Strafrecht overig

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwurgen van zijn toenmalige partner. Vervolgens heeft hij…

Gerechtshof Amsterdam, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
23-001029-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:3027
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwurgen van zijn toenmalige partner. Vervolgens heeft hij haar lichaam achtergelaten in een bos en aangifte gedaan van vermissing. Het slachtoffer is na bijna drie maanden door een voorbijganger gevonden. De verklaring van de minderjarige dochter dat zij de verwurging heeft gezien, vindt het hof onvoldoende betrouwbaar voor het bewijs. Toch is er voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de verdachte zich herhaaldelijk heeft beroepen op zijn zwijgrecht beroepen, terwijl er veel belastende omstandigheden zijn. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren. Afwijzing van de vordering shockschade van de minderjarige dochter, omdat niet is voldaan aan het confrontatievereiste. De verdachte heeft zich verder ook schuldig gemaakt aan een poging tot het verwerven van een vuurwapen, maar hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het feit niet te kwalificeren is, nu ‘verwerven’ niet strafbaar is in de Wet wapens en munitie.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 22 april 2025

    ECLI:NL:RBAMS:2025:2567
  2. Gerechtshof Amsterdam · 29 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:3027

    Overig

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001029-25

datum uitspraak: 29 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-052787-21 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
15 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman en ook de nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] en hun advocaat naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2016 tot en met 29 maart 2016 te Amsterdam en/of Nunspeet, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meerdere geweldshandeling(en) op de keel en/of hals, in elk geval in de halsstreek verricht, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] door manuele strangulatie/verwurging is overleden;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 25 december 2015 te Amsterdam en/of Valkenswaard, althans in Nederland ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om, anders dan overeenkomstig de bepalingen van de Wet wapens en munitie, een wapen van categorie II of categorie III, te weten een vuurwapen (merkaanduiding: Norinco), opzettelijk te verwerven, welk voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard, door:

- opzettelijk [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te benaderen voor het aanschaffen van dat vuurwapen, en/of

- ( vervolgens), nadat die [medeverdachte 2] aan hem (verdachte) een foto had getoond en/of gestuurd van dat vuurwapen, aan die [medeverdachte 2] een geldbedrag van 500 euro (althans een geldbedrag) te overhandigen voor de aankoop van dat vuurwapen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

(artikel 31 lid 1 jo. 55 lid 3 sub a Wet Wapens en Munitie jo. artikel 45 Wetboek van Strafrecht);

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Inleiding

Op 9 januari 2016 deed de verdachte aangifte van vermissing van zijn levenspartner [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Zij zou in de nacht van 7 op 8 januari nadat zij ruzie hadden gehad, in dronken toestand hun woning aan de [adres 2] hebben verlaten. Ten tijde van die ruzie verbleef ook [nabestaande 1] , hun toen zevenjarige dochter (hierna: [nabestaande 1] ), in de woning. [slachtoffer] is na de ruzie niet meer teruggekomen. De politie is daarop een onderzoek gestart.
Op 29 maart 2016 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in de bossen bij [locatie 1]. Zij bleek door manuele verwurging om het leven te zijn gebracht.

De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 7 januari 2016 tot en met 29 maart 2016 [slachtoffer] door verwurging om het leven heeft gebracht (feit 1). Ook wordt hem verweten dat hij in december 2015 heeft geprobeerd een vuurwapen te verwerven (feit 2).

Aan het hof ligt de vraag voor of de beschuldigingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Eerst bespreekt het hof de dood van [slachtoffer] . Vervolgens gaat het hof in op de beschuldiging die ziet op de poging tot het verwerven van het vuurwapen.

De verwurging van [slachtoffer] (feit 1)

1 Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir en hier zakelijk weergegeven – gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder
1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag van [slachtoffer] door verwurging. Daartoe heeft zij zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een veelvoud aan belastende omstandigheden die kunnen worden verklaard aan de hand van het scenario dat de verdachte schuldig is aan de dood van [slachtoffer] . Er zijn in het uitvoerige opsporingsonderzoek geen aanwijzingen gevonden voor het scenario dat iemand anders haar om het leven heeft gebracht. De belastende omstandigheden zijn zo overmatig aanwezig dat zij schreeuwen om een verklaring van de verdachte, maar de verdachte zwijgt nog steeds. De op 15 maart 2023 door [nabestaande 1] afgelegde verklaring, die erop neerkomt dat zij heeft gezien dat haar vader haar moeder heeft gewurgd, wordt door de advocaat-generaal echter niet bruikbaar geacht voor het bewijs, omdat er teveel onduidelijkheden bestaan over haar herinneringen.

De advocaat-generaal heeft vrijspraak van de voorbedachte raad (moord) gevorderd, omdat daar onvoldoende aanknopingspunten voor zijn.

2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities en hier zakelijk weergegeven – vrijspraak bepleit van de onder 1 tenlastegelegde moord en doodslag. De verklaring van [nabestaande 1] van 15 maart 2023 kan niet als voldoende betrouwbaar worden aangemerkt, gelet op de tegenstrijdigheid met eerder door haar afgelegde verklaringen, het tijdsverloop en de mogelijkheid van beïnvloeding, ook in het licht van de conclusies van rechtspsycholoog [deskundige 1] , die een
pseudo-herinnering bij [nabestaande 1] niet uitsluit. Er kan ook niet op grond van ander bewijs buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Ook in onderling verband en samenhang bezien is er geen sprake van zodanig redengevende feiten en omstandigheden dat die schreeuwen om een verklaring van de verdachte. Er is geen enkel direct technisch bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de levensberoving van [slachtoffer] . Niet uitgesloten kan worden dat [slachtoffer] door een onbekende om het leven is gebracht, nadat zij, zoals de verdachte heeft verklaard, de woning in de nacht van 7 op 8 januari 2016 heeft verlaten.

3 Oordeel van het hof

3.1

Bruikbaarheid verklaringen [nabestaande 1] voor het bewijs

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [nabestaande 1] van 15 maart 2023 – waarin zij zegt de verwurging van haar moeder door haar vader te hebben gezien – niet bruikbaar is voor het bewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.

[nabestaande 1] is door de politie in het begin van het opsporingsonderzoek twee keer gehoord als getuige. Het eerste verhoor vond plaats op 28 april 2016, ongeveer een maand nadat haar moeder was gevonden. Zij was toen acht jaar oud. Zij is door de politie een tweede keer gehoord op 18 januari 2017. Beide verklaringen bevatten tegenstrijdigheden maar houden – kort samengevat – op hoofdlijnen in dat zij in de nacht van 7 op 8 januari 2026 in de woning verbleef toen haar ouders ruzie kregen over de kat. Zij heeft niet gezien wat er tijdens die ruzie precies is gebeurd. Wel heeft zij een klap gehoord. Zij heeft geconcludeerd dat dit een klap van de deur was en dat haar moeder de woning had verlaten, omdat ze hierna niets meer hoorde en haar moeder de volgende ochtend weg was. Haar vader heeft daarna bij haar in haar slaapkamer geslapen, iets wat hij anders nooit deed.

Op een veel later moment in het onderzoek, namelijk op 20 januari 2023, meldde [nabestaande 2] (hierna: [nabestaande 2] ), de oudere zus van [nabestaande 1] en tevens andere dochter van [slachtoffer] , zich bij de politie. Zij deelde de politie mee dat zij [nabestaande 1] voor het eerst heeft verteld dat haar moeder door verwurging om het leven is gekomen, waarna [nabestaande 1] zou hebben gezegd: ‘alles valt op zijn plek’. In haar verklaring van 15 maart 2023 vertelde [nabestaande 1] vervolgens – kort samengevat – dat zij toen haar ouders ruzie hadden, stikgeluiden heeft gehoord. Zij zou toen de deur van hun slaapkamer hebben opengedaan en hebben gezien dat haar moeder op de grond lag en dat haar vader haar keel met zijn handen dichthield. Dat zij dit niet eerder heeft verklaard, komt doordat zij altijd heeft gedacht dat ze dit had gedroomd, aldus [nabestaande 1] .

Als de laatste verklaring van [nabestaande 1] bruikbaar zou zijn, zou dit zogenoemd ‘direct bewijs’ opleveren dat haar vader haar moeder heeft gewurgd. Het hof is echter – in navolging van de advocaat-generaal en in lijn met de rechtspsychologisch deskundige dr. [deskundige 1] – van oordeel dat er te veel haken en ogen kleven aan die laatste verklaring om die te kunnen gebruiken voor het bewijs. Daarbij merkt het hof op dat het op zichzelf geen reden heeft om te twijfelen aan de oprechte intenties van [nabestaande 1] om met haar laatste verklaring bij te dragen aan de waarheidsvinding.

Het hof signaleert allereerst dat ook de eerste twee verklaringen van [nabestaande 1] op belangrijke onderdelen niet geheel consistent zijn. Zij heeft niet steeds hetzelfde verklaard over wat zij hoorde in de ruzie tussen haar ouders, waar zij toen precies verbleef in de woning en hoe het na de ruzie ging met het blijven slapen van haar vader in haar slaapkamer. Ook voor de politie bleek dit verwarrend – zo valt te lezen aan het einde van haar tweede verklaring – als gevolg waarvan de politie haar vragen bleef stellen over wat er nu precies was gebeurd en hoe dat zich verhield tot haar eerste verklaring. Het hof concludeert op grond van de verschillen in de eerste twee verklaringen dat de toen achtjarige [nabestaande 1] mogelijk op dat moment al vergaand was beïnvloed (door haar omgeving en haar eigen gedachten) over wat er zou zijn gebeurd met haar moeder.

De inhoud van haar derde verklaring is vervolgens nog weer heel anders dan de eerste twee verklaringen, nu zij daarin heeft gezegd niet alleen dingen te hebben gehoord maar ook expliciet te hebben gezien, waarvan het belangrijkste de verwurging zelf is. Het motief dat [nabestaande 1] voor deze wijziging in haar derde verklaring heeft gegeven, is naar het oordeel van het hof niet steeds navolgbaar. Zij verklaarde onder meer dat zij dacht dat het een droom was omdat haar vader dat had gezegd, maar zij verklaarde ook dat zij niet wilde geloven dat haar vader schuldig was aan de verwurging van haar moeder. Verder heeft zij gezegd dat zij niet eerder heeft verklaard over wat zij heeft gezien omdat zij bang was dat haar vader haar iets aan zou doen, dan wel dat zij ‘de politie hun werk wilde laten doen’. Dit zijn in wezen allemaal verschillende motieven, die elkaar ook deels uitsluiten. Ook noemde zij de droom wel een ‘flashback’ terwijl een droom en een flashback niet hetzelfde zijn. Beiden kunnen hoe dan ook niet worden gelijkgeschakeld met een heldere herinnering aan wat er feitelijk is gebeurd.

Verder merkt het hof op dat [nabestaande 1] in haar tweede verklaring heeft verklaard dat de ruzie ‘slechts met woorden was’. Gewelddadig handelen van haar vader noemt zij hier desgevraagd dus expliciet niet. Ook haar bij pleeggezinnen gesignaleerde gedrag waarbij zij zou hebben gedaan alsof zij dood was en daarbij verstikkingsgeluiden maakte, wat wordt opgevat als mogelijke bevestiging van haar aanwezigheid bij de verwurging, vormt onvoldoende aanwijzing dat zij die verwurging daadwerkelijk heeft waargenomen. Het hof merkt op dat [nabestaande 1] daarover zelf in ieder geval op enig moment heeft verklaard dat dat niets te maken zou hebben met de dood van haar moeder, maar dat zij ‘een hondje nadeed’.

Al met al is er zeer veel tijd verstreken sinds [nabestaande 1] met haar derde verklaring is gekomen waardoor het erg waarschijnlijk is dat zij op verschillende manieren en van verschillende kanten is beïnvloed. Niet onproblematisch is in dit verband ook dat [nabestaande 1] de derde verklaring heeft afgelegd op een moment waarop zij volgens haar zus [nabestaande 2] ‘helemaal klaar was’ met haar vader omdat ze zich door hem afgewezen voelde en ook [nabestaande 2] zelf sterke negatieve gevoelens over de verdachte koesterde.

Tot slot wijst het hof op de conclusie van de genoemde deskundige [deskundige 1] . Ook hij komt na grondig onderzoek tot het inzicht dat de bewijswaarde van de derde verklaring van [nabestaande 1] zeer beperkt is, nu die verklaring ook onbewust kan zijn voortgekomen uit een ‘pseudo-herinnering’, mogelijk gestimuleerd door de verstoorde verhoudingen met haar vader en het overnemen van de verdenkingen die tegen haar vader zijn ingebracht. De conclusies van het hof en de deskundige staan daarmee op een lijn, namelijk dat de derde verklaring van [nabestaande 1] onvoldoende betrouwbaar is om mee te nemen in het bewijs van feit 1. Het hof zal de verklaringen dan ook niet betrekken in de bewijsoverwegingen die hierna volgen.

3.2

Feiten en omstandigheden

Bij de weging van het bewijs gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Tijdlijn

Op donderdag 7 januari 2016 sprak [slachtoffer] tussen 14:00 uur en 14:20 uur telefonisch met haar dochter [nabestaande 2] . Om 15:44 uur is de pinpas van [slachtoffer] voor het laatst gebruikt.

In de late avond van 7 januari dan wel in het begin van de nacht van 7 op 8 januari 2016 vond een ruzie plaats tussen de verdachte en [slachtoffer] in hun woning aan de [adres 2] .

Op vrijdagochtend 8 januari 2016 bracht de verdachte [nabestaande 1] naar school. De verdachte meldde zich tussen 08:00 en 09:00 uur ziek op zijn werk; hij had - naar eigen zeggen - buikgriep. Om 10:51 uur pinde de verdachte een geldbedrag bij de pinautomaat in de Jan Pieter Heyestraat en om 11:00 uur maakte hij telefonisch een afspraak met [medeverdachte 2] . Om 11:35 uur was er dataverbruik op de mobiele telefoon van de verdachte.

Tussen 12:15 en 15:09 uur was de verdachte op zijn mobiele telefoon onbereikbaar.

Rond 15:15 uur haalde de verdachte [nabestaande 1] van school en ontmoetten zij [medeverdachte 2] bij de viskraam in Amsterdam. Later die avond aten de verdachte en [nabestaande 1] bij [persoon 1] en zijn vrouw in Amsterdam.

Op zaterdag 9 januari 2016 om 16:16 uur deed de verdachte bij de politie aangifte van vermissing van [slachtoffer] . Bij de aangifte heeft de verdachte opgegeven dat zijn partner [slachtoffer] in de nacht van 7 op 8 januari tussen 00:00 uur en 01:00 uur na een woordenwisseling in dronken toestand hun woning had verlaten. [slachtoffer] droeg volgens hem een rood met blauw gekleurd houthakkersoverhemd, een donkere joggingbroek, rode schoenen en een zwarte jas met capuchon. Zij had behalve haar sleutelbos en een geldbedrag van € 600,00 geen spullen meegenomen. Volgens de verdachte had daarna niemand meer iets van [slachtoffer] vernomen.

In het onderzoek is later gebleken dat de handtas, de telefoon en de portemonnee van [slachtoffer] in de woning waren achter gebleven.

Op zondag 10 januari 2016 meldde de verdachte aan [nabestaande 2] dat haar moeder was vermist.

Op donderdag 14 januari 2016 zegde de verdachte het abonnement van [slachtoffer] bij de vakbond FNV op.

Op vrijdag 15 januari 2016 heeft de verdachte zich aangemeld bij Slachtofferhulp.

Op dinsdag 1 maart 2016 is de verdachte met [persoon 2] in de woning aan de [adres 2] gaan samenwonen.

Op dinsdag 15 maart 2016 is de vermissing van [slachtoffer] besproken in het tv-programma Opsporing Verzocht.

Op dinsdag 29 maart 2016 is het lichaam van [slachtoffer] door een wandelaar aangetroffen, naast de [locatie 1] . Een deel van haar lichaam was bedekt met (bos)grond en mos. Over haar lichaam lag in de lengterichting een boomstronk. Gezien de vlakke, afgezaagde onderkant was het geen boom die door natuurlijke omstandigheden op haar was gevallen. Haar voeten, onderarmen en maagstreek waren aangevreten door wild, haar handen waren afwezig.

Het lichaam was gekleed in een donkergrijze joggingbroek, een zwart hemd van het merk H&M, een paarse BH en een donkerblauw vest met witte stippen.

Bevindingen patholoog, vindplaats lichaam en NFI-onderzoek kattenharen op kleding

In de rapportage van arts en patholoog dr. [deskundige 2] betreffende sectie op het lichaam van [slachtoffer] , is vermeld dat het intreden van haar dood kan worden verklaard door algehele weefselschade (verstikking) ten gevolge van bij leven doorgemaakt uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals al dan niet in combinatie met stomp botsend geweld op de hals. Niet vastgesteld kan worden op welk moment in de tijd de dood is ingetreden.

De politie heeft geverbaliseerd dat het mogelijk was om per motorvoertuig op het zandpad bij de plaats delict te komen. Vanaf het zandpad was het mogelijk via verschillende plekken het bos in te lopen. De grond op deze plekken was los van aard en er lagen veel takken en boomstammen. De politie constateerde dat iemand snel uit het zicht is wanneer je vanaf het zandpad loopt en zodoende ongezien het bos in kan verdwijnen. De plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, betreft een plek waarvoor volgens de politie bekendheid met de omgeving onontbeerlijk is om er te kunnen komen. Er diende een houten slagboom te worden verwijderd vanaf een parkeerplaats, om vervolgens met een voertuig door te kunnen rijden over een zandpad naar deze locatie. De politie concludeert dat de kans groot is om ter plaatse op doodlopende stukken te komen of niet meer van de doorgaande weg af te komen, terwijl dwalen door iemand die zich snel van een lichaam wil ontdoen, niet voor de hand ligt.

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de kleding waarin [slachtoffer] is aangetroffen. Op het vest, de joggingbroek en de BH zijn kattenharen aangetroffen. Kattenharen uit de stofzuigerzak van de stofzuiger uit de woning aan de [adres 2] zijn vergeleken met de kattenharen die zijn aangetroffen op de kleding waarin [slachtoffer] is gevonden. Uit dit onderzoek is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is (10.000 tot 100.000 keer zo groot) dat de haren op de kleding afkomstig zijn van katten uit de woning dan van willekeurige andere katten.

3.3.

Conclusies over het daderschap van de verdachte

Belastende omstandigheden

[slachtoffer] is in de nacht van 7 op 8 januari 2016 voor het laatst bij de verdachte in de woning aan de [adres 2] geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij haar nadien niet meer heeft gezien. Haar handtas, portemonnee en telefoon zijn achtergebleven in de woning. Uit het dossier komt geen enkele aanwijzing naar voren dat [slachtoffer] daarna nog door iemand in leven is gezien of dat anderszins een teken van leven van haar is vernomen. Er zijn geen reisbewegingen of betalingen meer van haar gezien, haar facebook-account is niet meer gebruikt en niemand heeft meer iets van haar gezien of gehoord. [slachtoffer] had geen rijbewijs. Ze is nergens op camerabeelden herkend en er is nergens een DNA-spoor van haar gevonden. Daar waar er meldingen zijn gekomen van personen die dachten haar ergens te hebben herkend, werden die door de politie onderzocht en bleken die niet te kloppen.
Het hof stelt daarmee vast dat de verdachte de laatste persoon is geweest die [slachtoffer] levend heeft gezien. Over de wijze waarop de ruzie die toen heeft plaatsgevonden is verlopen, heeft de verdachte – ook ter terechtzitting in hoger beroep – verder geen vragen willen beantwoorden.

De plek waar [slachtoffer] is aangetroffen, naast de [locatie 1] in het bos bij [locatie 1], is geen plek waarmee [slachtoffer] bekend was. Het is echter wel een plek waarvan de verdachte de omgeving (zeer) goed kende. Volgens getuigen die bevriend waren met de verdachte, is hij bekend met deze plek en omgeving, omdat hij regelmatig (onder meer met deze getuigen) ging vissen bij de nabijgelegen [locatie 2] . Die plaats ligt in de buurt van [plaats] , de plek waar de verdachte opgroeide, waar zijn ouders nog woonden ten tijde van de vermissing en waar hij zijn visspullen stalde. Getuige [persoon 1] – een vismaatje – heeft verklaard dat de verdachte als hij had gedronken, op de terugweg door de bossen reed om controles te vermijden. [persoon 1] verklaarde hierover: ‘de manier waarop hij in die bosjes reed, hij kende dat gewoon’. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte nadat zij hadden gevist, via ‘tussendoorweggetjes’ terugreed. Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte als hij had gedronken na het vissen terugreed via allerlei ‘binnenweggetjes’. Hij verklaarde: ‘We kwamen dan langs die parkeerplek en de plek waar [slachtoffer] gevonden is’. De politie heeft met [getuige 2] de route gereden waarover hij heeft verklaard. Deze route bleek via een parallelweg direct naast de inrit van de [locatie 1] te lopen. [getuige 2] heeft de verdachte vlak na de vondst van [slachtoffer] ’s lichaam in een afgeluisterd telefoongesprek met zijn bekendheid ter plaatse geconfronteerd. De verdachte heeft die bekendheid in dat gesprek niet ontkend.

Het hof concludeert dat de verdachte erg bekend was met de locatie van de vindplaats van [slachtoffer] , terwijl die bekendheid bij degene die het lichaam van [slachtoffer] heeft willen verbergen op die locatie, verondersteld mag worden. Dit acht het hof een belastende omstandigheid. In het scenario dat een onbekende ander [slachtoffer] na haar vertrek uit de woning in Amsterdam om het leven zou hebben gebracht, laat het feit dat haar lichaam in [locatie 1] op nu juist deze locatie, ver van Amsterdam, is gevonden, zich minder goed verklaren. In hoger beroep heeft de verdachte zich naar aanleiding van hem gestelde concrete vragen over zijn bekendheid met de plek op zijn zwijgrecht beroepen.

De verdachte heeft zich de ochtend van 8 januari 2016 bij zijn werkgever ziekgemeld, omdat hij buikgriep zou hebben. Die ochtend heeft hij [nabestaande 1] naar school gebracht. Die middag heeft hij haar ook weer opgehaald om 15:15 uur. Daartussen is de telefoon van de verdachte van ongeveer 12:15 uur tot 15:09 uur onbereikbaar geweest. Uit het onderzoek is gebleken dat de telefoon, toen hij door getuige [medeverdachte 1] werd gebeld in dit tijdsbestek, automatisch doorschakelde naar de voicemail, wat erop wijst dat het toestel uitstond, geen bereik had of in vliegtuigmodus stond. Het hof merkt op dat de verdachte binnen het genoemde tijdsbestek de gelegenheid kan hebben gehad om naar de [locatie 1] te rijden, daar – ook gezien zijn bekendheid ter plaatse – het lichaam van [slachtoffer] achter te laten en vervolgens [nabestaande 1] weer op tijd van school te halen. De verdachte heeft – ook in hoger beroep – geen verklaring willen afleggen over waar hij in dat tijdsbestek is geweest en wat hij heeft gedaan.


Voor wat betreft de kleding van [slachtoffer] stelt het hof vast dat [slachtoffer] in andere kleding in het bos is aangetroffen dan waarin zij volgens de verdachte de woning heeft verlaten, terwijl daarvan wel – gelet op de aangetroffen kattenharen – geconcludeerd moet worden dat die afkomstig was uit hun woning. Ook dit vindt het hof een belastende omstandigheid. Het hof concludeert dat in het scenario dat een onbekende ander [slachtoffer] na haar vertrek uit de woning in de door verdachte omschreven kleding om het leven zou hebben gebracht, het feit dat zij ten tijde van het aantreffen van haar lichaam kleding droeg die afkomstig was uit de woning van haar en de verdachte, zich niet laat verklaren. Ook met betrekking tot deze bevindingen heeft de verdachte zich - in hoger beroep naar aanleiding van hem gestelde concrete vragen - op zijn zwijgrecht beroepen.

Het hof neemt ook in aanmerking dat de verdachte en [slachtoffer] ongeveer elf jaar een relatie hadden en samen hun destijds zevenjarige dochter [nabestaande 1] hadden, terwijl de verdachte niet naar [slachtoffer] heeft gezocht of anderen heeft helpen zoeken. De verdachte heeft na de aangifte van vermissing ook geen enkele keer bij de politie geïnformeerd met de vraag of er al nieuws was. Toen de politie hem na de vondst van [slachtoffer] ’s lichaam belde dat ze hem graag in persoon van een belangrijke ontwikkeling op de hoogte wilden brengen, vroeg de verdachte of het op een later moment kon. Opvallend is ook dat de verdachte zeer kort na de vermissing van [slachtoffer] op eigen initiatief op 14 januari 2016 haar FNV-abonnement heeft opgezegd. De verklaring die verdachte daarvoor heeft gegeven, namelijk dat dit een suggestie van Slachtofferhulp was, klopt niet, omdat de verdachte pas op 15 januari 2016 voor het eerst contact heeft gehad met deze instantie. Over dit punt wilde de verdachte verder geen vragen beantwoorden, terwijl het geschetste gedrag goed past in het scenario dat de verdachte toen al wist dat [slachtoffer] dood was.


In dit verband vindt het hof ook de opmerking van de verdachte tegen getuige [persoon 1] in een afgeluisterd telefoongesprek op 1 april 2016 belastend, waarin hij vlak nadat hem bekend is gemaakt dat het lichaam van [slachtoffer] is gevonden, tegen [persoon 1] spreekt over het onderzoeken van een ‘lichaam wat er al maanden ligt’. Op dat moment waren er nog geen onderzoeksresultaten bekend over de overlijdensdatum of duur dat het lichaam daar moet hebben gelegen. Het hof acht deze opmerking verklaarbaar vanuit de (dader)wetenschap van de verdachte, dat het lichaam daar al in januari 2016 was achtergelaten.

Motief

Het hof heeft hiervoor diverse feiten en omstandigheden beschreven waarvan het hof concludeert dat die erg belastend zijn voor de verdachte. De vraag rijst of er bij de verdachte ook een motief bestond om [slachtoffer] iets aan te doen.

Diverse getuigen hebben in dat verband verklaard dat [slachtoffer] en de verdachte veel ruzie maakten. Een vriendin van [slachtoffer] , getuige [getuige 3] , heeft verklaard dat [slachtoffer] haar had verteld dat de verdachte gewelddadig tegen haar was. [slachtoffer] zou regelmatig tegen haar hebben gezegd dat ze bij de verdachte zou weggaan als [nabestaande 1] 8 jaar was. Ook [nabestaande 2] heeft verklaard dat haar moeder haar had verteld dat zij bezig was om de verdachte uit de woning te krijgen en dat haar moeder ook tegen de verdachte had gezegd dat ze de relatie wilde beëindigen. Zowel zij als haar ex-partner, getuige [getuige 4] , hebben verklaard dat [slachtoffer] kort voor haar verdwijning tegen [nabestaande 2] heeft gezegd dat ze een oplossing voor de situatie had gevonden, ze had een uitweg gevonden om de verdachte ‘eruit te krijgen’.

Het hof ziet ook steun voor de conclusie dat de relatie slecht was in de verklaring van een buurvrouw, getuige [getuige 5] , over een voorval twee weken voor [slachtoffer] ’s verdwijning op tweede kerstdag. De getuige heeft verklaard dat [slachtoffer] die nacht om 3:00 uur op haar deur bonkte, onder invloed en in alleen een onderbroek. [slachtoffer] zou hebben gehuild en hebben gezegd: ‘doe de deur open, het is mijn huis. Waarom doet hij zo? Hij kan dit niet maken. Klootzak’. [slachtoffer] had wel een huissleutel, maar de verdachte zou de deur op de ketting hebben gedaan. Daarvoor had de getuige al ruzie en geschreeuw gehoord. Door de politie is ook een filmpje beschreven van 26 december 2015 om 14:54 uur, waarop te zien is dat [slachtoffer] door de verdachte werd gefilmd terwijl zij in de kelderbox van de woning op de grond zat. De verdachte zegt op dit filmpje tegen [slachtoffer] : ‘maak ik je dan zo ongelukkig?’, waarop [slachtoffer] zegt: ‘ja, inderdaad ja’.

Het hof concludeert dat uit deze bewijsmiddelen volgt dat de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] ten tijde van haar verdwijning (zeer) slecht was en dat [slachtoffer] vlak voor die verdwijning concrete uitlatingen heeft gedaan over het uit de woning willen zetten van de verdachte. De avond van 7 januari 2016 dan wel het begin van de nacht van 7 op 8 januari 2016 hadden zij ruzie, zo heeft ook de verdachte zelf verklaard. Het hof concludeert dat hierin een motief kan hebben bestaan voor de verdachte om [slachtoffer] iets aan te doen. Dat de verdachte op dat moment ook al contact had met een vrouw, [persoon 2] , met wie hij luttele weken na de vermissing van [slachtoffer] in de woning aan de [adres 2] is gaan samenwonen, acht het hof in dit verband ook betekenisvol. Het is goed denkbaar dat dit een extra motief is geweest om [slachtoffer] om het leven te brengen. Vragen daarover ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte niet willen beantwoorden. Van enig motief bij iemand anders om [slachtoffer] wat aan te doen, is niet gebleken. Uit het onderzoek is ook niet gebleken dat [slachtoffer] conflicten met anderen had.

Eindconclusie

Alles afwegende komt het hof tot de eindconclusie dat het op grond van de feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, niet anders kan zijn dan dat de verdachte zijn levenspartner [slachtoffer] door verwurging om het leven heeft gebracht. Daarbij speelt een grote rol dat de verdachte, die [slachtoffer] als laatste levend heeft gezien en toen ruzie met haar had, belangrijke vragen niet heeft willen beantwoorden, terwijl de geschetste belastende omstandigheden daar wel expliciet om vragen. Het betreft met name vragen over: hoe de ruzie tussen hem en [slachtoffer] verliep in de nacht van 7 op 8 januari 2016, waar de verdachte was op 8 januari 2016 tussen 12:15 uur en 15:09 uur, de bekendheid van de verdachte met de plek waar [slachtoffer] op 29 maart 2016 is gevonden, het aantreffen van [slachtoffer] in andere kleding dan de verdachte heeft opgegeven, terwijl de kleding wel uit hun gezamenlijke woning moet zijn gekomen, het opzeggen van haar FNV-lidmaatschap op 14 januari 2016, terwijl zij nog maar enkele dagen was vermist en, tot slot, het gaan samenwonen met een andere vrouw in de genoemde woning, luttele weken na de verdwijning van [slachtoffer] .

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Dit betekent dat niet moord maar doodslag is bewezen.

Ontslag van alle rechtsvervolging poging tot het verwerven van een vuurwapen (feit 2)

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar requisitoir en hier zakelijk weergegeven – ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde poging tot het verwerven van een vuurwapen op het standpunt gesteld dat dit overeenkomstig de door de rechtbank gegeven bewijsconstructie en motivering bewezen kan worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities en hier zakelijk weergegeven – bepleit dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn, zodat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs is dat het de verdachte te doen was om een vuurwapen van categorie II of III te verkrijgen. Meer subsidiair stelt de raadsman dat er geen sprake is van een begin van uitvoering.

Ingeval het hof tot een bewezenverklaring van dit feit komt, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het verwerven van een vuurwapen niet strafbaar is gesteld in de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM). In de vordering wijziging tenlastelegging wordt verwezen naar artikel 31 lid 1 WWM, maar daarin wordt het overdragen van een vuurwapen strafbaar gesteld en niet het verwerven daarvan.

Oordeel van het hof

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het verwerven van een vuurwapen en overweegt daartoe als volgt.

Uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] volgt dat de verdachte [medeverdachte 1] heeft

benaderd omdat hij een vuurwapen wilde aanschaffen, dat deze op zijn beurt zijn zoon [medeverdachte 2] heeft gevraagd om een vuurwapen voor de verdachte te regelen en aan de verdachte het telefoonnummer van zijn zoon heeft gegeven. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat hij aan de verdachte een foto van het te kopen vuurwapen, een M1911, heeft gestuurd. Zij hebben afspraken gemaakt over het aanschafbedrag. Volgens [medeverdachte 2] heeft de verdachte het overeengekomen bedrag van € 500,00 ook daadwerkelijk bij hem langsgebracht.

Anders dan de raadsman acht het hof de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2] betrouwbaar. De verklaringen zijn op hoofdlijnen consistent. Ook hebben zij over zichzelf belastend verklaard, wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid. De verklaringen vinden bovendien steun in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in het gegeven dat er op 23 december 2015 € 500,00 aan contant geld van de rekening van de verdachte is opgenomen en dat er tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] meerdere telefoongesprekken hebben plaatsgevonden.

Op 24 december 2015 is [medeverdachte 2] na een pseudokoop door de politie aangehouden. Het daarbij inbeslaggenomen vuurwapen betrof een pistool van het merk Norinco, model 1911 Al, zijnde een vuurwapen van categorie III in de zin van de WWM. Het hof acht op basis van het proces-verbaal waarin het vuurwapen wordt gedetermineerd en de melding door [persoon 3] , inhoudende dat hij als vergunninghouder zijn vuurwapen geregistreerd te koop heeft aangeboden op een daarvoor bedoelde website, voldoende duidelijk dat het is gegaan om een echt vuurwapen, zodat het hierop betrekking hebbende verweer van de raadsman niet slaagt.

Tot slot zijn voornoemde omstandigheden naar het oordeel van het hof, anders dan de raadsman heeft betoogd, voldoende om te spreken van een begin van uitvoering.

Het hof volgt de raadsman echter in zijn standpunt dat het onder 2 bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. De advocaat-generaal heeft in de door het hof toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging van dit feit expliciet verwezen naar artikel 31 WWM. Het tenlastegelegde bestanddeel “verwerven” wordt echter niet vermeld in deze bepaling noch in enig ander wetsartikel van de WWM.

Nu het juiste bestanddeel in de tenlastelegging ontbreekt, terwijl dit evenmin is te beschouwen als een kennelijke schrijffout, is het feit niet kwalificeerbaar. Het hof zal de verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 7 januari 2016 tot en met 29 maart 2016 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet een of meerdere geweldshandelingen op de hals verricht, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] door manuele strangulatie/verwurging is overleden;

2.
hij in de periode van 1 december 2015 tot en met 25 december 2015 in Nederland ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (merkaanduiding: Norinco), opzettelijk te verwerven, welk voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard, door:

  • opzettelijk [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te benaderen voor het aanschaffen van dat vuurwapen, en

  • vervolgens, nadat die [medeverdachte 2] aan hem (verdachte) een foto had getoond en/of gestuurd van dat vuurwapen, aan die [medeverdachte 2] een geldbedrag van 500 euro te overhandigen voor de aankoop van dat vuurwapen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Gelet op wat is overwogen onder het kopje “Ontslag van alle rechtsvervolging feit 2” is het hof van oordeel dat het onder 2 bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde moord en doodslag van [slachtoffer] vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde – poging tot het bezit van een vuurwapen - heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 dagen, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor de onder 1 tenlastegelegde doodslag van [slachtoffer] en de onder 2 tenlastegelegde poging tot het verwerven van een vuurwapen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van het voorarrest.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in geval van een bewezenverklaring – verzocht rekening te houden met de schending van de redelijke termijn. Deze is in de rechtbankfase met ongeveer zeven jaar overschreden, waardoor strafvermindering op zijn plaats is. Tot slot heeft de raadsman verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de gewijzigde voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: V.I.)-regeling, waardoor opgelegde gevangenisstraffen per saldo aanzienlijk langer kunnen duren dan vóór die wijziging.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer] , zijn toenmalige levensgezel en de moeder van hun destijds zevenjarige dochter, van het leven beroofd door haar te verwurgen. Vervolgens heeft hij haar lichaam in de bossen in [locatie 1] onder mensonterende omstandigheden gedumpt. Op die manier heeft hij geprobeerd te verhullen dat zijn misdrijf bekend zou worden. [slachtoffer] is slechts 51 jaar geworden.

De verdachte heeft haar beroofd van haar meest waardevolle bezit: het leven. Hij heeft hun destijds jonge dochter [nabestaande 1] , maar ook de andere dochter [nabestaande 2] , op zeer grove wijze hun moeder ontnomen. Uit de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaringen van [nabestaande 1] en [nabestaande 2] is gebleken hoe groot de impact is geweest van deze daad. De verdachte heeft hen een onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Voor [nabestaande 1] geldt dat zij niet alleen haar moeder, maar in zekere zin ook haar vader is verloren, omdat zij korte tijd nadat haar moeder was gevonden uit huis is geplaatst. Zij moet verder ook zien te leven met het feit dat haar vader een einde aan het leven van haar moeder heeft gemaakt en daarmee verantwoordelijk is voor alle psychische gevolgen die haar zijn aangedaan.

Het hof rekent het de verdachte ook zwaar aan dat hij [slachtoffer] bij de politie als vermist heeft opgegeven en het tegenover haar familie en vrienden heeft doen voorkomen dat zij was weggelopen. Op deze wijze heeft de verdachte de nabestaanden voorgelogen en hen ook lang de hoop laten houden dat [slachtoffer] nog in leven was. De verdachte heeft ook na de vondst van het lichaam van [slachtoffer] – en tot op de dag van vandaag – geen enkel inzicht gegeven in de redenen voor zijn handelen. Het is voor de nabestaanden onverteerbaar dat de verdachte geen openheid van zaken wil geven over wat er precies is gebeurd (en waarom).

Op dergelijke strafbare feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Hierbij is het hof gebonden aan de ten tijde van het gepleegde feit geldende maximumstraf voor doodslag van vijftien jaar. Met dit uitgangspunt in het achterhoofd heeft het hof bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van het voorarrest, in beginsel passend en geboden is.

Het hof stelt vast dat er in de rechtbankfase een overschrijding is geweest van de redelijke termijn. Die termijn is begonnen op 19 april 2016, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 22 april 2025. De behandeling in de rechtbankfase heeft daarmee ongeveer negen jaar geduurd en dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer zeven jaar met zich. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Het hof zal daarom in plaats van voornoemde gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren opleggen, met aftrek van het voorarrest.

Het hof ziet geen aanleiding in de strafoplegging rekening te houden met het gewijzigde V.I.-regime, zoals door de raadsman is verzocht. De nieuwe regeling behelst de executie van straffen en brengt daarom geen wijziging in de aard en maximale duur van de op te leggen straf. Bij het bepalen van de straf heeft het hof zich rekenschap gegeven van de gevolgen voor de verdachte van de invoering van de nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,00 aan shockschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in verband met de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat van de benadeelde partij heeft toewijzing van de vordering bepleit en daartoe – overeenkomstig zijn pleitnotities en hier zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Aan de te toetsen gezichtspunten uit het Hoogeveen-arrest (ECLI:NL:HR:2022:958) is voldaan. [nabestaande 1] heeft niet alleen de verwurging gezien, maar zij is ook daarna op verschillende manieren indringend geconfronteerd met de gevolgen van de daad van haar vader. Hieruit volgt dat jegens haar onrechtmatig is gehandeld. Er is sprake van een wettelijke grondslag voor vergoeding van de shockschade. Daarnaast heeft de emotionele schok tot geestelijk letsel geleid.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de gevorderde shockschade geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd, mede gelet op haar standpunt dat de verklaring van [nabestaande 1] dat zij de verwurging heeft gezien niet bruikbaar is voor het bewijs.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet is voldaan aan het confrontatievereiste, waardoor de vordering moet worden afgewezen. Meer subsidiair, ingeval geoordeeld wordt dat wel is voldaan aan het confrontatievereiste, heeft de raadsman gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat onvoldoende is onderbouwd welk geestelijk letsel voortkomt uit het verdriet omtrent het overlijden van haar moeder en klachten die daarvan los staan. Nader onderzoek naar de gegrondheid en de omvang van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding vormen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het recht op vergoeding van shockschade bestaat als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer:

  • de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;

  • de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer;

  • de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de ernst van de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij of zij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij of zij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre dit onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.

Het hof stelt voorop dat hoewel niet ter discussie staat dat de daad van haar vader jegens haar moeder voor [nabestaande 1] grote psychische gevolgen heeft gehad, daarmee nog niet is gegeven dat bij haar sprake is van shockschade zoals hiervoor omschreven. Gelet op wat het hof eerder heeft overwogen, acht het hof de verklaring van [nabestaande 1] , inhoudende dat zij heeft gezien dat haar moeder door haar vader werd verwurgd, onvoldoende betrouwbaar. Dit betekent dat er geen grond is om te concluderen dat [nabestaande 1] direct is geconfronteerd met de onrechtmatige daad. Daarnaast is geen sprake geweest van het waarnemen van het stoffelijk overschot van haar moeder. Ook is niet gebleken dat de benadeelde partij met de latere gevolgen van het geweld dat tegen haar moeder is gebruikt anderszins onverhoeds is geconfronteerd. Daarmee is naar het oordeel van het hof geen sprake van een voor de toekenning van shockschade vereiste confrontatie met de jegens het slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad of de gevolgen daarvan. Uit het voorgaande volgt dat een wettelijke grondslag voor de gevorderde shockschade ontbreekt, waardoor het hof de vordering zal afwijzen.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. 2 STK Hout (Omschrijving: 5152318 vloerplaten);

  2. 1 STK GSM (Omschrijving: 5173559. Nokia);

  3. 1 DS Doos (Omschrijving: 5174529 medicijn doosje);

  4. 2 STK Pil (Omschrijving: 5174532);

  5. 2 STK Sleutel (Omschrijving: 5174564);

  6. 3 STK Sleutel (Omschrijving: 5174992);

  7. 4 STK Sleutel (Omschrijving: 5174993 met een hartvormige sleutelhanger);

  8. 1 STK Slot (Omschrijving: 5174581);

  9. 1 STK GSM (Omschrijving: 5174547. Samsung);

  10. 1 STK GSM (Omschrijving: 5174548. Sagem);

  11. 1 STK Mat (Omschrijving 5 174206);

  12. 1 STK Mat (Omschrijving: 5174208);

  13. 1 STK Schoenen (Omschrijving: 5174998. Nike);

  14. 2 STK Schoenen (Omschrijving: 5174572. AUSTRALIAN);

  15. 1 STK Paspoort (Omschrijving: 5174588 op naam van [slachtoffer] );

  16. 1 STK Identiteitsbewijs (Omschrijving: 5174589 op naam van [slachtoffer] );

  17. 1 STK Zak (Omschrijving: 5174563 met diverse tekeningen);

  18. 1 STK Broek (Omschrijving: 5188201. Panther).

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd ten aanzien van al het beslag beslissingen te nemen op de manier zoals de rechtbank dat heeft gedaan.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Het hof overweegt met de rechtbank als volgt.

De inbeslaggenomen voorwerpen vermeldt onder 1 tot en met 14 behoren aan de verdachte toe en dienen aan hem te worden teruggeven, nu deze voorwerpen niet in relatie staan tot het bewezenverklaarde feit, althans daarvan is uit het onderzoek niet gebleken.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld onder 15 tot en met 18 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Beslissing ten aanzien van de vordering tot gevangenneming

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht het bevel gevangenneming achterwege te laten.

Het hof overweegt als volgt.

Hoewel aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd, zal het hof de vordering van de advocaat-generaal afwijzen. Als uitgangspunt geldt dat een verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De op te leggen straf zal dus pas ten uitvoer kunnen worden gelegd als de uitspraak van het hof onherroepelijk is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 STK Hout (Omschrijving: 5152318 vloerplaten);

- 1 STK GSM (Omschrijving: 5173559. Nokia);

- 1 DS Doos (Omschrijving: 5174529 medicijn doosje);

- 2 STK Pil (Omschrijving: 5174532);

- 2 STK Sleutel (Omschrijving: 5174564);

- 3 STK Sleutel (Omschrijving: 5174992);

- 4 STK Sleutel (Omschrijving: 5174993 met een hartvormige sleutelhanger);

- 1 STK Slot (Omschrijving: 5174581);

- 1 STK GSM (Omschrijving: 5174547. Samsung);

- 1 STK GSM (Omschrijving: 5174548. Sagem);

- 1 STK Mat (Omschrijving 5 174206);

- 1 STK Mat (Omschrijving: 5174208);

- 1 STK Schoenen (Omschrijving: 5174998. Nike);

- 2 STK Schoenen (Omschrijving: 5174572. AUSTRALIAN).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Paspoort (Omschrijving: 5174588 op naam van [slachtoffer] );

- 1 STK Identiteitsbewijs (Omschrijving: 5174589 op naam van [slachtoffer] );

- 1 STK Zak (Omschrijving: 5174563 met diverse tekeningen);

- 1 STK Broek (Omschrijving: 5188201. Panther).

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1]

de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] tot schadevergoeding af.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

[nabestaande 1] af de vordering tot gevangenneming.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Colijn, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 oktober 2026.

=========================================================================

[…]