Strafrecht overig
Bewezenverklaring van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling door twee personen met een mes in…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4686 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4686
Zaakgegevens
Op 15 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 21-003286-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4686
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewezenverklaring van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling door twee personen met een mes in de rug te steken
Procesgang
Rechtbank Gelderland · 29 juli 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:6432Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2026:4686
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003286-24
Uitspraak van 15 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2024 met parketnummer 05-126614-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats]
Het hoger beroep
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. de Boer, en de advocaten van de benadeelde partijen
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zelf hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag meermalen gepleegd. Aan de verdachte is een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opgelegd met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) toegewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de kwalificatie van feit 2 en een andere straf dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug (onder het linkerschouderblad) heeft gestoken/gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een (diepe) ernstige sneekwond, waardoor de linker long werd geperforeerd/geraakt en/of een slagaderlijke bloeding ontstond (, omdat er een slagader tussen de ribben werd geraakt, waardoor er bloed tussen longvlies en borstvlies kwam), waardoor die [slachtoffer 1] een klaplong kreeg (waarvoor een (spoed)operatie en verblijf op de intensive care in het ziekenhuis vereist was) en/of een of meer ontsierend(e)litteken(s), immers heeft hij -verdachte- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug (vlak onder het linkerschouderblad) gestoken/gesneden;
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug (onder het linkerschouderblad) heeft gestoken/gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug heeft gestoken/gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) ernstige sneekwond, waardoor de linker long werd geperforeerd/geraakt en/of ontstond, waardoor er bloed tussen longvlies en borstvlies kwam), waardoor die [slachtoffer 2] een klaplong kreeg (waarvoor een (spoed)operatie en verblijf (op de intensive care) in het ziekenhuis vereist was) en/of een of meer ontsierend(e)litteken(s), immers heeft hij -verdachte- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, links op de rug, circa 25 centimeter onder de nek en circa 4 centimeter links (vlak onder het linkerschouderblad) gestoken/gesneden;
2. meer subsidiair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsoverweging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat bij beide steekmomenten sprake is van een poging tot doodslag. Daarvoor is van belang het gebruik van een mes van vijftien centimeter, de wijze en de kracht waarmee is gestoken en de zwaaiende beweging van het steken, de plekken waar is gestoken en de vastgestelde levensbedreigende en zware lichamelijk gevolgen. De verdachte heeft door zo te handelen de aanmerkelijke kans op het mogelijk intreden van de dood bij beide slachtoffers aanvaard. Dit valt vast te stellen aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm en op grond van feiten van algemene bekendheid, aldus de advocaat-generaal.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van beide slachtoffers niet bewust heeft aanvaard en dat dus geen sprake is van een poging tot doodslag. De verdachte heeft immers verklaard dat hij niet de bedoeling heeft gehad om de aangevers te doden.
Oordeel van het hof
De vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte met zijn gedragingen, namelijk het steken van een mes in de rug van beide aangevers, zich schuldig gemaakt heeft aan een poging tot doodslag, een zware mishandeling dan wel een poging tot zware mishandeling van de aangevers.
Feiten en omstandigheden
Op 20 mei 2023 rond 04:10 uur krijgt de politie een melding van een vechtpartij in het centrum van [plaats] . Ter plekke blijkt dat sprake is geweest van een steekincident. [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) wordt aangetroffen met een steekwond in zijn rug (feit 2). Iets verderop wordt [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) op straat aangetroffen, ook met een steekwond in zijn rug (feit 1). Hij is in elkaar gezakt. Beiden zijn overgebracht naar het ziekenhuis.
De politie ziet kort na de melding een man in hun richting rennen. De man komt vanaf de plek van de melding. Deze man is de verdachte. Hij had op dat moment een mes op zak. De verdachte heeft bekend dat hij met dat mes heeft gestoken. Dit staat dus ook niet ter discussie.
De gebezigde bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de hierna bewezenverklaarde feiten. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Juridisch kader – voorwaardelijk opzet
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Juridisch kader – zwaar lichamelijk letsel
Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.
Bewijsoverwegingen – feit 1
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt dat hij [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken in zijn rug. Uit de letselrapportages blijkt dat dit het volgende letsel tot gevolg heeft gehad:
-
een ongeveer drie centimeter lange steekverwonding aan de linkerzijde van de rug, enkele centimeters onder de onderste punt van het schouderblad;
-
een klaplong met bloeding in de borstkasholte;
-
een bloeding van een intercostaal arterie (tussen de ribben gelegen slagader);
-
een laceratie (weefselscheur) in de linker onderkwab van de long.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet het hof vaststellen dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer 1] was gericht. De verdachte heeft verklaard dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden. Het hof gaat hier in die zin in mee dat het willens en wetens plegen van het primair tenlastegelegde niet is bewezen.
Het hof zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Allereerst staat vast dat sprake is geweest van potentieel levensbedreigend letsel. Het steken heeft tot het hiervoor genoemde letsel geleid en heeft er ook voor gezorgd dat [slachtoffer 1] vijf liter bloed is verloren. Uit het Forensisch Geneeskundig Letselverslag volgt dat bij [slachtoffer 1] sprake is geweest van een hematothorax, omdat één van de slagaders tussen zijn ribben is geraakt. Een hematothorax is een abnormale toestand waarbij er bloed in de pleuraholte (de ruimte tussen de longvlies en borstvlies) gelekt is, met als gevolg dat de long kleiner wordt en niet volledig kan ontplooien. Afhankelijk van de hoeveelheid van de bloeding, kan er sprake zijn van een massieve hematothorax. Daarvan was sprake in [slachtoffer 1] ’s geval. Het letselverslag beschrijft dat bij niet tijdig medisch ingrijpen dit dodelijk had kunnen verlopen. Dit bewijst de aanmerkelijke kans op levensbedreigend letsel.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het aanbrengen van levensbedreigend letsel bewust heeft aanvaard. De politie heeft de camerabeelden van het moment van steken als volgt beschreven: “Ik zag om 04:11:54. uur tot en met 04:11:55.671 uur, dat de verdachte een snelle stap in de richting van slachtoffer 2 [hof: [slachtoffer 1] ] maakte. Hierbij hield hij zijn linkerarm gestrekt richting het slachtoffer. lk zag dat hij zijn rechterarm uitstrekte in de richting van het slachtoffer. lk zag dat het slachtoffer zich van hem wegdraaide, waardoor de verdachte het slachtoffer op zijn rug raakte. Ik zag dat het slachtoffer een grimas met zijn mond maakte”. In het dossier bevinden zich camerabeelden van het moment van steken van [slachtoffer 1] . Deze camerabeelden zijn door het hof in de aanloop naar de behandeling bekeken en op de zitting in hoger beroep aan de orde gesteld. Op de zitting is benoemd dat op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 1] een stap naar achteren doet en de verdachte vervolgens juist in de richting van [slachtoffer 1] beweegt en op hem toestapt en hem met het mes steekt. Die snelle beweging in combinatie met het strekken van de arm bij het steken duidt op een krachtige steekbeweging. Hoewel de diepte van het letsel volgens het letselverslag op foto’s niet te beoordelen is, wordt in deze rapportage aangegeven dat gezien de noodzaak tot operatie ten gevolge van het initiële letsel en het geconstateerde letsel in de longkwab, de steekdiepte van het letsel in ieder geval tot in de borstholte is geweest. Ook dit bewijst dat met kracht is gestoken.
Het steken met het mes in de rug van [slachtoffer 1] , de kracht waarmee het gepaard ging en de lengte van het mes van zo’n vijftien centimeter maken dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit een ander oordeel zou moeten volgen, is het hof niet gebleken. Het hof kwalificeert dit handelen dan ook als een poging tot doodslag, zoals primair ten laste is gelegd.
Bewijsoverwegingen – feit 2
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt dat hij [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken in zijn rug. Uit de letselrapportage blijkt dat dit het volgende letsel tot gevolg heeft gehad:
-
een steekverwonding mid-thoracaal (midden in de borstkas) links aan de linkerzijde van de rug, circa 25 centimeter onder de nek en circa 4 centimeter links van de middellijn;
-
een pneumothorax (klaplong), waarbij ook een spoortje bloed aanwezig was.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet het hof vaststellen dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer 2] was gericht. De verdachte heeft verklaard dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om [slachtoffer 2] te doden of zeer ernstig te verwonden. Het hof is van oordeel dat op grond van de inhoud van het strafdossier niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van "vol" opzet op de dood van aangever.
Het hof zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat het steken met een mes in de rug van [slachtoffer 2] onder deze uit het onderzoek volgende omstandigheden de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden – in dit geval de dood – heeft bestaan. Anders dan bij het steekincident met [slachtoffer 1] heeft het hof het met een stuk minder informatie te doen. Zo is in deze zaak, anders dan in de zaak van het slachtoffer [slachtoffer 1] , niet een deskundige benoemd door de rechter-commissaris met de opdracht om een aantal gerichte vragen te beantwoorden met betrekking tot onder meer de aard van het letsel en de kans op een dodelijke afloop. Het hiervoor genoemde letsel is in ieder geval onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat er een aanmerkelijke kans was op het overlijden van [slachtoffer 2] . Het hof betrekt hierbij ook de informatie uit het letselverslag van [slachtoffer 1] , waarin in zijn algemeenheid over een klaplong het volgende is beschreven: “Een enkelzijdige pneumothorax is in de regel niet meteen dodelijk als er op tijd behandeling wordt ingesteld”.
Door het ontbreken van die informatie kan het hof aan de hand van het geconstateerde letsel bij [slachtoffer 2] , niet vaststellen of het letsel potentieel levensbedreigend is geweest, zodat ook niet kan worden getoetst of de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Van het steken van [slachtoffer 2] zijn geen camerabeelden beschikbaar maar alleen stills en een proces-verbaal van bevindingen met een beschrijving van hetgeen op die camerabeelden is te zien. De beschrijving van de still op het moment dat wordt gestoken is als volgt: “[verdachte] [hof: de verdachte] rent naar hen toe en maakt een zwaaibeweging naar [slachtoffer 2] en raakt hem met zijn rechterhand op zijn rug”. Deze beschrijving vermeldt niets over de kracht waarmee is gestoken, maar slechts iets over de manier van bewegen. Dit maakt dat het hof ook aan de beschreven manier van handelen (steken door verdachte) geen conclusies kan verbinden voor het bestaan van een aanmerkelijke kans op een dodelijke verwonding bij [slachtoffer 2] en de aanvaarding daarvan door de verdachte. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .
Vervolgens zal het hof de vraag moeten beantwoorden of de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling bewezen kan worden verklaard. Daarvoor is van belang of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of de verdachte hier opzet op heeft gehad.
Het hof is van oordeel dat van zwaar lichamelijk letsel geen sprake is en overweegt daartoe als volgt. Er is gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het hof onderkent dat een klaplong en een steekwond in de rug naar hun aard ernstige letsels zijn. Hier staat tegenover dat [slachtoffer 2] het ziekenhuis na twee dagen heeft verlaten, de drain ook na twee dagen is verwijderd, de schatting van de genezingsduur van de letsels drie weken bedraagt en de verwachting is dat er geen blijvende schade is. Het aanbrengen van de drain wordt weliswaar gezien als medisch ingrijpen, maar is naar het oordeel van het hof niet van zeer ingrijpende aard. Dit maakt dat in dit geval niet gesproken kan worden van zwaar lichamelijk letsel. De algemene ervaringsregels maken ook niet dat het hof tot een ander oordeel komt. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] .
Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 2] .
De verdachte heeft door [slachtoffer 2] eenmaal in de rug te steken bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Door het steken is een klaplong ontstaan, waarvoor een drain is geplaatst. Uit de letselrapportage blijkt dat een drain in de borst doorgaans wordt geplaatst indien er sprake is van een onderbreking van het longvlies. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam diverse kwetsbare organen en slagaderen bevinden en dat deze met een meststeek in de rug geraakt kunnen worden. Het letselverslag van [slachtoffer 1] beschrijft in zijn algemeenheid dat een klaplong ontstaat door penetratie van de borstkas door de opening van buitenaf inclusief het borstvlies waardoor er lucht van buiten de borstkas tussen de twee vliezen komt. Het ontstaan van die klaplong door het steken duidt erop dat de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld het raken van vitale organen als het hart en de longen of slagaders in het bovenlichaam, aanmerkelijk is geweest.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm leidt het hof af dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het aanbrengen van potentieel zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Dat het borstvlies is aangeprikt door de messteek staat vast, anders had de klaplong niet opgetreden. Ook staat vast dat sprake is van een steekwond, ondanks de zwaaibeweging. Hieruit volgt dat in ieder geval met een zekere kracht is gestoken.
Het steken met het mes in de rug van [slachtoffer 2] , een zekere kracht waarmee het gepaard ging en de lengte van het mes van zo’n vijftien centimeter maken dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschoningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit een ander oordeel zou moeten volgen, is het hof niet gebleken. Het hof kwalificeert dit handelen dan ook als een poging tot zware mishandeling, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug (onder het linkerschouderblad) heeft gestoken/gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. meer subsidiair
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, in de rug heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte voor tweemaal poging tot doodslag een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren op te leggen. Ook is gevorderd bij arrest de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft elementen benoemd waarmee bij de strafoplegging rekening kan worden gehouden. De verdachte is first offender, hij is na een korte periode van voorlopige hechtenis geschorst en heeft zijn leven op de rit met werk en een relatie. De conclusies in de reclasseringsrapportages zijn positief. Door het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt de verdachte noch de maatschappij beter, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en een poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 2] . Hij was op dat moment onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en heeft beide slachtoffers met een mes in de rug gestoken. Beiden hebben aan het steken een klaplong overgehouden. In het geval van [slachtoffer 1] is zelfs een slagader geraakt en hij is zo’n vijf liter bloed verloren. [slachtoffer 1] mag van geluk spreken dat hij het heeft overleefd. Het zijn dit soort feiten die bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het steken vond plaats in een drukke straat op een uitgaansavond en veel personen zijn hiervan ongewild getuige geweest. Dit zijn daarnaast zeer ernstige feiten en de verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit valt hem aan te rekenen.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Dit betekent dat verdachtes strafblad geen strafverzwarende omstandigheid oplevert bij de strafoplegging.
Bij het bepalen van de soort en de hoogte van de straf heeft het hof ook gekeken naar de oriëntatiepunten (van het LOVS) bij zware mishandeling. Voor doodslag is er geen oriëntatiepunt. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Onder middelzwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan volledig herstel valt te verwachten binnen zes maanden na de gebeurtenis. Medisch ingrijpen zal in het algemeen geïndiceerd zijn. Het hof betrekt dit oriëntatiepunt bij de strafoplegging, in zoverre dat het betrekking heeft op het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde en dat feit een poging betreft en geen voltooid feit.
Het hof acht voor beide bewezenverklaarde feiten in beginsel een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden maar zal hiervan in het voordeel van de verdachte afwijken en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft meegewerkt aan een forensisch psychologisch onderzoek. De GZ-psycholoog heeft op 21 augustus 2023 het volgende gerapporteerd over de verdachte:
(…) indien hij teveel stress ervaart en emoties hem dreigen te overspoelen heeft hij de neiging om ‘weg te vluchten’ in destructief gedrag door bijvoorbeeld alcohol te gebruiken. (…) Omdat hij zijn kwetsbaarheid lijkt te onderdrukken kan er door teveel stress een voor hem niet te dragen druk bij betrokkene ontstaan. (…) Diagnostisch zijn er bij betrokkene niet voldoende kenmerken om te kunnen spreken van een posttraumatische stress-stoornis. Echter is wel aannemelijk dat de negatieve levensgebeurtenissen (de oorlog in Syrië, het vluchten en het settelen in een nieuw land/cultuur) een behoorlijke impact hebben gehad op zijn gevoelsleven. (…) Omdat er door het meegemaakte psychotrauma wel een significante lijdensdruk is ontstaan en betrokkene gevoelens van kwetsbaarheid door middel van middelen probeert te onderdrukken wordt er een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerd stoornis bij betrokkene vastgesteld.
Betrokkene weet (cognitief geweten) wat goed en fout is en kan hier naar handelen als hij goed blijft nadenken. Als betrokkene middelen gebruikt neemt de emotiegerichte coping bij betrokkene sneller de overhand en kan hij overgaan tot grensoverschrijdend gedrag als een dierbare (verbale of fysieke) pijn wordt aangedaan. Hij wil graag voor anderen zorgen maar kan hierin doorschieten zeker als hij ongeremd raakt door het gebruik van alcohol.
De GZ-psycholoog adviseert, ten aanzien van beide feiten, indien bewezen, om de verdachte dit verminderd toe te rekenen, omdat er voorafgaand aan het plegen van deze feiten sprake was van verschillende stressoren. Hierdoor lijkt er een verband te bestaan tussen de geconstateerde stoornis en beide bewezenverklaarde feiten. Het hof neemt dit advies over
Het door de verdachte tweemaal steken met een mes kan worden aangemerkt als ernstig uitgaansgeweld. Hier staat tegenover dat het strafdossier aanwijzingen bevat dat de verdachte niet betrokken was bij het ontstaan van de gewelddadige confrontatie met de aangevers en de groep met wie zij waren en dat hij aanvankelijk de-escalerend heeft opgetreden. Dat is te zien op de camerabeelden, waarbij hij een groepje vechtende mannen van elkaar wilde scheiden. Kort daarop richtte het geweld zich op de verdachte. De slachtoffers hebben in zoverre ook een aandeel gehad in dit openlijke geweld. Hoewel het steken met een mes niet in verhouding staat tot de gewelddadige handelingen van de slachtoffers, worden deze omstandigheden door het hof wel enigszins in strafmatigende zin meegewogen.
Tot slot weegt het hof de positieve ontwikkeling van de verdachte mee vanaf zijn schorsing van de voorlopige hechtenis op 15 juni 2023. Aan die schorsing zijn voorwaarden verbonden, waaronder reclasseringstoezicht, het volgen van trainingen/cursussen/behandeling op het gebied van agressiebeheersing en/of alcoholgebruik en het meewerken aan alcoholcontroles. Uit het meest recente reclasseringsrapport van 18 juni 2026 blijkt dat de verdachte zich aan deze voorwaarden heeft gehouden. Inmiddels is de verdachte al lange tijd abstinent van alcohol. De verdachte heeft een ambulante behandeling gevolgd bij [instelling] , waarbij zijn traumatische verleden is besproken binnen de behandeling en zijn verleden tegenwoordig geen invloed meer lijkt te hebben op zijn dagelijks functioneren. De reclassering beschrijft dat het de verdachte is gelukt om met hulp van betrokken partijen en zijn partner een stabiel leven op te bouwen met werk en een inkomen en door afstand te nemen van bepaalde personen. Dat volgt ook uit de ingebrachte stukken van de verdediging, zoals een verklaring van de leidinggevende van de verdachte. Net als de GZ-psycholoog, acht de reclassering het risico op recidive laag. De doelen binnen het reclasseringstoezicht zijn allemaal behaald volgens de reclassering waardoor zij reclasseringsbemoeienis niet langer nodig achten.
Deze omstandigheden zijn voor het hof reden om een lagere gevangenisstraf op te leggen. De verdachte heeft zich lange tijd aan de schorsingsvoorwaarden moeten houden en geprofiteerd van de hem geboden hulp en behandeling. Door de reclassering is gerapporteerd dat alle doelen binnen het reclasseringstoezicht zijn behaald en dat de reclasseringsbemoeienis niet langer nodig is. Het hof ziet daarom af van oplegging van een voorwaardelijk strafdeel.
Het hof realiseert zich dat oplegging van een lange gevangenisstraf een negatieve invloed zal hebben op al de leefgebieden van de verdachte. De bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , zijn echter zo zwaar en ernstig dat niet kan worden volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Een lange voorwaardelijke straf en een taakstraf, zoals genoemd door de raadsman, zijn gelet op de aard en de ernst van bewezenverklaarde feiten geen passende strafmodaliteiten
Het hof zal, alles afwegende, aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren (met aftrek van het voorarrest) opleggen.
Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, zal het hof niet overgaan tot het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Het enkele feit dat sprake is van een veroordelend arrest weegt onvoldoende op tegen de persoonlijke belangen van de verdachte. De verdachte heeft zich aan de eerder opgelegde schorsingsvoorwaarden gehouden, daar baat bij gehad en uit het strafblad lijkt te volgen dat sprake is geweest van een eenmalige ernstige geweldsexplosie. Daarom acht het hof opheffing van de schorsing niet opportuun.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.245,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De slachtofferadvocaat van [slachtoffer 1] , mr. B. Veenstra, heeft namens hem in hoger beroep medegedeeld dat de vordering wordt gehandhaafd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] in zijn geheel kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Op de zitting en uit het dossier is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte, namelijk het steken met een mes in zijn rug. De vergoeding van het ziekenhuisdaggeld komt het hof redelijk voor, omdat uit de stukken blijkt van een ziekenhuisopname van een paar dagen. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen. Het hof bepaalt de datum van de wettelijke rente op 26 mei 2023. Dit is de laatste dag van de ziekenhuisopname.
Immateriële schade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten de poging tot doodslag. Het lichamelijk letsel heeft bestaan uit een steekwond, een klaplong, een slagaderlijke bloeding van een tussen de ribben gelegen slagader, een bloeding in de long-/borstholte en een weefselscheur van de long.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere aantastingen in de persoon.
Het hof zoekt aansluiting bij de categorie minder ernstig borstletsel met bandbreedte € 8.500 tot € 12.000 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. [slachtoffer 1] heeft het hiervoor genoemde letsel opgelopen. Door het vele bloedverlies duurt het herstel langer dan gewoonlijk.
Het hof zoekt daarnaast aansluiting bij categorie minder ernstige littekenvorming (op andere delen van het lichaam dan het gezicht) met bandbreedte € 1.500,00 tot € 5.500,00 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. [slachtoffer 1] heeft nog enige tijd een behandeling ondergaan in het ziekenhuis voor pijnbestrijding. Ook nu nog ondervindt hij pijn bij koud weer, door te tillen of bij beweging.
Gelet op de bandbreedtes van beide categorieën, de benodigde medische behandeling en dat resterende pijnklachten zal het hof de gevorderde immateriële schade geheel toewijzen. De datum van de wettelijke rente wordt bepaald op de datum van het delict.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 101 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 16.341,05 ingediend. De rechtbank heeft een bedrag ter hoogte van € 13.089,92 toegewezen. De slachtofferadvocaat van [slachtoffer 2] , mr. B. Helmich, heeft namens hem in hoger beroep aangevoerd dat de vordering wordt gehandhaafd maar wordt beperkt tot het door de rechtbank toegewezen bedrag.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] in zijn geheel kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Op de zitting en uit het dossier is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte, namelijk het steken van een mes in zijn rug.
Dat sprake is van kapotte kleding volgt uit de beschrijving van de camerabeelden en de afbeeldingen bij het verzoek tot schadevergoeding waarop de wond en bebloede kleding te zien zijn. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd door/namens de verdachte betwist. De hoogte van de vordering ten aanzien de kleding is onvoldoende onderbouwd, waardoor het hof gebruik zal maken van zijn schattingsbevoegdheid om de hoogte van het bedrag vast te stellen. Het hof schat de waarde van de post ‘kleding’ op € 250,00. De datum van de wettelijke rente wordt bepaald op de datum van het delict, omdat de schade op dat moment is ontstaan.
Gezien de wond en de onderbouwing dat [slachtoffer 2] acht keer littekencrème heeft gekocht, komt de post ‘medicatie’ het hof redelijk voor. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd door/namens de verdachte betwist. De post ‘medicatie’ ter hoogte van € 339,92 zal daarom worden toegewezen. De datum van de wettelijke rente wordt bepaald op de datum van dit arrest, omdat bonnetjes met een specifieke aankoopdatum ontbreken.
Immateriële schade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten de poging tot zware mishandeling. Door het steken met het mes heeft [slachtoffer 2] een klaplong opgelopen.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere aantastingen in de persoon.
Het hof zoekt aansluiting bij de categorie minder ernstige borstletsel met bandbreedte
€ 2.675,00 tot € 3.500,00 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. In deze categorie gaat het om gebeurtenissen die leiden tot klaplongen, waarvan de benadeelde volledig en zonder complicaties herstelt, maar waarbij het herstel langer dan zes maanden vergt. Hoewel het herstel van benadeelde partij sneller oogt te zijn gegaan dan de daar genoemde zes maanden, acht het hof deze schaal passend. Voor het hof staat het ontstane letsel (de klaplong) centraal. Het hof zoekt daarnaast aansluiting bij categorie minder ernstige littekenvorming (op andere delen van het lichaam dan het gezicht) met bandbreedte € 1.500,00 tot € 5.500,00.
Gelet op de bandbreedtes van beide categorieën en de benodigde medische behandeling zal het hof de gevorderde immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00. De datum van de wettelijke rente wordt bepaald op de datum van het delict. Voor het overige deel wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 90 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af het verzoek tot het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.245,00 (vijftienduizend tweehonderdvijfenveertig euro) bestaande uit € 245,00 (tweehonderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.245,00 (vijftienduizend tweehonderdvijfenveertig euro) bestaande uit € 245,00 (tweehonderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 101 (honderdéén) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 mei 2023
en van de immateriële schade op 20 mei 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.589,92 (vijfduizend negenentachtig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 589,92 (vijfhonderdnegenentachtig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.089,92 (vijfduizend negenentachtig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 589,92 (vijfhonderdnegenentachtig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 52 (tweeënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 20 mei 2023 over een bedrag van € 250,00 ter zake van kleding
- 15 juli 2026 over een bedrag van € 339,92 ter zake van littekencrème
en van de immateriële schade op 20 mei 2023.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. J.F.C. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 15 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.