Strafrecht overig
Veroordeling voor het vervoeren van hennep, het aanwezig hebben van cocaïne en het voorhanden hebben van…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:3900 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-3900
Zaakgegevens
Op 1 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 juni 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 21-001188-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:3900
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het vervoeren van hennep, het aanwezig hebben van cocaïne en het voorhanden hebben van verscheidene (nep)vuurwapens en munitie tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001188-24
Uitspraakdatum: 1 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 juni 2020 met parketnummer 08-234102-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juni 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. U. Ural, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft bij vonnis van 25 juni 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de politierechter bevolen dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 310,00 aan verdachte moet worden teruggegeven.
Het proces-verbaal van de zitting van de politierechter is niet uitgewerkt. Daarnaast legt het hof aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 februari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1235 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 4 februari 2019 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 4 februari 2019 te [plaats] een of meer wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een revolver, van het merk Rohm, type RG2, kaliber .22 LR
- een gaspistool, van het merk Umarex, type GPDA9, kaliber 9 mm PAK en/of
- een gasrevolver, van het merk Umarex, type Colt Detective Special, kaliber .380 PAK, zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 17 patronen 9 mm PAK en/of
- 11 patronen .380 PAK
voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 4 februari 2019 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukgeweer van het merk Crosman, model 1077, waarvan de loop en/of de kolf waren ingekort, waardoor het wapen een sprekende gelijkenis vertoont met ene vuurwapen, te weten een ingekort hagelgeweer, model riotgun, kaliber 12. voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.
Oordeel van het hof
Het hof acht de ten laste gelegde feiten, gelet op de stukken in het dossier, de bekennende verklaring van verdachte en het feit dat door de raadsman geen verweer tot vrijspraak is gevoerd, wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 1 februari 2019 te [plaats] heeft vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 1235 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 4 februari 2019 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,16 gram, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij op 4 februari 2019 te [plaats] wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een revolver, van het merk Rohm, type RG2, kaliber .22 LR
- een gaspistool, van het merk Umarex, type GPDA9, kaliber 9 mm PAK en
- een gasrevolver, van het merk Umarex, type Colt Detective Special, kaliber .380 PAK, zijnde vuurwapens in de vorm van een revolver en/of pistool en
een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- 17 patronen 9 mm PAK en
- 11 patronen .380 PAK
voorhanden heeft gehad;
4.
hij op 4 februari 2019 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukgeweer van het merk Crosman, model 1077, waarvan de loop en de kolf waren ingekort, waardoor het wapen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, te weten een ingekort hagelgeweer, model riotgun, kaliber 12. voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van het hof
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, mr. U. Ural. De strafoplegging is, zakelijk weergegeven, als volgt mondeling gemotiveerd.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van hennep en het aanwezig hebben van cocaïne. Hard- en softdrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Door de aankoop hiervan heeft verdachte bijgedragen aan het in standhouden van de handel in drugs en allerlei daaruit voortvloeiende vormen van criminaliteit en overlast. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verscheidene (nep)vuurwapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en is daarom bij wet verboden.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 1 mei 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Het hof neemt deze omstandigheid in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals deze tijdens het onderzoek op de terechtzitting door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.
Daaruit blijkt dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten kampte met een hardnekkige drugsverslaving. Daarnaast hield hij zich bezig met (internationale) drugshandel. Op enig moment is verdachte in [stad] opgepakt voor drugshandel en heeft hij daarvoor een langdurige gevangenisstraf opgelegd gekregen en vijf jaar aldaar uitgezeten. Sinds zijn terugkeer in Nederland heeft verdachte een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij heeft - naar eigen zeggen - afscheid genomen van zijn oude netwerk, een baan gekregen en hulp gezocht voor het afbetalen van zijn schulden.
Gelet op de ernst van de feiten acht het hof de door de politierechter opgelegde straf van 6 maanden gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdverloop aanleiding om daarvan af te wijken.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren, passend en noodzakelijk. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarbij als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.
Beslag
Het hof gelast de teruggave aan verdachte van het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 310,00.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 310,00.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. A.F. van Kooij en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juni 2026.