Strafrecht overig
Veroordeling voor een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend mondeling seksueel benaderen op…
ECLI:NL:GHARL:2026:4884 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4884
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- 3963-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4884
Samenvatting
Veroordeling voor een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend mondeling seksueel benaderen op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, art. 251 Sr. Overwegingen t.a.v. steunbewijs en het indringend benaderen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003963-25
Uitspraakdatum: 28 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank [locatie] , zittingsplaats Almere, van 9 september 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-211699-25 en 16-226995-25, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-393726-24, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft partieel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank [locatie] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsman, mr. W.S. de Zanger, is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank [locatie] , heeft in het vonnis van 9 september 2025:
-
verdachte vrijgesproken voor het onder 1 impliciet cumulatief ten laste gelegde inzake parketnummer 16-226995-25 (bedreiging);
-
verdachte veroordeeld voor het ten laste gelegde inzake parketnummer 16-211699-25 (seksuele benadering van beneden-zestienjarige) en het onder 2 impliciet cumulatief ten laste gelegde inzake parketnummer 16-226995-25 (belediging verbalisanten) tot een gevangenisstraf van 3 weken, met aftrek van voorarrest;
-
de vordering na voorwaardelijke veroordeling gedeeltelijk toegewezen, in de vorm van tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 3 weken en de vordering voor het overige afgewezen.
Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen – ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-211699-25:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te [plaats] een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] indringend mondeling en/of schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door naar die [slachtoffer] te roepen: 'kom bij mij zitten, ik wil je kut likken, lieverd kom bij mij zitten', althans woorden van gelijke seksuele aard en/of strekking.
Zaak met parketnummer 16-226995-25:
2.
Hij op of omstreeks 25 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [Agent] en/of [Agent] (beide Hoofdagent bij Eenheid [locatie] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar/hen de woorden toe te voegen: "kankerleijers", "Hitlers" en/of "Imbicielen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging parketnummer 16-211699-25
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gestelde dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De politierechter heeft terecht geoordeeld dat het eerste contact tussen de verbalisanten en verdachte niet kan worden aangemerkt als een verhoorsituatie. Het was voor de verbalisanten niet te voorzien wat verdachte zou gaan zeggen toen zij hem confronteerden bij het bankje. De verbalisanten maakten een inventarisatie om te controleren of zij met verdachte de juiste persoon voor zich hadden.
Er is sprake van een voldoende indringende seksuele benadering om tot een bewezenverklaring te komen. Vanuit de uitingen van verdachte gaat een onmiskenbaar intimiderend en opdringerig effect uit. Wat het jonge slachtoffer in dit geval te horen heeft gekregen betreft verre van een grensgeval.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig bewijs. Naast de aangifte is er geen ander steunbewijs in het dossier. In het proces-verbaal van bevindingen zou verdachte hebben gezegd dat hij de ten laste gelegde uitingen zou hebben gezegd, nadat de verbalisant aan hem vroeg wat er was gebeurd. In zijn politieverhoor heeft verdachte dit echter later ontkracht. Daarnaast is voorafgaand aan deze belastende verklaring van verdachte niet de vereiste cautie gegeven. Ook heeft verdachte niet de mogelijkheid gekregen om met een advocaat te kunnen spreken. Hij kon bij de eerste ontmoeting op straat reeds als verdachte worden aangemerkt en er was sprake van een verhoor. Dit is een vormverzuim en moet leiden tot bewijsuitsluiting van de op straat gegeven bekennende verklaring.
Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt verder alleen dat de verbalisanten verdachte hebben aangetroffen op een bankje en dat hij voldeed aan het signalement van aangeefster, wat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad onvoldoende redengevend is. Daardoor wordt niet voldaan aan het bewijsminimum.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de uitingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als ‘indringend seksueel benaderen’. Het eenmalig roepen van de ten laste gelegde uiting voldoet daar niet aan, doordat de vereiste intensiteit van het contact ontbreekt. In het geval van verdachte is sprake van een eenmalige en korte uitroep, zonder dat sprake is van enig vervolg, herhaling of verdere toenadering.
Oordeel van het hof
Op grond van de hier na te melden bewijsmiddelen acht het hof het onder parketnummer 16-211699-25 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Steunbewijs
Het hof stelt voorop dat de verklaring aangeefster, kort gezegd inhoudende dat de verdachte haar toen zij voorbij fietste vanaf een bankje heeft toegeroepen: “kom bij mij zitten, ik wil je kut likken, lieverd kom bij me zitten” en dat zij deze man kent en via haar vader weet dat hij [verdachte] heet, op het hof authentiek over komt en dat het hof deze verklaring betrouwbaar acht.
Het hof stelt voorop dat volgens artikel 342, tweede lid (https://www.inview.nl/openCitation/id2cf10bf7eacc9f8ff6cf73fa11cf5c61), van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing in die zin dat zij de rechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen in het geval dat de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid (https://www.inview.nl/openCitation/id2cf10bf7eacc9f8ff6cf73fa11cf5c61), Sv is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden. De vraag of er voldoende steunbewijs is indien de bewezenverklaring zwaar leunt op de verklaring van één getuige is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn daarvoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs “voldoende steun” geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige.Steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat haar of hem is overkomen. Enkel een de auditu (“van horen zeggen”)-verklaring levert op zichzelf genomen niet voldoende steunbewijs op.Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu (“van horen zeggen”)-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.Het is niet (per se) vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen.
Het hof stelt vast dat de aangifte voldoende ondersteuning vindt in het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie. Het hof ziet die ondersteuning in het volgende.
Verdachte wordt aangetroffen op de plek en in de omstandigheden zoals beschreven door aangeefster. Verdachte erkent tijdens het verhoor bij de politie zijn aanwezigheid ter plaatse en verklaart, zoals ook aangeefster heeft verklaard dat hij op het bankje zat, bier aan het drinken was en dat hij aangeschoten was. Voorts komt zowel uit de aangifte als uit de verklaring van verdachte bij de politie naar voren dat er verbale interactie met een negatieve strekking is geweest tussen hem en de twee meisjes die steeds voorbij kwamen fietsen.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [Verbalisant 2] volgt dat zij een melding kregen om naar de [straat] in [plaats] te gaan. Daar zou een persoon op een bankje zitten die tegen een meisje van twaalf jaar seksueel getinte uitspraken gedaan zou hebben. De verbalisanten gingen naar de plaats delict. Ter plaatse zagen zij verdachte op het bankje zitten, met twee lege blikken bier naast hem en een derde blik bier in zijn handen. Zij roken een sterke alcohollucht. Verbalisant [verbalisant 1] herkende hem ambtshalve als [verdachte] .
In zijn politieverhoor, waarbij voorafgaand aan hem de cautie is gegeven en waarbij zijn raadsman aanwezig was, heeft verdachte verklaard dat hij op het bankje zat en een biertje aan het drinken was. Verder zegt hij dat er twee kleine meisjes de hele tijd voorbij fietsten, dat hij daar niet van houdt. Hij heeft iets naar hen geroepen. Zij riepen ook dingen maar dat hoorde verdachte niet goed.
Het hof is van oordeel dat gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen geen sprake is van een situatie waarin de in de aangifte naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.
Het hof zal verdachtes op straat afgelegde verklaring uit het proces-verbaal van bevindingen niet gebruiken voor het bewijs. Het verweer van de raadsman over het vormverzuim strekkende tot bewijsuitsluiting behoeft om die reden geen nadere bespreking.
Indringend benaderen
Volgens artikel 251, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voor strafbaarheid van seksuele benadering van een kind onder de leeftijd van zestien jaren vereist dat sprake is van indringend benaderen. Voor het bestanddeel ‘indringend’ is blijkens de wetsgeschiedenis een zekere mate van intensiteit vereist. Het hof dient te beantwoorden of hiervan sprake is.
Verdachte heeft, terwijl hij op een bankje zat en bier dronk, uitingen met een seksuele strekking naar aangeefster geroepen. Aangeefster fietste op dat moment met haar vriendin langs het bankje. Verdachte was destijds 58 jaar, terwijl aangeefster 12 jaar oud was. Het hof stelt vast dat het gaat om een niet leeftijdsconforme benadering. Uit de tekst van de bewoordingen leidt het hof af dat verdachte in eerste instantie een opdracht dan wel bevel geeft aan aangeefster (“kom bij mij zitten”). Deze opdracht wordt kort daarna nogmaals herhaald. Tussen die opdrachten door uit verdachte een volstrekt ongepaste wens van een volwassene naar de twaalfjarige aangeefster dat hij haar kut wil likken. Anders dan de raadsman bepleit, gaat het hierin niet om een enkele vraag aan aangeefster. Het betreft een uiting van een volwassen man met een evident leeftijdsverschil vanaf een bankje, die zijn stem verheft door in het openbaar te roepen en die aangeefster tevens tweemaal de opdracht geeft om naast hem te komen zitten. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de uitingen van verdachte aan aangeefster zonder meer het karakter hebben van een indringende seksuele benadering.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het indringend seksueel benaderen van aangeefster. Het hof acht het ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen
Parketnummer 16-211699-25
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 04 juli 2025, genummerd PL0900-2025224051 -3, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 5 e.v.;
Ik was op vrijdag 4 juli 2025 met een vriendin een rondje aan het fietsen door de
buurt waar ik woon. Er zat een man op het bankje bij [plaats]
[straat] . Dit was ter hoogte van de kruising
[straat] / [straat] te [plaats] . Het was toen omstreeks 19:30 uur dan wel 20:00 uur vrijdag 4 juli 2025. Dat is bij mij op de hoek waar ik woon. Ik ken deze man en heb hem al vaker daar zien zitten dan wel rondhangen. Ik weet via mijn vader dat hij [verdachte] heet. Ik hoorde man terwijl ik met mijn vriendin voorbij het fietste het volgende roepen: "kom bij mij zitten, ik wil je kut likken, lieverd kom bij mij zitten". Ik had toen al drie rondjes gefietst en hij riep dit toen ik met mijn vriendin voor de vierde keer voorbij fietste. Ik en mijn vriendin reageerden daarop met de woorden "hou je bek". Ik en mijn vriendin waren op dat moment de enige personen die voorbij fietsten dus was het duidelijk dat hij het tegen ons had. Daarop reageerde de man met de woorden: "wat nou" of woorden van gelijke strekking. Ik heb gezien dat de man een bierblik in zijn handen had en er uit dronk.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 04 juli 2025, genummerd PL0900-2025224051-4, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [Verbalisant 2] , beiden werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 8 e.v.;
Op vrijdag 4 juli 2025 omstreeks 20.05 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [Verbalisant 2] , gekleed in een politie uniform en inzetbaar voor de noodhulp voor de regio [locatie] . Direct hierop kregen wij een melding om te gaan naar de [straat] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Hier zou een persoon op een bankje zitten wie tegen een vrouw van twaalf jaar seksueel getinte uitspraken gedaan zou hebben. Direct hierop gingen wij ter plaatse.
Ter plaatse zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , een persoon op een bankje zitten. Ik
herkende deze persoon ambtshalve als *** [verdachte] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] *** Hierna te noemen, de verdachte. Ik zag dat [verdachte] onderuit gezakt op het bankje zat. Ik rook een sterke alcohol lucht, ik zag dat er twee lege blikken bier van een halve liter op het bankje naast hem lagen. Ik zag dat [verdachte] nog een derde blik bier in zijn handen had. Ik hoorde dat [verdachte] met een dubbele tong sprak. Ik zag dat [verdachte] minder alert reageerde op mijn aanwezigheid.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 5 juli 2025, genummerd PL0900-2025224051-7, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 22 e.v.
V: Klopt het dat jij iets hebt geroepen naar het slachtoffer?
A: Wegwezen.
(…)
V: Wat was je aan het doen op het moment van roepen?
A: Ik zat op een bankie lekker een biertje te drinken in de zon.
V: Met wie was je toen?
A: Alleen.
(…)
V: Had je door dat het slachtoffer minderjarig is?
A: Ja. Twee kleine meisjes dus.
V: Waarom zei je wegwezen tegen deze meiden?
A: Ze fietsten de hele tijd voorbij.
X: Wil je toch nog wel iets vertellen dus?
A: Ja dat is er gebeurd weetje.
V: Mogen die meiden niet langs fietsen?
A: Ja, maar toch niet twintig of dertig keer. Op het begin was het wel leuk. Elke
keer twee kleine meisjes. Dat is niet gezond vind ik. Als het familie is dan is het
goed, maar niet zo. Daar houd ik niet van.
V: Maar fietsten ze alleen langs of riepen ze ook dingen.
A: Ja, maar dat hoor ik niet goed.
Feit 2 parketnummer 16-226995-25
Ten aanzien van dit feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
-
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 6] van 24 juli 2025, genummerd PL0900-2025250753-5, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] , werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 5 e.v.;
-
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [Agent] van 24 juli 2025, genummerd PL0900-2025250774-3, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] , werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 8 e.v.;
-
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2025, genummerd PL0900-2025250753-6, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] , werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 11 e.v.;
-
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2025, genummerd PL0900-2025250774-2, opgemaakt door verbalisant [Agent] , werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 17 e.v.;
-
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 25 juli 2025, genummerd PL0900-2025250753-4, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden werkzaam bij de politie [locatie] , doorgenummerde pagina 36 e.v.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-211699-25 en in de zaak met parketnummer 16-226995-25 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 16-211699-25:
hij op 4 juli 2025 te [plaats] een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] indringend mondeling seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door naar die [slachtoffer] te roepen: 'kom bij mij zitten, ik wil je kut likken, lieverd kom bij mij zitten'.
Zaak met parketnummer 16-226995-25 (gevoegd):
2.
hij op 25 juli 2025 te [plaats] opzettelijk ambtenaren, te weten [Agent] en [Agent] (beiden hoofdagent bij Eenheid [locatie] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kankerlijers", "Hitlers" en/of "Imbicielen".
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 16-211699-25 bewezenverklaarde levert op:
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend mondeling seksueel benaderen op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren
Het in de zaak met parketnummer 16-226995-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte, evenals de politierechter, te veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 weken. Er is geen enkele reden om tot een andere stafoplegging te komen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit, om in geval van een veroordeling, een geldboete in combinatie met een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte, een volwassen man van destijds 58 jaar, heeft een minderjarig meisje van destijds 12 jaar indringend seksueel benaderd. Hij heeft zich bij zijn handelen kennelijk laten leiden door zijn seksuele fantasieën en heeft er niet bij stilgestaan dat dergelijk handelen kan zorgen voor psychische schade bij een minderjarige en diens normale seksuele ontwikkeling in de weg kan staan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van politieagenten. Hij heeft zeer grievende bewoordingen gebruikt en daarmee de verbalisanten beledigd. Ook heeft verdachte door zijn handelen geen enkel respect getoond voor het gezag van de politie.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 12 juni 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor zowel het beledigen van verbalisanten als voor het ´in het openbaar een ander indringend seksueel benaderen
door middel van opmerkingen op een wijze die vernederend is te achten´, maar ook voor andersoortige strafbare feiten. Daarnaast houdt het hof rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Bij de strafoplegging neemt het hof ook het reclasseringsrapport van 28 juli 2025 mee in haar overwegingen. Uit het reclasseringsrapport is naar voren gekomen dat verdachte een alleenstaande man is met alcoholverslavingsproblematiek en psychische beperkingen. Daarnaast is er een vermoeden van een licht verstandelijke beperking. Bij eerdere behandelpogingen in een forensisch kader heeft verdachte zich niet meewerkend opgesteld.
Naar het oordeel van het hof heeft de raadsman geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van de door hem bepleite strafmodaliteiten aangewezen acht. Op basis van de ernst van de bewezenverklaarde feiten, kan naar het oordeel van het hof ook niet worden volstaan met de door de raadsman bepleite strafmodaliteiten.
Het hof sluit zich aan bij de straf van de politierechter. Alles afwegende acht het hof passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf van 3 weken, met aftrek van voorarrest.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 16-393726-24 is verdachte op 21 februari 2025 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Ter zitting heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering na voorwaardelijke veroordeling gedeeltelijk toe te wijzen, in de vorm van tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en de vordering voor het overigeaf te wijzen.
De raadsman heeft bepleit om de vordering af te wijzen, omdat deze vordering ook aanhangig is in een andere strafzaak van verdachte waarin hij hoger beroep heeft ingesteld.
Verdachte heeft voor het einde van de proeftijd een nieuw strafbaar feit gepleegd. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. Het hof ziet net als de politierechter reden om niet die hele straf, maar een deel ervan ten uitvoer te laten leggen, te weten een gevangenisstraf van 3 weken.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 57, 63, 251, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-211699-25 en in de zaak met parketnummer 16-226995-25 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-211699-25 en in de zaak met parketnummer 16-226995-25 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2025, parketnummer 16-393726-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 weken, met proeftijd van 2 jaren, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. M.C. van Linde en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 juli 2026.