Strafrecht overig
Ontvankelijkheid van het hoger beroep. Hof: uit proces-verbaal van de zitting van de politierechter blijkt…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4456 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4456
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 21-004576-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4456
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontvankelijkheid van het hoger beroep. Hof: uit proces-verbaal van de zitting van de politierechter blijkt uit mededelingen van de toenmalig raadsman van verdachte dat verdachte op de hoogte was van de zitting. Verdachte had binnen 14 dagen hoger beroep moeten instellen en heeft dat niet gedaan. Hoger beroep te laat ingesteld. Verdachte is niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004576-25
Uitspraakdatum: 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 9 oktober 2025 met parketnummer 96-140308-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 96-282703-20, 96-291264-23, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze houdt in dat het hof het aanhoudingsverzoek van de verdediging toewijst. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. G.J.P.M. Grijmans is aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 9 oktober 2025 is niet aan verdachte in persoon betekend. Verdachte is ook niet op de zitting van de politierechter verschenen. De vorige raadsman van verdachte (mr. P. Bonthuis) is wel verschenen, maar verklaarde niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging namens hem te voeren. De politierechter heeft op 9 oktober 2025 verstek verleend aan verdachte en vervolgens vonnis gewezen.
Uit het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 9 oktober 2025 blijkt dat de voormalige raadsman van verdachte de volgende mededeling heeft gedaan:
“Ik heb contact met verdachte gehad en we hadden vandaag voorafgaand aan de zitting afgesproken de strafzaak te bespreken. Hij was dus voornemens om aanwezig te zijn tijdens de zitting en hij is ook op de hoogte van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling. Ik weet niet waarom hij niet is verschenen en kan daarom ook geen verzoek tot aanhouding doen.”
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte op de hoogte was van de zitting op 9 oktober 2025 en dat de voormalige raadsman daarom geen aanleiding zag om een aanhoudingsverzoek te doen. Het hof heeft in wat door de raadsman van verdachte op de zitting van het hof naar voren is gebracht geen reden om aan deze inhoud van het
proces-verbaal van de zitting te twijfelen.
Bij die stand van zaken kon verdachte volgens artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gedurende veertien dagen na 9 oktober 2025 tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Het hoger beroep is echter pas ruim ná het verstrijken van die termijn, namelijk op 5 november 2025, door verdachte ingesteld. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld.
Het hof is niet gebleken van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.
Nu de verdachte het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn heeft ingesteld, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. A.F. van Kooij en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 juni 2026.