Strafrecht overig

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
26 augustus 2026
Zaaknummer
05-257162-25/000588-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5506
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en heft het bevel tot voorlopige hechtenis op. Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer/noodweerexces dan wel putatief noodweer. Op dit moment is zo onzeker hoe de rechter dit verweer tijdens de inhoudelijke behandeling zal beoordelen dat het hof voorlopige hechtenis thans een te ingrijpende maatregel acht. Daarbij heeft het hof de ernst van het feit en de zwaarwegendheid van de gronden uitdrukkelijk in zijn afweging meegenomen.

Uitspraak

beschikking

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Arnhem

pkn: 05-257162-25 - 03

avnr: 000588-26

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorte dag] 1983,

verblijvende in het huis van bewaring te [plaats] .

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 10 juni 2026, houdende de afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, in raadkamer van heden.

Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 15 juni 2026.

OVERWEGINGEN:

Het hof is na onderzoek gebleken dat ernstige bezwaren bestaan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten opgesomd in de vordering inbewaringstelling en dat gronden voor voorlopige hechtenis zouden kunnen worden aangenomen. Desalniettemin zal het hof de voorlopige hechtenis opheffen. Het hof overweegt daartoe dat door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer/noodweerexces dan wel putatief noodweer. Op basis van de stukken in het dossier is het hof van oordeel dat op dit moment zo onzeker is hoe de rechter dit verweer tijdens de inhoudelijke behandeling zal beoordelen, dat het hof voorlopige hechtenis thans een te ingrijpende maatregel acht. Daarbij heeft het hof de ernst van de feit en de zwaarwegendheid van de gronden uitdrukkelijk in zijn afweging mee genomen.

Nu het bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven komt het hof aan een beoordeling van het schorsingsverzoek niet meer toe.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof:

  • vernietigt de beslissing van de rechtbank waarvan beroep;

  • heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gegeven op 22 juli 2026 door mr. K. Gilhuis, voorzitter,

mr. M.E. van der Werf en mr. M. Nooijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van

Z.R. Gieteling - van Meegdenburg, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.