Strafrecht overig

Artikel 141 Sr. Bevestiging met aanvulling van het vonnis van de politierechter met betrekking tot…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 juli 2025

Zaakgegevens

Op 25 juli 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
25 juli 2025
Datum publicatie
25 juli 2025
Zaaknummer
21-004787-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:4636
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 141 Sr. Bevestiging met aanvulling van het vonnis van de politierechter met betrekking tot bewezenverklaring, kwalificatie en strafbaarheid. Vernietiging van het vonnis ten aanzien van strafoplegging en beslissing op de vordering benadeelde partij. Bewezenverklaring openlijke geweldpleging. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren in combinatie met een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004787-23

Uitspraak d.d.: 24 juli 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 oktober 2023 met parketnummer 18-098584-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Opgegeven verblijfsadres [adres]

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;

  • veroordeling van verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde tot een taakstraf van 120 uur, bij niet verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 15.416,38, bestaande uit € 11.916,38 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • toewijzing van de proceskosten tot een bedrag van € 1.086,00.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K.E. Wielenga, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. L.H. Poortman-de Boer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:

  • verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 180 uren, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis;

  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 17.286,21, bestaande uit € 13.786,21 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard;

  • de proceskosten toegewezen tot een bedrag van € 1.058,00.

Het hof verenigt zich met de beslissing van de politierechter met betrekking tot de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte, met dien verstande dat het hof, in verband met een door verdachte gevoerd verweer tijdens de zitting bij het hof, daar hierna een aanvulling op aanbrengt.

Het hof komt ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Aanvullende bewijsoverweging

Tijdens de zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij dacht dat aangever zijn vader zou gaan slaan.

Voor zover door verdachte (en medeverdachte) een beroep wordt gedaan op (putatief) noodweer omdat de vader van verdachte vanuit hun perspectief verdedigd zou moeten worden tegen geweld van aangever, is het hof van oordeel dat dit niet kan slagen. Het hof volgt de lezing van de getuige [getuige] , die geheel onafhankelijk is en wordt ondersteund door de aangifte. Het hof gaat dus uit van een andere feitelijke lezing. Het is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte zijn vader moest verdedigen tegen geweld van aangever. Niet alleen aangever, maar ook getuige [getuige] geeft aan dat aangever “uit het niets” gewelddadig werd benaderd. Ook omdat er eerder in deze “burenruzie” geen sprake geweest is van enige fysieke confrontatie, is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat aangever met sleutels in zijn handen een stap vooruit heeft gezet richting de vader van verdachte, niet aannemelijk maakt dat er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanval van verdachtes vader door aangever (en ook niet aannemelijk maakt dat verdachte ten aanzien hiervan verschoonbaar heeft gedwaald).

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn vader schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen aangever, tevens de eigenaar van het bedrijf naast het bedrijf van verdachten. Daarbij is aangever geduwd door de vader van verdachte en heeft verdachte aangever meermalen met een vuist in het gezicht gestompt. Aangever heeft hierdoor letsel opgelopen. Door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast versterkt dit soort geweld gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 juni 2025, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Het hof neemt dit in strafverminderende zin mee.

Het hof houdt bij de straftoemeting verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte verklaart dat het de laatste jaren minder goed gaat met het bedrijf dat hij samen met zijn vader, tevens medeverdachte, runt. Het bedrijf heeft schulden en verdachte en zijn vader moeten veel uren maken om het bedrijf in stand te houden.

Rekening houdend met het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede met de ernst van de verweten gedragingen acht het hof – net als de advocaat-generaal – een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf van 120 uren, bij niet verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de strafverzwarende omstandigheid, namelijk het veroorzaken van lichamelijk letsel, valt de straf van verdachte hoger uit dan die van medeverdachte. De voorwaardelijke gevangenisstraf is ter voorkoming van recidive, dat bij verdachte als een risico wordt gezien nu zijn bedrijf zich nog steeds naast het bedrijf van aangever bevindt en tijdens de zitting bij het hof duidelijk is geworden dat het onderliggende conflict ten aanzien van het al dan niet blokkeren van de toegangsweg naar het bedrijf van aangever nog niet is opgelost.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.170,44, bestaande uit 17.920,44 aan materiële schade en € 5.250,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 17.286,21, bestaande uit € 12.728,21 aan materiële kosten en € 3.500,00 aan immateriële kosten. Verder zijn de proceskosten toegewezen tot een bedrag van € 1.058,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De benadeelde partij stelt – kort gezegd – dat hij ten gevolge van het door het incident ontstane letsel en de psychische klachten niet in staat is geweest zijn bedrijf te exploiteren waardoor hij maandenlang derden heeft moeten inschakelen en daardoor schade heeft geleden ter hoogte van € 13.750,77 en daarnaast een geschatte toekomstige schade zal lijden van € 2.250,00. De benadeelde partij is daarnaast een tijd niet meer in staat geweest zijn tuin te onderhouden en huishoudelijke taken te verrichten waardoor hij dit eveneens aan derden heeft moeten uitbesteden en schade heeft geleden van € 248,23 respectievelijk € 1.636,00. Op dit moment gaat het mentaal nog steeds niet goed en zijn de spanningen nog dagelijks aanwezig. De benadeelde partij stelt aanspraak te hebben op een bedrag van € 5.250,00 aan smartengeld.

Standpunt van de verdediging

Materiële schade

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de kosten van het inhuren van twee personen voor het vervangen van verdachte in zijn bedrijf in de periode dat verdachte als gevolg van het incident niet kon werken, geen schadepost opleveren. De schade zou volgens de verdediging uit de winstderving moeten bestaan en dit kan pas berekend worden indien de benadeelde partij de financiële gegevens van zijn bedrijf ten aanzien van het jaar 2022, 2023 en 2024 overhandigt. Nu de benadeelde partij dit niet heeft gedaan en aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. Ook ten aanzien van de vorderingen wat betreft de overige materiële en immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De gevorderde medische kosten kunnen volgens de verdediging wel worden toegewezen.

Immateriële schade

Wat betreft de gevorderde immateriële schade is de verdediging van mening dat maximaal een bedrag van € 1.100,00 kan worden toegewezen.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 35,44 aan materiële schade. De door de benadeelde partij gemaakte medische kosten in verband met de voorgeschreven medicatie houden rechtstreeks verband met het incident nu verdachte degene is geweest die door het stompen in het gezicht een breuk in de oogkas heeft veroorzaakt. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Materiële en immateriële schade

Wat betreft de door de benadeelde partij gestelde (overige) materiële en immateriële schade oordeelt het hof dat vanwege de voorgeschiedenis tussen verdachten en de benadeelde partij – waarbij al geruime tijd sprake is van conflicten en irritaties ten aanzien van het al dan niet blokkeren van toegangswegen rondom het bedrijf van aangever – niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade slechts is geleden als gevolg van het onderhavige incident. Niet duidelijk is in hoeverre de voorgeschiedenis tussen verdachten en de benadeelde partij een bijdrage heeft geleverd aan de door de benadeelde partij gestelde schade. Voor het toe te wijzen schadebedrag zou dan ook nader onderzoek nodig zijn. Het hof acht het verrichten van zulk nader onderzoek in deze procedure echter niet op zijn plaats, nu dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Gelet op hierop zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten

Het hof acht de vordering tot vergoeding van de proceskosten – net als de advocaat-generaal en de verdediging – toewijsbaar. In dit kader zal het hof net als de politierechter aansluiting zoeken bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Uitgaande van een bedrag van € 1.058,00 zoals vastgesteld door de politierechter, geïndexeerd naar 2025, komt het hof op een bedrag van afgerond € 1.086,00.

Het voorgaande maakt dat ten aanzien van de proceskosten een bedrag van € 1.086,00 zal worden toegewezen.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de proceskosten. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte deze kosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 35,44 (vijfendertig euro en vierenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.086,00 (duizend zesentachtig euro), waarvoor verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het hele bedrag.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan de betalingsverplichting ten aanzien van de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, hebben voldaan, de andere vervalt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 35,44 (vijfendertig euro en vierenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 april 2023.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. L. Pieters, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. F.J.W.M. Tas, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,

en op 24 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.