Strafrecht overig
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 10.000,-. Het gerechtshof bevestigt dat…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4570 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4570
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- 21-001228-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4570
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 10.000,-.
Het gerechtshof bevestigt dat oordeel en verwerpt het in hoger beroep gevoerde draagkrachtverweer.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001228-22
Uitspraakdatum: 14 juli 2026
Tegenspraak
Ontnemingszaak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , van 23 maart 2022 met het parketnummer 08-274981-20, op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in de zaak van
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Overijssel.
Het onderzoek van de zaak
Het gerechtshof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het gerechtshof van 30 juni 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met als aanvulling dat het door de verdediging gevoerde draagkrachtverweer zal worden verworpen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de betrokkene en zijn raadsman,
mr. J. Michels, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep.
De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 10.000,00. Verder heeft de rechtbank de verplichting tot betaling aan de Staat vastgesteld op datzelfde bedrag en is de duur van de gijzeling bepaald op 100 dagen.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Wel ziet het gerechtshof aanleiding voor de volgende aanvulling op het vonnis van de rechtbank ter zake van de verplichting tot betaling.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de verplichting tot betaling zal worden vastgesteld op nihil. Subsidiair is bepleit dat de verplichting tot betaling zal worden vastgesteld op € 6.000,00, te voldoen in maandelijkse termijnen van € 100,00 gedurende 5 jaren.
Dit op grond van het tijdsverloop dat gemoeid is geweest met de berechting van de zaak en op grond van de zeer beperkte draagkracht van de betrokkene, zoals nader toegelicht in de schriftelijke pleitnota. Aangevoerd is onder meer dat de betrokkene leeft van een bijstandsuitkering en dat hij zijn eten haalt bij de voedselbank.
Het gerechtshof wijst dit draagkrachtverweer af. Op de grond van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het gerechtshof niet aannemelijk geworden dat de betrokkene nu en in de toekomst geen enkele verdiencapaciteit van enige betekenis zal hebben. De draagkracht van de betrokkene kan desgewenst aan de orde worden gesteld in de fase van de executie van de beslissing tot ontneming.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, leidt het tijdsverloop er in deze ontnemingszaak evenmin toe dat een lager terugbetalingsbedrag dient te worden vastgesteld.
De betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak verwante strafzaak reeds gecompenseerd ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn. Volstaan kan daarom worden met de constatering dat de redelijke termijn eveneens is overschreden in de ontnemingszaak.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J.A.M. Kwakman en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 juli 2026.