Strafrecht overig
Artikel 285 Sr. Vernietiging vonnis politierechter. Bewezenverklaring bedreiging met enig misdrijf tegen het…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 juli 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:4637 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-4637
Zaakgegevens
Op 25 juli 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 25 juli 2025
- Datum publicatie
- 25 juli 2025
- Zaaknummer
- 21-003215-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:4637
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 285 Sr. Vernietiging vonnis politierechter. Bewezenverklaring bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling. Veroordeling tot een geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003215-24
Uitspraak d.d.: 24 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 juli 2024 met parketnummer 18-248963-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
-
vernietiging van het vonnis van de politierechter;
-
veroordeling van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde tot een geldboete van € 800,00, waarvan € 600,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met oplegging van een bijzondere voorwaarde, te weten een contactverbod.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F.H. Gart, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. M.L. de Jong, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
-
verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van een bijzondere voorwaarde, te weten een contactverbod;
-
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 404,60, bestaande uit € 4,60 materiële schade en € 400,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 30 maart 2023, te of bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen "waardeloze druif, ik ga je met een mes in de huid steken, moet je blijven staan als je durft." en/of "Kom es voor mie stoan, of moet je een steek in je pens hebben", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of opzettelijk dreigend met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op korte afstand van en voor die [benadeelde] , te tonen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat het aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 maart 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100 2023080796 d.d. 30 november 2023, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
Op donderdag 30 maart 2023 fietste ik op de openbare weg [naam] te [plaats] , binnen de gemeente [gemeente] . Ik zag dat er toen een goudkleurige auto mij tegemoet kwam rijden. Ik weet dat [verdachte] in deze auto rijdt. Ik hoorde dat [verdachte] zei "waardeloze druif, ik ga je met een mes in de huid steken, moet je blijven staan als je durft". Ik voelde mij toen bedreigd en was bang dat [verdachte] mij met het mes zou steken. Ik heb toen gezegd dat ik hier niet blijf staan, omdat ik niet met een mes wil worden gestoken. Ik heb toen mijn fiets weer gekeerd en ben weg gefietst.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 april 2024, opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant] :
In het filmpje met nummer 4210 is het volgende te horen: Op 1 minuut en 18 seconden in het filmpje zegt de verdachte het volgende. "Kom es voor mie stoan, of moet je een steek in je pens hebben."
3. Een eigen waarneming van het hof, zoals blijkt uit het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof d.d. 10 juli 2025, inhoudende:
Het hof heeft waargenomen dat er op beeld/ en geluidsopname genummerd 4210, twee stemmen te horen zijn. De opname duurt ongeveer twee minuten en is gemaakt door aangever. De stem in de verte is de stem van verdachte en de stem dichtbij is de stem van aangever. Het hof heeft waargenomen dat het hof verdachte rond 00:01:15 hoort zeggen ‘’kom dan voor me, wil je een steek in je pens hebben’’. Daarop hoort het hof aangever zeggen ‘’absoluut niet jongen’’. Op de opname is verdachte duidelijk herkenbaar. Niet is te zien of hij een mes in zijn hand heeft.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens de verdediging is niet uit de in het dossier bevindende camerabeeld af te leiden dat verdachte de tenlastegelegde woorden heeft geuit. Het door verbalisant [verbalisant] opgestelde proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat verdachte aangever zou hebben bedreigd, kan volgens de verdediging niet tot een veroordeling leiden. De verdediging trekt deze bevindingen in twijfel nu er eerder een proces-verbaal is opgemaakt waaruit volgt dat er geen bedreiging te horen is. Op aandringen van aangever zijn de beelden nogmaals bekeken en werd er wel een bedreiging waargenomen. De verbalisant is dan ook beïnvloed door aangever waardoor geen sprake is van eigen waarneming van de verbalisant.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.
Feiten en omstandigheden
Op 30 maart 2023 fietste aangever met zijn hond over het zandpad uitkomende op de openbare weg [naam] te [plaats] . Verdachte kwam aangever op dat moment tegemoet in zijn auto. Op dat moment begint aangever met het maken van een beeld/ en geluidsopname van de confrontatie met verdachte. Er is al langere tijd sprake van onmin tussen verdachte en aangever en op de betreffende dag hebben de spanningen geleid tot een bedreiging. Bij het langsfietsen schreeuwde verdachte richting aangever ‘’kom voor mij stoan, wil je een steek in de pens hebben’’. Aangever voelde zich daardoor bedreigd en was bang dat verdachte hem met een mes zou steken.
Oordeel van het hof
Het hof heeft op het in het dossier bevindende beeld- en geluidsopname van het incident tussen verdachte en aangever waargenomen dat verdachte heeft gezegd ‘’kom voor mij stoan, wil je een steek in de pens hebben’’. Gelet hierop gaat het hof voorbij aan de stelling van de raadsman van verdachte dat hij de voornoemde woorden niet uit het filmpje heeft kunnen afleiden en de omstandigheid dat verdachte zich niet meer kan herinneren dat hij aangever heeft bedreigd. Naast het feit dat het hof de door verdachte geuite bedreiging zelf heeft waargenomen, wordt de overtuiging van het hof dat verdachte de hiervoor genoemde woorden heeft geuit, versterkt door de context van de confrontatie tussen verdachte en aangever. Het hof heeft verder namelijk waargenomen dat aangever op verdachte antwoordde met ‘’absoluut niet jongen’’. Dit wekt de indruk dat er een vraag werd gesteld, zij het in retorische zin. Gelet hierop acht het hof het verhaal van verdachte, dat hij aangever alleen zou hebben uitgescholden, niet aannemelijk. Het hof merkt verder nog op dat de omstandigheid dat uit de video andere bewoordingen volgen dan die zoals in de aangifte zijn opgenomen, niets afdoet aan de strekking van de bedreiging, namelijk dat er met een mes gestoken gaat worden.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is - voor zover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het hof is van oordeel dat de door verdachte gebezigde woorden naar hun betekenis een onmiskenbaar bedreigende strekking hebben waardoor bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hem zou steken met een mes en hij het leven zou kunnen verliezen. Dat aangever aanvankelijk lachend op zijn fiets zat en het mes niet zichtbaar was, staat dan ook niet in de weg aan het aannemen van de redelijke vrees bij aangever dat hij het leven zou verliezen. Op de opname is te zien dat aangever na de bedreiging besluit om door te fietsen.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangever met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door naar aangever de woorden ‘’kom voor mij stoan, wil je een steek in de pens hebben’’ te schreeuwen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de overige tenlastegelegde woorden heeft geuit en dat verdachte bij de bedreiging een mes heeft getoond aan aangever. Verdachte dient ten aanzien hiervan dan ook partieel te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op 30 maart 2023, te of bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen ‘’Kom es voor mie stoan, of moet je een steek in je pens hebben", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Op 30 maart 2023 heeft verdachte aangever bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling door naar hem te roepen of hij een steek in zijn ‘pens’ moet hebben. Verdachte heeft daarmee op intimiderende wijze een voor aangever beangstigende situatie veroorzaakt.
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 5 juni 2025 blijkt dat verdachte recent niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke dan wel andersoortige strafbare feiten.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte verklaart dat hij nog steeds schapenhouder is en dat dit goed gaat.
Het hof heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieruit volgt dat voor bedreiging een geldboete van € 350,00 het uitgangspunt is. Het hof ziet geen reden om hiervan af te wijken.
Gelet op het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – acht het hof derhalve een geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden.
Contact- en locatieverbod
Hoewel het hof – gelet op de aanhoudende conflictsituaties tussen verdachte en aangever – de indruk heeft dat het onderhavige incident niet het laatste incident is dat zich tussen verdachte en aangever zal voordoen, ziet het hof gelet op het wederkerige karakter van de zaak, waarbij beide partijen een aandeel lijken te hebben in de conflictueuze situatie, geen aanleiding om een voorwaardelijke straf met een contact- dan wel locatieverbod op te leggen. Verdachte en aangever stellen over en weer dat de één de ander opzoekt en het hof heeft het vermoeden dat van beide kanten gedragingen plaatsvinden waardoor de ander wordt uitgelokt om te reageren. Het opleggen van een eenzijdig contact- en/of locatieverbod is in deze zaak dan ook niet op zijn plaats. Bovendien stellen beide partijen geen contact met elkaar te wensen, zodat ook op grond daarvan een contactverbod niet nodig is.
Nog los van al het voorgaande vraagt het hof zich af of het strafrecht in een zaak zoals deze het meest passende middel is. Het opleggen van een straf dan wel maatregel zal namelijk geen oplossing bieden voor de situatie tussen verdachte en aangever.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.147,84, bestaande uit € 147,84 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 404,60, bestaande uit € 4,60 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade, gelet op de rol van de benadeelde partij in het grotere geheel, moet worden vastgesteld op nihil.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 43,70 aan reis- en parkeerkosten. Aangever heeft als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit immers moeten reizen naar het politiebureau en de rechtbank. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Wat betreft de overige gevorderde materiële schade ter hoogte van € 104,14 is het hof onvoldoende gebleken dat deze verband houden met het bewezenverklaarde zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu de benadeelde partij deze schade onvoldoende heeft onderbouwd. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 43,70 (drieënveertig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 43,70 (drieënveertig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 maart 2023.
Aldus gewezen door
mr. L. Pieters, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. F.J.W.M. Tas, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,
en op 24 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.