Strafrecht overig

Veroordeling wegens weigeren medewerking bloedonderzoek tot geldboete van € 2.000,00, subsidiair 20 dagen…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 juli 2026

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
21-003955-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4696
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling wegens weigeren medewerking bloedonderzoek tot geldboete van € 2.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, en rijontzegging van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met proeftijd van 2 jaren. Verweer dat verdachte niet bestuurder was van voertuig wordt verworpen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003955-25

Uitspraakdatum: 17 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 5 september 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 96-009834-24 en 96-177723-24, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. van den Hoonaard, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 5 september 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor het meermalen weigeren mee te werken aan een bevolen ademonderzoek tot een geldboete van € 2.000,00, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs als ingehouden of ingevorderd is geweest, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof zal daarom het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 96-009834-24:

hij op of omstreeks 26 december 2023 te [Stad] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

Zaak met parketnummer 96-177723-24 (gevoegd):

hij op of omstreeks 24 februari 2024 te [Stad] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van de onder parketnummer 96-009834-24 en parketnummer 96-177723-24 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken ten aanzien van het onder parketnummer 96-009834-24 ten laste gelegde feit, omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder was van de auto. Verdachte heeft verklaard dat een dame waarmee hij in de auto zat, heeft gereden. Na de auto te hebben geparkeerd, is zij naar haar huis gegaan om zich om te kleden en op te frissen. Verder stond de auto stil op het moment dat de verbalisant verdachte heeft aangesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 96-177723-24 ten laste gelegde feit heeft de raadsman eveneens vrijspraak verzocht. Verdachte kon niet meewerken aan het ademonderzoek omdat hij daarvoor een klap op zijn mond van een verbalisant had gekregen.

Oordeel van het hof

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Het hof komt in beide zaken tot een bewezenverklaring en gebruikt daarvoor de hierna genoemde bewijsmiddelen:

In de zaak met parketnummer 96-009834-24:

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2024, opgenomen op pagina 2 en volgende van het dossier van Politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2023393076 van 26 december 2023, inhoudende het relaas:

Op dinsdag 26 december 2023 om 05:00 uur bevonden wij, verbalisanten, ons op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [Straat] , [Stad] . Op bovengenoemde datum, tijd en plaats zagen wij, verbalisanten, dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, Volkswagen Polo, Nederland, kenteken [kenteken] , dit bestuurde. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften hebben wij, verbalisanten, de bestuurder zijn voertuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.

Ik, verbalisant, heb op dinsdag 26 december 2023 om 05:12 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen. Met medewerking van de bestuurder heb ik, verbalisant, hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat. Als resultaat van deze test zag ik, verbalisant, dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F. Het resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte gaf mij, verbalisant, op te zijn genaamd:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1995

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Op dinsdag 26 december 2023 om 05:13 uur, heb ik, verbalisant, de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld, dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie. Bureau [plaats 2] , [Straat] [Stad] . De verdachte gaf op dinsdag 26 december 2023 om 05:58 uur geen gevolg aan dit bevel.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 26 december 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas:

Op dinsdag 26 december 2023 omstreeks 05.05 uur, zagen wij, verbalisanten een Volkswagen Polo voorzien van kenteken: [kenteken] rijden op de [Straat] (het hof begrijpt: [Straat] ). Wij zagen dat de bestuurder zijn voertuig parkeerde op de [Straat] . Wij hielden de bestuurder staande op grond van artikel 160 van de Wegen en verkeerswet (het hof begrijpt: de Wegenverkeerswet 1994). Ik, verbalisant, vorderde de inzage van een geldig rijbewijs. Ik zag dat de bestuurder genaamd bleek te zijn: [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ), geboren op 08-07-1995.

Wij brachten de verdachte over naar het politiebureau gelegen aan de [Straat] te [Stad] . Aldaar onderwierp ik, verbalisant, de verdachte aan de ademanalyse. Alvorens het onderzoek aan de ademanalyse deelde ik de verdachte mede dat hij drie pogingen had en dat daarvan twee pogingen met een positief resultaat afgerond moest worden. Ik deelde de verdachte mede dat wanneer hij niet zou mee werken aan de ademstest een proces-verbaal van weigering opgemaakt zou worden tegen de verdachte. Ik deelde de verdachte mede dat wanneer ik het vermoeden had hij de ademtest zou saboteren er ook een proces-verbaal van weigering opgemaakt zou worden tegen de verdachte.

Ik instrueerde de verdachte hoe hij de ademstest diende uit te voeren. Ik instrueerde de verdachte dat hij een diepe tuig lucht moest nemen en aaneengesloten uit moest blazen in het daarvoor bestemde tuitje. Ik hoorde dat de verachte zei dat hij begreep wat de bedoeling was. Ik zag dat de verdachte bij de eerste pogingen kort uitblies in het tuitje en vervolgens inhaleerde en daaropvolgend weer uit blies. Ik zag dat het apparaat aangaf dat er geïnhaleerd werd in plaats van geëxalteerd. Ik deelde de verdachte mede dat poging één niet voltooid was. Ik zag dat de verdachte vervolgens de tweede poging positief voltooide. Ik zag dat de verdachte dit zonder enige moeite voltooide. Ik zag dat de verdachte lucht overhad aan het einde van poging twee. Ik zag en hoorde dat de verdachte niet buiten adem was na het voltooien van poging twee.

Ik zag dat de verdachte poging drie opzettelijk saboteerde. Ik zag dat de verdachte niet inhaleerde alvorens het uitblazen in het tuitje. Ik zag dat de verdachte nauwelijks lucht uitblies in het tuitje. Ik zag dat het ademanalyse apparaat "onvoldoende lucht'' weergaf. Ik deelde de verdachte mede dat de poging niet was voltooid en dat ik vond dat de verdachte deze poging opzettelijk niet voltooide. Ik deelde de verdachte mede dat hij nog één poging had. Ik deelde de verdachte mede dat als deze poging niet positief voltooid zou worden er een proces-verbaal van weigering opgemaakt zou worden. Ik zag vervolgens dat de verdachte de vierde en laatste poging ook opzettelijk saboteerde. Ik zag namelijk dat de verachte lucht uitblies in het tuitje. Ik zag en hoorde dat de verdachte op de helft expres inhaleerde en vervolgens weer door ging met uitblazen. Ik zag dat deze laatste poging ook niet voltooid was.

3. De verklaring van verdachte, afgelegd op het onderzoek ter terechtzitting van de politierechter van 5 september 2025, inhoudende:

Ik dacht dat ik niet strafbaar was, omdat ik niet had gereden. Dat was dan ook mijn reden om de alcoholtest te weigeren.

In de zaak met parketnummer 96-177723-24 (gevoegd):

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2024, opgenomen op pagina 10 en volgende van het dossier Politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2024059066 van 7 mei 2024, inhoudende het relaas:

Op 24 februari 2024 omstreeks 00:10 uur zagen wij, verbalisanten, een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] rijden op de [Straat] te [Stad] . Het voertuig viel ons op door de rijstijl van de bestuurder. Het voertuig wisselde constant van snelheid met een piek van 100 kilometer per uur. Na enkele minuten achter het voertuig te rijden, stopte het voertuig op de [Straat] te [Stad] . Hierna stapte ik, verbalisant, uit het politievoertuig en liep naar de bestuurderskant van het eerder genoemde voertuig. De bestuurder van het voertuig bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .

Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] hierna uit het voertuig stapte. Wij zagen dat [verdachte] onstabiel op zijn benen stond en moeite had met stilstaan. Ik, verbalisant, vorderde [verdachte] om deel te nemen aan een voorlopige ademanalyse. Toen de voorlopige ademanalyse voltooid was zag ik, verbalisant, dat het voorlopig-ademanalyse apparaat 'G/F' aangaf. Hierop vorderde ik, verbalisant, [verdachte] om mee te gaan naar het politiebureau aan de [Straat] (het hof begrijpt: te [Stad] ) voor het afnemen van de ademanalyse.

Hierna hebben wij [verdachte] op het politiebureau onderworpen aan de ademanalyse. Toen wij probeerden uit te leggen hoe de ademanalyse zou verlopen en wat hij zou moeten doen, bleef [verdachte] door ons heen praten en eiste hij een advocaat. Uiteindelijk stemde [verdachte] in met het doen van de ademanalyse. Bij elke poging tot het analyseren van de uitgeademde lucht, deed [verdachte] hetzelfde. Als ik, verbalisant, hem verzocht te stoppen met blazen, stopte hij niet, maar zoog [verdachte] aan het mondstuk van het ademanalyseapparaat. Tussen elke poging probeerden wij aan [verdachte] uit te leggen dat hij enkel moest zuigen en niet moest blazen (het hof begrijpt dat de verbalisant de woorden “zuigen”en “blazen” in de laatste zin verkeerd om heeft genoteerd). Toch bleef [verdachte] zuigen aan het ademanalyseapparaat wat resulteerde in een weigering van de ademanalyse.

Bewijsoverweging

In de zaak met parketnummer 96-009834-24:

Uit het dossier volgt dat verbalisanten op 26 december 2023 in [Stad] een personenauto zagen rijden. Zij zagen dat een persoon deze auto bestuurde. Vervolgens hebben zij de auto doen stilhouden. De bestuurder van de auto bleek verdachte te zijn. Verbalisanten maken geen melding van een andere persoon in (de nabijheid van) de auto. Anders dan de verdediging, ziet het hof geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de hierboven weergegeven op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. De verbalisanten hadden immers goed zicht op de auto en zijn de auto gevolgd totdat deze door verdachte langs de weg tot stilstand werd gebracht.

Daarna is verdachte meegenomen naar het politiebureau voor een ademonderzoek. Met de politierechter is het hof van oordeel dat de verbalisanten verdachte daarbij voldoende instructies hebben gegeven en dat het uitblijven van een geldige ademanalyse aan verdachte te wijten is. Het gedrag van verdachte is terecht aangemerkt als een weigering. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder parketnummer 96-009834-24 ten laste gelegde feit.

In de zaak met parketnummer 96-177723-24 (gevoegd):

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter waar deze overweegt (hierna cursief weergegeven):

Uit het dossier volgt dat verdachte met hoge snelheid heeft gereden en daarbij slingerend rijgedrag vertoonde. Verdachte is vervolgens gevorderd mee te werken aan een ademonderzoek. Zowel ter plaatse als later is uitgebreid in het proces-verbaal vastgelegd dat het ademonderzoek niet is geslaagd doordat verdachte onvoldoende heeft meegewerkt, ondanks herhaalde instructies. Het procesdossier vermeldt voorts dat de situatie is geëscaleerd tot een gewelddadige aangelegenheid. (…) Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van het ambtsedige proces-verbaal van de verbalisanten. Dat verdachte uiteindelijk eenmaal wel in staat bleek te blazen, toont aan dat hij daartoe fysiek in staat was, maar dat hij kennelijk niet bereid was daadwerkelijk mee te werken. De politierechter is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van een weigering in de zin van de wet. Gelet op het bovenstaande acht de politierechter het (…) tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de zaak met parketnummer 96-009834-24 en in de zaak met parketnummer 96-177723-24 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

Zaak met parketnummer 96-009834-24:

hij op 26 december 2023 te [Stad] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

Zaak met parketnummer 96-177723-24 (gevoegd):

hij op 24 februari 2024 te [Stad] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het in de zaak met parketnummer 96-009834-24 en parketnummer 96-177723-24 bewezenverklaarde levert telkens op:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,00, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs als ingehouden of ingevorderd is geweest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om geen rijontzegging op te leggen, omdat verdachte werkzaam is als beveiliger en werkzaamheden verricht op uiteenlopende locaties, verspreid door heel Nederland. Zonder rijbewijs kan hij deze werkzaamheden - die soms ook in de nachtelijke uren plaatsvinden - niet verrichten. De raadsman heeft in plaats daarvan verzocht om oplegging van een (hogere) geldboete.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek. Door zo te handelen heeft verdachte een door het bevoegd gezag genomen besluit genegeerd.

Bij het bepalen van de strafoplegging heeft het hof in strafverzwarende zin gelet op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om wederom in de fout te gaan.

Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en tijdens het onderzoek op de terechtzitting bij het hof door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.

Het hof heeft bij de strafoplegging gekeken naar de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS)-oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het uitgangspunt voor het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek is een geldboete van € 1.300,00, en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een geldboete van € 2.000,00, bij niet voldoen te vervangen door 20 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs als ingehouden of ingevorderd is geweest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een passende en noodzakelijke bestraffing is. Enkel een geldboete opleggen acht het hof niet op zijn plaats omdat sprake is van recidive.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast (zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde / zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest).

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-009834-24 en in de zaak met parketnummer 96-177723-24 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 96-009834-24 en in de zaak met parketnummer 96-177723-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-177723-24 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-009834-24 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. E.W. van Weringh en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juli 2026.