Strafrecht overig
Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de beslissing op een benadeelde partij…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juli 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:5914 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-5914
Zaakgegevens
Op 12 juli 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 12 juli 2022
- Datum publicatie
- 12 juli 2022
- Zaaknummer
- 21-002313-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:5914
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevestiging van het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de beslissing op een benadeelde partij.
Veroordeling voor het (mede)plegen van meerdere bedreigingen en (poging) brandstichtingen.
Veroordeling tot een gevangenisstraf van vijf jaar (met aftrek van voorarrest).
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 12 mei 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:1992Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 juli 2022deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2022:5914
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002313-21
Uitspraak d.d.: 12 juli 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 12 mei 2021 met parketnummer 16-010132-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
thans verblijvende in [P.I.] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, naar voren is gebracht.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen mr. F.A. ten Berge, raadsvrouw van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en
[benadeelde 4] , naar voren heeft gebracht en van hetgeen door [benadeelde 1] in het kader van het spreekrecht naar voren is gebracht. Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen door mr. N.T.G. Greven namens de benadeelde partijen [benadeelde 5] ,
[benadeelde 6] en [benadeelde 7] naar voren is gebracht en van hetgeen door [benadeelde 6] in het kader van het spreekrecht naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 mei 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.297,11. Dit bedrag bestaat uit
€ 2.797,11 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van (eigen bijdrage ziektekosten van € 655,90, inkomensschade tot en met april 2021 van € 1.012,17 en immateriële schade
van € 6.000,00 =) € 7.668,07. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering en heeft het deel van de vordering dat ziet op de inkomensschade over de periode van april 2021 tot en met december 2021 net aanvullende stukken nader onderbouwd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 10.297,11. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 2.797,11 aan materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Het hof acht, mede rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, de vordering billijk en daarom toewijsbaar.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (hoofdelijk) zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.297,11 (tienduizend tweehonderdzevenennegentig euro en elf cent) bestaande uit € 2.797,11 (tweeduizend zevenhonderdzevenennegentig euro en elf cent) materiële schade en
€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.297,11 (tienduizend tweehonderdzevenennegentig euro en elf cent) bestaande uit € 2.797,11 (tweeduizend zevenhonderdzevenennegentig euro en elf cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 86 (zesentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 december 2019.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. A. van Maanen, voorzitter,
mr. D. Visser en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier,
en op 12 juli 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P.T. Heblij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.