Strafrecht overig

wrakingsverzoek waarbij als wrakingsgrond de wijze van ondervraging is aangevoerd. Het wrakingsverzoek is…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
21-000374-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4671
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

wrakingsverzoek waarbij als wrakingsgrond de wijze van ondervraging is aangevoerd. Het wrakingsverzoek is afgewezen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000374-23

Uitspraakdatum: 15 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 24 januari 2023 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 december 2018 met parketnummer 08-134396-15 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 in [plaats] ,

wonende te [adres] .

Procesgang

Eerste aanleg

Verdachte is bij vonnis van 11 december 2018 door de politierechter voor mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Namens verdachte is op 20 december 2018 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

Bij arrest van 4 mei 2021 heeft dit gerechtshof verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Namens verdachte is op 6 mei 2021 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft bij arrest van 24 januari 2023 het arrest van het hof vernietigd omdat de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige, niet zonder meer begrijpelijk was. De zaak is teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter zittingen van het hof van 10 juli 2024, 13 augustus 2025 en 1 juli 2026 en het onderzoek ter zitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd.

Vonnis

De politierechter heeft verdachte voor mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter hoogte van € 1.082,15 is toegewezen.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 maart 2015 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] meermalen (met kracht) met de vuist in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de vinger/ de duim, althans het lichaam te slaan en/of te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd betreffen pagina’s van het dossier van de [regio politie 1] , proces-verbaalnummer PL0500-2015000025 , afgesloten d.d. 27 juli 2025 (aantal doorgenummerde bladzijden: 44), nader te noemen: het politiedossier, tenzij anders vermeld.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte van [regio politie 2] , proces-verbaalnummer PL0600-2015115270-6 , d.d. 9 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , verbalisant van politie (pagina’s 15 tot en met 17 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [benadeelde partij] :

Ik doe aangifte van mishandeling door een voor mij onbekend gebleven man op zondag 8 maart 2015 op [straat 1] te [plaats] .

Op zondag 8 maart 2015 omstreeks 01.30 uur ging ik naar de stad. Ik kwam daar een vriend van mij tegen, namelijk [getuige 2] . Ik ben samen met [getuige 2] voor Shoarmazaak [shoarmazaak] gaan staan. Op een gegeven moment zag ik dat er een wat oudere man aan kwam lopen. Opeens zag ik dat de man tussen mij en [getuige 2] in stond. Ik keek de man aan. Ik zag dat de man een verwarde indruk maakte en dat hij een beetje dronken was. Ik hoorde dat de man aan mij en [getuige 2] vroeg “Waar is mijn pet?” Ik hoorde dat de man hierop tegen mij en [getuige 2] zei “Jullie gaan nu de pet voor mij zoeken.” Ik zei tegen de man dat ik helemaal niets voor hem ging zoeken. Ik zag en ik voelde dat de man zonder enige aanleiding mij kennelijk en opzettelijk en met kracht met zijn gebalde rechtervuist sloeg. Ik voelde dat hij mij op mijn linkerkant van mijn hoofd raakte. Ik zag en ik voelde dat hij kennelijk en opzettelijk en met kracht met zijn rechter gebalde vuist een paar keer naar mij uithaalde. Ik heb geprobeerd om met mijn rechterhand de klappen tegen te houden en ik liep hierbij naar achteren om zo de klappen te ontwijken. Ik voelde dat de man mij toch nog vier keer de linkerkant van mijn gezicht heeft geraakt.

Ik heb toen de man een klap met mijn rechter gebalde vuist gegeven. Ik heb de man aan de rechter kant van zijn lichaam geraakt. Ik heb echter geen idee waar ik de man precies heb geraakt. Ik zag dat de man door mijn vuistslag zijn evenwicht verloor en op de grond viel.

Ik heb toen gesproken met een van uw collega's. Ik heb hen verteld wat er was gebeurd. Ik zag dat de man die mij had aangevallen nog op de grond lag en dat ambulance personeel met hem bezig waren. Ik zag dat het ambulance personeel de man naar de ambulance brachten. Hoe hij naar de ambulance is gebracht weet ik niet omdat ik op dat moment aan het praten was met uw collega's. Omdat de man uit de ambulance sprong en raar deed zag ik dat de man door uw collega's werd aangehouden.

Ik kan de man die mij heeft mishandeld als volgt omschrijven:

  • Blanke huidskleur

  • Kaal hoofd

  • Ongeveer 1.85 meter lang

  • Fors postuur

  • Donkerblauw/zwart vestje met capuchon

  • T-shirt of polo met horizontale strepen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige van [regio politie 2] , proces-verbaalnummer PL0600-2015115270-9 , d.d. 12 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , verbalisant van politie (pagina’s 19 tot en met 20 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [getuige 2] :

Ik ben getuige geweest van de mishandeling van mijn vriend [benadeelde partij] op [straat 1] op zondag 8 maart 2015.

Ik liep van [straat 1] richting snackbar [snackbar] op 8 maart 2015. Ik zag dat voor shoarmazaak [shoarmazaak] twee mensen met stoelen naar elkaar aan het gooien waren. Eén van de mannen was een man met een kaal hoofd, gezet postuur, blanke huidskleur. Ik kwam vervolgens [benadeelde partij] tegen ten hoogte van [shoarmazaak] . Toen we net een minuut aan het praten waren zag ik dat de kale man die net aan het vechten was geweest in onze richting liep. Ik hoorde de man vragen: “Waar is mijn pet?” Ik zag dat de man onder invloed van alcohol en drugs was. Ik zag dat hij in een dreigende houding vlak voor ons ging staan. Ik hoorde hem zeggen: “Zoek mijn pet.” Ik hoorde [benadeelde partij] antwoorden: “Sorry, ik weet niet waar je pet is.” Ik hoorde hem zeggen: “Niet?” en zag dat hij direct begon te slaan. Ik zag dat hij met zijn tot vuist gebalde handen kennelijk opzettelijk en met kracht op [benadeelde partij] in begon te slaan. Ik zag dat [benadeelde partij] meerdere malen werd geraakt. Ik zag dat hij werd geraakt op zijn kin, op zijn wang en vol op zijn rechter slaap.

Ik zag dat [benadeelde partij] een stap naar achteren stapte. Ik zag dat [benadeelde partij] vervolgens als zelfverdediging een (1) klap uitdeelde met zijn rechtervuist richting de kale man. Ik zag dat de man op de zijkant van zijn gezicht geraakt werd. Ik zag dat de man op de grond viel. Ik zag dat hij levenloos bleef liggen.

Ik zag dat de politie eraan kwam. Ik heb de politie alles verteld. Ik zag dat de ambulance eraan kwam. Na ongeveer tien minuten zag ik dat de man uit de ambulance stapte. Ik zag dat de man toen werd aangehouden door de politie.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige van [regio politie 2] , proces-verbaalnummer PL0600-2015115270-11 , d.d. 16 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , verbalisant van politie (pagina’s 21 tot en met 22 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [getuige 1] :

Ik ben getuige geweest van de mishandeling op [straat 1] op 8 maart 2015.

In de stad is een restaurant [shoarmazaak] en daar stond ik voor op 8 maart rond 02.00 uur. Ik zag een kale man en een jonge man voor restaurant [shoarmazaak] . Ik zag dat de kale man naar de jonge man toeliep. Ze stonden heel kort met elkaar te praten. Ik zag dat de kale man wat handgebaren maakte. Ineens zag ik dat hij de jonge man begon te slaan. Ik zag dat hij de jongen twee keer sloeg. Ik zag dat hij de jongen in zijn gezicht sloeg met een tot vuist gebalde hand.

Ik zag dat de kale man toen een vuistslag van de jongen kreeg. Ik zag dat hij zijn evenwicht verloor, eerst een paar stappen achteruit deed en op de grond viel. Ik zag dat de kale man in zijn gezicht geraakt werd. Ik zag dat de kale man met zijn hoofd op beton viel.

Ik kan de kale man als volgt omschrijven:

  • Zonder jas

  • Huidskleur blank

  • Leeftijd ongeveer 40 jaar

  • Lengte 170 cm.

4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Overijssel, d.d. 7 december 2016, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [getuige 1] :

Op 8 maart 2015 stond ik nabij restaurant [shoarmazaak] te wachten. Ik stond voor het restaurant. Toen kwamen er twee jonge mannen voor mij langslopen. Precies tegenover mij stond een kale man te wachten. Een van die twee jongeren werd door die kale man bij de onderarm vastgepakt en naar zich toegetrokken. Die jongere reageerde zichtbaar alsof niet duidelijk voor hem was wat er gebeurde. Net op dat moment gaf die kale man die jongeman een vuistslag in zijn gezicht, te weten tegen zijn rechterwang.

5. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Overijssel, d.d. 14 december 2016, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [benadeelde partij] :

Ik heb in deze zaak als slachtoffer aangifte gedaan bij de politie. Ik was op de betreffende zaterdagnacht aanwezig tegenover shoarmazaak [shoarmazaak] . Ik kwam een oude klasgenoot tegen. Hij heet [getuige 2] . Terwijl ik met mijn rug naar [shoarmazaak] toestond en met die vriend stond te praten, kwam een onbekende persoon bij mij. Hij kwam tussen ons in staan en tikte ons beiden aan en vroeg ons waar zijn pet was gebleven. Later heb ik begrepen dat het [verdachte] was. Ik keek naar hem en heb hem gezegd dat ik geen pet had gezien. Hij zei dat wij zijn pet moesten zoeken en ik heb gezegd dat ik dat niet ging doen. Meteen daarna greep hij mij vast en haalde hij uit met zijn rechtervuist. Hij heeft mij geraakt aan de zijkant van mijn gezicht, aan de linkerkant. Hij heeft mij vaker geslagen. Hij bleef mij vasthouden en bleef ook doorslaan met zijn vuist.

6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 18 december 2024, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [benadeelde partij] :

Ik voelde en hoorde iets bij mijn duim omdat ik hem wegsloeg.

Mijn duim was ook gebroken. De arts zei dat het ook kan zijn dat mijn duim eerst een tik heeft gehad en door mijn klap terug helemaal gebroken is.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte van [regio politie 2] , proces-verbaalnummer PL0600-2015115270-4 , d.d. 8 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , verbalisant van politie (pagina’s 26 en 27 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Op zaterdag 7 maart 2015, omstreeks 23.30 uur ben ik naar de stad gegaan. Ik ben gegaan naar cafe [cafe 1] . Daarna ben ik gegaan naar cafe [cafe 2] . Op een gegeven moment ben ik op zondag 8 maart 2015, omstreeks 00.30 uur weggegaan. In [straat 2] werd ik door 2 buitenlandse knapen op een onvriendelijke manier aangesproken. Ik herinner me dat ik op een gegeven moment op de grond lag en dat ik door omstanders geholpen werd.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verklaringen van [benadeelde partij] , [getuige 2] en [getuige 1] niet tot het bewijs kunnen worden gebruikt omdat zij onbetrouwbaar, onderling tegenstrijdig en onvoldoende controleerbaar zijn. Uit het dossier volgt volgens de verdediging dat [benadeelde partij] is begonnen met grof geweld en dat [benadeelde partij] verdachte heeft geslagen en niet andersom. Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw overweegt het hof dat verdachte letsel had, zoals een wond aan het hoofd, een breuk in de enkel, een kneuzing aan de rechterschouder en bloeduitstortingen en zwellingen in het gelaat. Getuigen en ook aangever zelf hebben verklaard dat aangever [benadeelde partij] pas heeft geslagen nadat hij door verdachte was geslagen. Bovendien hebben zij verklaard dat verdachte door de klap van aangever [benadeelde partij] ten val is gekomen op de (betonnen) grond.

Getuige [getuige 2] heeft bovendien gezien dat verdachte voorafgaand aan het incident met aangever [benadeelde partij] in gevecht was met iemand anders, en al een bloedende hoofdwond had opgelopen voordat hij [benadeelde partij] sloeg.

Het dossier bevat dus aanwijzingen dat het letsel van verdachte deels is ontstaan voorafgaand aan de confrontatie met [benadeelde partij] en/of doordat verdachte ten val kwam op straat.

Ten laste is gelegd dat verdachte [benadeelde partij] heeft mishandeld. Anders dan de verdediging is het hof van mening dat de verklaringen van aangever [benadeelde partij] , en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] betrouwbaar zijn. Zij verklaren in de kern gelijkluidend over de aanleiding van de confrontatie, dat verdachte vroeg naar zijn pet, over de klappen die zijn uitgedeeld, en de volgorde van het geweld en over het feit dat verdachte ten val kwam.

Het hof ziet in het bij verdachte aangetroffen letsel geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangever en getuigen, nu het hof – in tegenstelling tot de verdediging – in de verklaringen van [getuige 2] , [benadeelde partij] en [getuige 1] bovendien een deugdelijke verklaring vindt voor het bij verdachte aangetroffen letsel. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw en zal de verklaringen van [getuige 2] , [benadeelde partij] en [getuige 1] bezigen voor het bewijs.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het letsel bij verdachte is ontstaan doordat [benadeelde partij] begon met fors geweld tegen verdachte en voor zover de verdediging met dat verweer een beroep heeft willen doen op zelfverdediging faalt dus ook dat verweer.

Ten overvloede overweegt het hof dat ter regiezitting van 10 juli 2024 – op verzoek van de verdediging – is beslist om (onder andere) de getuige [getuige 2] te horen bij de raadsheer-commissaris. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van het kabinet raadsheer-commissaris d.d. 17 maart 2025 is het niet gelukt om voornoemde getuige binnen een aanvaardbare termijn te horen. De verdediging heeft ter zitting nadrukkelijk opgemerkt niet wederom te verzoeken de getuige [getuige 2] te horen, maar heeft wel verzocht rekening te houden met het gegeven dat voornoemde getuige medewerking aan het getuigenverhoor heeft geweigerd.

Het hof acht het tenlastegelegde mede op grond van de verklaring van getuige [getuige 2] bewezen. Het hof acht dit in overeenstemming met het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Het hof overweegt dat in hoger beroep is getracht getuige [getuige 2] te horen, maar dat dit niet is gelukt omdat hij niet in Nederland verbleef, in het buitenland geen vaste verblijfplaats had en hij na 3 februari 2025 niet meer heeft gereageerd op berichten vanuit het hof. Ook de poging van het kabinet raadsheer-commissaris om via de getuige [benadeelde partij] contactgegevens van getuige [getuige 2] te verkrijgen is op niets uitgelopen en desgevraagd heeft de verdediging uiteindelijk ter zittingen van het hof uitdrukkelijk afgezien van het horen en heeft zij het verzoek om de getuige te horen niet herhaald (i). Het gewicht van de getuigenverklaring van [getuige 2] is daarnaast naar het oordeel van het hof binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek niet dusdanig dat de bewezenverklaring in beslissende mate op deze verklaring is gebaseerd. Er is voldoende ander bewijs voorhanden waardoor de verklaring van [getuige 2] wordt ondersteund (ii). Verder is in eerste aanleg de mogelijkheid geweest om de getuigen [benadeelde partij] en [getuige 1] te bevragen. En in hoger beroep is de getuige [benadeelde partij] wederom bevraagd. Op die manier heeft de verdediging op meerdere momenten ook de betrouwbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 2] kunnen toetsen, waardoor er compensatie is voor het niet kunnen horen van [getuige 2] als getuige (iii). Het hof is derhalve van oordeel dat het gebruik van de door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring voor het bewijs niet maakt dat de strafprocedure niet overall fair is geweest en dat er geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 8 maart 2015 [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] meermalen (met kracht) met de vuist in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de vinger/ de duim, althans het lichaam te slaan en/of te stompen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof van 13 augustus 2025 gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf van veertig uren, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging.

Oordeel van het hof

Het hof legt aan verdachte geen straf of maatregel op maar geeft toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever [benadeelde partij] met de vuist in het gezicht te slaan. Hiermee heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van aangever. Vervolgens heeft verdachte zelf een klap van aangever geïncasseerd waarna hij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft meerdere maanden klachten ondervonden van zijn letsel. Het hof zal de gevolgen die verdachte heeft ondervonden in strafmatigende zin meewegen.

Het hof houdt verder rekening met de omstandigheid dat dit een zeer oud feit betreft en een lang procesverloop ten grondslag ligt aan dit eindarrest. In meerdere procesgangen is de redelijke termijn van berechting overschreden. Het hof weegt ook dit in strafmatigende zin mee.

Het hof neemt bovendien in strafmatigende zin mee dat aangever [benadeelde partij] bij zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat de zaak wat hem betreft is afgesloten.

Een onvoorwaardelijke strafdeel doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het feit en het algehele tijdsverloop. Ook weegt het hof in dit kader de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee, waaronder dat hij als vader goed contact met zijn zoons onderhoudt, hij in een instelling voor beschermd wonen in een buitengebied verblijft en meerdere medische klachten ondervindt.

Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van 2 juni 2026 waaruit blijkt dat verdachte in de laatste zes jaren niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. Nu verdachte al die tijd justitieel in rustig vaarwater is, dient een voorwaardelijke straf geen doel meer. Bovendien is artikel 63 van het Wetboek van Strafrechte, mede door het lange tijdsverloop, van toepassing.

Alles afwegende, acht het hof het raadzaam in verband met de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden die zich na het strafbare feit hebben voorgedaan, te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Het hof zal om die reden toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.082,15 ingediend, bestaande uit € 532,15 aan materiële schade en € 550,- aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gesteld dat het bedrag conform de beslissing van de politierechter kan worden toegewezen.

De verdediging heeft primair gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair zijn de hoogte van de bedragen, de grondslag, het causale verband en de afwezigheid van eigen schuld betwist.

Oordeel van het hof

Het schadeopgaveformulier van de benadeelde partij is gedateerd op 8 augustus 2015. Het schadeonderbouwingsformulier (inclusief elf bijlagen) is opgesteld op 27 augustus 2015 door Slachtofferhulp Nederland . Slachtofferhulp Nederland heeft op 9 maart 2016 de voeging van de benadeelde partij compleet gemeld. De benadeelde partij heeft bij de rechtbank en in hoger beroep geen nadere toelichting gegeven op de vordering. Wel is de benadeelde partij in het kader van onderhavige strafzaak gehoord bij de raadsheer-commissaris op 18 december 2024. Toen heeft de benadeelde partij (voor zover in dit kader relevant) het volgende verklaard: “Voor mij is de zaak in principe ook afgesloten. Het schadeformulier heb ik ook niet meer doorgelezen. Dat is via het schadefonds gegaan en het schadefonds heeft het ook al vergoed.”

Naar het oordeel van het hof zijn in dit stadium en onder voornoemde omstandigheden, mede gelet op het algehele tijdsverloop, de (hoogte van de) gevorderde schade en de grondslag onvoldoende onderbouwd en onvoldoende duidelijk. Het hof acht zich niet in staat vast te stellen dat de gevorderde schade die verband houdt met de gebroken duim in voldoende rechtstreeks verband staat met de handelingen van verdachte, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. Bovendien is de vordering uitvoerig gemotiveerd betwist. Een nader partijdebat zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren, mede gelet op het tijdsverloop. Daarom kan de benadeelde partij in de vordering nu niet worden ontvangen. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in diens vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. Th.C.M. Willemse, voorzitter,

mr. C.H. Zuur en mr. D.J. Stahlie, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,

en op 15 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland) en EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin t. Nederland).