle benadeelde partijen zich in eerste aanleg op de juiste wijze hebben gevoegd in het strafproces. Gelet op artikel 51g lid 3 Sv kan voeging immers onder meer plaatsvinden ter terechtzitting door schriftelijke of mondelinge opgave. Wat er ook zij van de wijze waarop de vorderingen voorafgaand aan de terechtzitting ter kennis van de officier van justitie zijn gebracht, blijkens het proces-verbaal van de zitting zijn de schriftelijke vorderingen aldaar (tijdig) toegelicht door de toenmalige advocaten.
De benadeelde partij kan zich in hoger beroep, op grond van artikel 421 lid 3 Sv, opnieuw voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. Ook in hoger beroep geldt dat de voeging van de benadeelde partij niet hoeft plaats te vinden door middel van het in artikel 51g lid 1 Sv voorgeschreven voegingsformulier. Een mededeling van of namens de benadeelde partij, dat zij prijs stelt op een voortzetting van de behandeling van haar vordering in hoger beroep, volstaat. De gemachtigd advocaat heeft ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partijen de vorderingen gehandhaafd en toegelicht. Zij heeft daarbij toegelicht dat zij door tussenkomst van het consulaat contact heeft gehad met de zus van [slachtoffer], die de gehele familie vertegenwoordigt. De bijzonder curator heeft bovendien telefonisch contact gehad met de minderjarigen en hun vader. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan haar machtiging door de nabestaanden.
Voor wat betreft de vorderingen van de minderjarige nabestaanden geldt dat zij op grond van artikel 51f lid 4 Sv moeten beschikken over een wettelijke vertegenwoordiger. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de rechtbank Amsterdam op 10 september 2026 mr. [naam 11] heeft benoemd als bijzondere curator van de minderjarigen zoals bedoeld in artikel 1:250 BW. De curator heeft bij de benoeming in het bijzonder de bevoegdheid gekregen om namens de minderjarigen de vordering benadeelde partij ter zake van affectieschade in hoger beroep te handhaven en overigens alle in die procedure noodzakelijke handelingen namens de minderjarigen te verrichten. Blijkens een mail van 10 september 2026 heeft de bijzondere curator de advocaat dienovereenkomstig gemachtigd en opdracht gegeven.
Naar het oordeel van het hof zijn, gelet op het voorgaande, de vorderingen van alle benadeelde partijen ontvankelijk.
Eigen schuld verweer
Naar aanleiding van het beroep op eigen schuld aan de kant van [slachtoffer], van wie het alcohol- en drugsgebruik mogelijk heeft bijgedragen aan het ontstaan en verloop van de medische toestand en daarmee aan haar overlijden, overweegt het hof als volgt. Het is juist dat [slachtoffer]’s alcohol- en drugsgebruik kan hebben bijgedragen aan haar overlijden. Gelet op de hiervoor onder 5.3.3.4 weergegeven resultaten van het toxicologisch onderzoek en het hiervoor onder 5.3.4 vastgestelde, was de misoprostol inname zonder meer geëigend om de bevalling op te wekken en tot baarmoederverscheuring te leiden. In het kader van de causale verdeling van gedragingen, gaat het hof uit van een substantieel kleiner aandeel van de gebruikte alcohol en drugs in het overlijden, dan van de ingenomen misoprostol. Ook gaat het hof ervan uit dat de omstandigheid dat de verdachte geen medische hulp heeft ingeschakeld tijdens de bevalling en het ontstaan van de baarmoederverscheuring een substantieel aandeel heeft gehad in het overlijden. Het gevoerde eigen schuld verweer ziet noch op de inname van misoprostol, noch op het niet inschakelen van medische hulp. Voorts zijn de alcohol en drugs weliswaar door [slachtoffer] gebruikt, maar door de verdachte aan [slachtoffer] verstrekt. Alles afwegende stelt het hof de causale verdeling vast op 90% aan de kant van de verdachte en 10% aan de kant van [slachtoffer].
Het hof laat echter de vergoedingsplicht van de verdachte geheel in stand en brengt daarop dus geen 10% in mindering, omdat de billijkheid dit naar het oordeel van het hof eist. Het hof weegt daarbij allereerst de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten mee. De verdachte heeft immers aangedrongen op het gebruik van misoprostol, ondanks de hem bekende risico’s, en hij was degene die blijkens zijn tekstberichten [slachtoffer] wilde weerhouden van de gedachte om naar het ziekenhuis te moeten gaan, ‘ook niet in het geval het een gevaar voor haar leven zou zijn’. Voorts weegt het hof mee dat het door het overlijden veroorzaakte leed zich naar zijn aard eigenlijk niet in geld laat uitdrukken, maar in elk geval vele malen groter moet worden gewaardeerd dan de door de overheid in het kader van affectieschade vastgestelde forfaitaire bedragen van € 20.000,00 per benadeelde partij, zoals hier aan de orde.
Het verweer wordt daarom verworpen.
Draagkrachtverweer
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de draagkracht van de verdachte in beginsel geen rol speelt bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr. Onvoldoende onderbouwd is dat in het geval van de verdachte sprake is van een uitzonderlijke situatie die ertoe zou moeten leiden dat geen schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, dan wel dat het schadebedrag op die grond wordt gematigd. De enkele stelling dat de verdachte geen geld of andere middelen heeft, is ontoereikend. Het hof verwerpt het verweer.
De vorderingen van de benadeelde partijen
[nabestaande 1] en [nabestaande 2]
De benadeelde partijen hebben ieder verzocht om de vergoeding van affectieschade voor een bedrag van € 20.000,00. De rechtbank heeft beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, omdat zij minderjarig zijn en (destijds) geen wettelijk vertegenwoordiger hadden. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep, via hun gemachtigde advocaat en de bijzondere curator, opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vorderingen.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen elk op grond van het Besluit vergoeding affectieschade als kind van [slachtoffer] recht hebben op een vergoeding van € 20.000,00.
Met betrekking tot de BEM-clausule overweegt het hof dat de oplegging daarvan wettelijk niet is verplicht (Eerste Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 33 552). Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende gebleken dat de oplegging van de BEM-clausule in de onderhavige zaak tot moeilijkheden kan leiden bij de inning van de schadevergoeding. Het hof zal de BEM-clausule dan ook niet opnemen. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de bijzondere curator bereid is de schadevergoeding op zijn derdengeldenrekening zo nodig te bewaren tot het moment waarop de minderjarige benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Het hof ziet daarin voldoende waarborg dat de belangen van de minderjarige benadeelde partijen in acht worden genomen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
[nabestaande 3] en [nabestaande 4]
De benadeelde partijen hebben ieder verzocht om de vergoeding van affectieschade voor een bedrag van € 20.000,00. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vorderingen.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen elk op grond van het Besluit vergoeding affectieschade als ouders van [slachtoffer] en grootouders van de baby recht hebben op een vergoeding van € 20.000,00.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
[nabestaande 5]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.645,10 aan materiële schade voor repatriëringskosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de kosten van repatriëring door de benadeelde zelf zijn betaald of dat die kosten later nog door een ander op haar verhaald kunnen worden. Het openbaar ministerie heeft de kosten namelijk betaald met de gelden die onder de verdachte in beslag zijn genomen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat dit met zijn goedvinden is gebeurd. In die zin heeft de benadeelde partij geen financiële schade geleden en is evenmin gebleken dat bij haar een betalingsverplichting aan de verdachte of het openbaar ministerie is ontstaan. Om die reden komen de opgevoerde kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering wordt daarom afgewezen.
11 Beslag
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof geen beslissing meer hoeft te nemen over het beslag, omdat dit inmiddels is afgewikkeld.
Nu de verdediging dit niet heeft betwist, ziet het hof geen aanleiding om daarover nog een beslissing te nemen.
12 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 289, 296 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.
13 BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande 1], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 oktober 2019.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 oktober 2019.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande 3], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 oktober 2019.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande 4], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 oktober 2019.
Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 5] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand en R.E. Otto, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 oktober 2026.
R.E. Otto is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Bijlage
Tenlastelegging
1. primair
hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, in elk geval in Nederland, een (door hem verwekt) kind - dat zich nog als ongeboren/levensvatbare vrucht na een zwangerschapsduur van (circa) 32 tot 37 weken in (de buik van) de moeder, te weten [slachtoffer], bevond en/of bezig was geboren te worden en/of zich in het geboortekanaal bevond en/of (zeer) kort tevoren geboren was - opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg aan de moeder van het kind, voornoemde [slachtoffer], te verstrekken en/of voornoemde [slachtoffer] te bewegen tot inname van en/of aan voornoemde [slachtoffer] toe te dienen:
- een (grote/hoge. in elk geval aanmerkelijke) hoeveelheid/dosering alcohol en/of cocaïne en/of MDMA en/of ketamine, waardoor voornoemde [slachtoffer] (zwaar) onder invloed en/of verminderd zelfredzaam is geraakt, terwijl (één of meer van) deze stoffen) bijdroeg(en) aan het op gang komen van de bevalling en/of de na te noemen uterusruptuur en/of (een nadelige) uitwerking/doorwerking had(den) op het nog ongeboren kind, en/of:
- ongeveer 5. in elk geval een hoeveelheid, door verdachte via internet bestelde en per post bezorgde (abortus)pillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol, als gevolg waarvan de bevalling op gang is gekomen en/of (vervolgens) een uterusruptuur (verscheuring van de baarmoeder) is ontstaan bij voornoemde [slachtoffer] en/of (vervolgens) hevig bloedverlies is opgetreden bij voornoemde [slachtoffer] en/of hevig bloedverlies is opgetreden bij het kind. zulks terwijl verdachte geen (professioneel/professionele) medisch(c) toezicht/zorg/begeleiding/hulp heeft ingelicht/geraadpleegd/ingeroepen/ingeschakeld en/of geen medische hulpdienst (ambulance) heeft gealarmeerd, ook niet nadat hij constateerde dat voornoemde [slachtoffer] (zwaar) onder invloed (van één of meer van de hiervoor genoemde stof(fen)) en/of (dientengevolge) verminderd zelfredzaam was en/of nadat hij constateerde dat er sprake was van veel bloedverlies bij voornoemde [slachtoffer],
ten gevolge waarvan het kind is overleden.
(artikel 82a, 287, 289 van het Wetboek van Strafrecht)
1. subsidiair
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (te weten [slachtoffer]), een (door verdachte verwekt) kind - dat zich nog als ongeboren/levensvatbare vrucht na een zwangerschapsduur van (circa) 32 tot 37 weken in (de buik van) de moeder, te weten voornoemde [slachtoffer], bevond en/of bezig was geboren te worden en/of zich in het geboortekanaal bevond en/of (zeer) kort tevoren geboren was - opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg één of meer van de volgende stof(fen) in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gebracht en/of door haar lichaam doen opnemen (waarbij verdachte één of meer van deze stof(fen) aan haar verstrekte en/of haar bewoog tot inname daarvan en/of deze aan haar toediende en/of waarbij voornoemde [slachtoffer] één of meer van deze stof(fen) gebruikte en/of innam):
- een (grote/hoge, in elk geval aanmerkelijke) hoeveelheid/dosering alcohol en/of cocaïne en/of MDMA en/of ketamine, waardoor voornoemde [slachtoffer] (zwaar) onder invloed en/of verminderd zelfredzaam is geraakt, terwijl (één of meer van) deze stof(fen) bijdroeg(en) aan het op gang komen van de bevalling en/of na te noemen uterusruptuur en/of (een nadelige) uitwerking/doorwerking had(den) op het nog ongeboren kind, en/of:
- ongeveer 5. in elk geval een hoeveelheid, (door verdachte via internet bestelde en per post bezorgde) (abortus)pillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol, als gevolg waarvan de bevalling op gang is gekomen en/of (vervolgens) een uterusruptuur (verscheuring van de baarmoeder) is ontstaan bij voornoemde [slachtoffer] en/of (vervolgens) hevig bloedverlies is opgetreden bij voornoemde [slachtoffer] en/of hevig bloedverlies is opgetreden bij het kind,
zulks terwijl verdachte en/of voornoemde [slachtoffer] geen (professioneel/professionele) medisch(e) toezicht/zorg/begeleiding/hulp heeft/hebben ingelicht/geraadpleegd/ingeroepen/ingeschakeld en/of geen medische hulpdienst (ambulance) heeft/hebben gealarmeerd, ook niet nadat verdachte constateerde dat voornoemde [slachtoffer] (zwaar) onder invloed (van één of meer van de hiervoor genoemde (stof(fen)) en/of (dientengevolge) verminderd zelfredzaam was en/of nadat verdachte constateerde dat er sprake was van veel bloedverlies bij voornoemde [slachtoffer],
ten gevolge waarvan het kind is overleden.
(artikel 47. 82a. 287. 289 van het Wetboek van Strafrecht)
2.
hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, in elk geval in Nederland, aan een persoon, te weten zijn levensgezel/partner [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten afdrijving en/of dood van haar (door hem verwekte) vrucht heeft toegebracht, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg aan voornoemde [slachtoffer] - terwijl zij (circa) 32 tot 37 w eken zwanger was - te verstrekken en/of haar te bewegen tot inname van en/of aan haar toe te dienen:
- een (grote/hoge, in elk geval aanmerkelijke) hoeveelheid/dosering alcohol en/of cocaïne en/of MDMA en/of ketamine, waardoor voornoemde [slachtoffer] (zwaar) onder invloed en/of verminderd zelfredzaam is geraakt, terwijl (één of meer van) deze stof(fen) bijdroeg(en) aan het op gang komen van de bevalling en/of de na te noemen utcrusruptuur en/of (een nadelige) uitwerking/doorwerking had(den) op het nog ongeboren kind, en/of:
- ongeveer 5, in elk geval een hoeveelheid, door verdachte via internet bestelde en per post bezorgde (abortus)pillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol, als gevolg waarvan de bevalling op gang is gekomen en/of (vervolgens) een uterusruptuur (verscheuring van de baarmoeder) is ontstaan bij voornoemde [slachtoffer] en/of (vervolgens) hevig bloedverlies is opgetreden bij voornoemde [slachtoffer] en/of hevig bloedverlies is opgetreden bij het kind. zulks terwijl verdachte geen (professioneel/professionele) medisch(e) toezicht/zorg/begeleiding/hulp heeft ingelicht/geraadpleegd/ingeroepen/ingeschakeld en/of geen medische hulpdienst (ambulance) heeft gealarmeerd, ook niet nadat hij constateerde dat voornoemde [slachtoffer] (zwaar) onder invloed (van één of meer van de hiervoor genoemde stof(fen)) en/of (dientengevolge) verminderd zelfredzaam was en/of nadat hij constateerde dat er sprake was van veel bloedverlies bij voornoemde [slachtoffer],
ten gevolge waarvan de vrucht is afgedreven en/of overleden en/of voornoemde [slachtoffer] is overleden:
(artikel 82. 302. 303 van het Wetboek van Strafrecht)
3.
hij in of omstreeks periode van 16 oktober 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Diemen, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel/partner. [slachtoffer], in elk geval een vrouw, een behandeling heeft gegeven waarvan hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat daardoor haar zwangerschap kon worden afgebroken, immers heeft hij, verdachte, aan voornoemde [slachtoffer] verstrekt en/of voornoemde [slachtoffer] bewogen tot inname van en/of aan voornoemde [slachtoffer] toegediend:
- alcohol en/of cocaïne en/of MDMA en/of ketamine en/of:
- ongeveer 5. in elk geval een hoeveelheid, (abortus)pillen/tabletten met daarin, onder meer, de werkzame stof misoprostol,
terwijl het feit haar dood ten gevolge heeft gehad.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001541-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 28 oktober 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. N. van der Wijngaart, voorzitter,
mr. A.E. Kleene-Krom en mr. R. van der Heijden, leden
mr. Z. Hoshmand, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.