Strafrecht overig
Het hof veroordeelt verdachte voor poging doodslag en verwerpt zijn beroep op noodweerexces. Aangever had de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5881 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5881
Zaakgegevens
Op 11 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Datum publicatie
- 11 september 2026
- Zaaknummer
- 21-000054-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5881
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof veroordeelt verdachte voor poging doodslag en verwerpt zijn beroep op noodweerexces. Aangever had de vriendin van verdachte bespuugd. Verdachte duwde aangever zijn huis uit en had zijn voordeur kunnen sluiten. In plaats van het sluiten van zijn voordeur, pakte hij een mes, ging naar buiten en sneed in de vinger en de hals van aangever. Verdachte heeft hiermee dusdanig disproportioneel gehandeld, dat hem geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000054-25
Uitspraakdatum: 11 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 december 2024 met parketnummer 05-057260-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-178632-21, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis van de Rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. L.E. de Rode, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij,
mr. C.C.J. Tuip heeft aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor poging doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest en met bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.503,40 aan materiële schade en een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Het hof komt tot een deels andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de hals en/of de vinger, althans het lichaam van die [benadeelde] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te [plaats] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond en/of een blijvend litteken, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de hals en/of de vinger, althans het lichaam van die [benadeelde] te snijden;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de hals en/of de vinger, althans het lichaam van die [benadeelde] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op grotendeels juiste wijze tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde is gekomen en daartoe de feiten op juiste wijze heeft vastgesteld. Het hof neemt dan ook een groot deel van deze onderdelen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Deze onderdelen zijn hierna cursief weergegeven. Waar ‘de rechtbank’ staat, moet ‘het hof’ worden gelezen. De tekst die niet cursief is weergegeven, bevat verbeteringen of toevoegingen van het hof.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 17 februari 2024 waren verdachte en aangever [benadeelde] beiden bij de woning van verdachte in [plaats] . Op enig moment heeft verdachte een mes uit de keukenlade gepakt en dit op de keel van aangever gezet.
Beoordeling door de rechtbank
Toen verbalisanten op 17 februari 2024 bij de woning van het slachtoffer in [plaats] kwamen, zagen zij voor die woning een spoor van bloeddruppels liggen. Dit spoor ging richting die woning. Binnen zat het slachtoffer onderuitgezakt op de bank. Toen het ambulancepersoneel de handdoek weghaalde die rondom de nek van het slachtoffer werd gehouden, zagen de verbalisanten dat er op de keel van het slachtoffer een snijwond zat van ongeveer tien centimeter breed en ongeveer vier centimeter hoog.
Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat [naam] , de vriendin van [verdachte] (rechtbank: verdachte), hem binnen in de woning in de weg stond toen hij weg wilde gaan. Aangever kon er niet langs. Zij riep iets en aangever maakte een tuffende beweging in haar richting. Hij liep naar buiten. Hierop werd verdachte kennelijk boos en haalde een mes uit de keukenla waarmee hij naar aangever toekwam. Hij zette vervolgens het mes op de keel van aangever. Aangever zette voor de zekerheid zijn linker wijsvinger tussen/bij het mes. Daarna maakte verdachte met het mes een snijdende beweging over de keel van aangever, verdachte sneed aangever met het mes. Aangever raakte hierdoor gewond aan zijn keel en aan zijn vinger en ging richting zijn eigen woning. Het mes waar verdachte aangever mee had gesneden, was een lang en groot keukenmes.
In de letselrapportage staat over het letsel van [benadeelde] vermeld dat hij aan de voorzijde van zijn hals middenvoor een lijnvormige huidverwonding met een lengte van ongeveer
9 centimeter heeft met een enigszins kronkelend verloop. Het betreft een snijwond. Verder is op de linker wijsvinger een verwonding met scherpe randen zichtbaar met een streepvormig verloop van de handpalmzijde naar handrugzijde. Het betreft een snijwond.
Getuige [getuige] (hierna: [getuige] ), de zoon van verdachte, heeft verklaard dat hij hoorde dat [benadeelde] (de rechtbank begrijpt: aangever) vervelend deed tegen [naam] . Korte tijd later zag [getuige] dat verdachte boos werd op [benadeelde] en dat verdachte een mes uit de keukenlade pakte. Verdachte werkte aangever de deur uit en [getuige] zag dat verdachte het mes bij aangever op de keel zette toen zij op het gras voor de deur stonden. [getuige] hoorde korte tijd later dat verdachte zei dat hij de keel van aangever had doorgesneden. Toen sirenes hoorbaar waren hoorde [getuige] verdachte zeggen: “Nu ben ik de lul"’.
De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat de eerste verklaring van [getuige] niet voor het bewijs kan worden gebruikt omdat [getuige] tijdens het afleggen van deze verklaring emotioneel was. Daarnaast was [getuige] toen slechts 16 jaar oud en was zijn vader betrokken bij het incident. Hij heeft dan ook op 4 juli 2024 bij de rechter-commissaris een andere verklaring afgelegd dan eerder bij de politie.
Het hof verwerpt dit verweer. [getuige] heeft zijn politieverklaring kort na het incident afgelegd. Deze verklaring komt op essentiële punten overeen met de aangifte. De verbalisant ten overstaan van wie [getuige] kort na het incident de verklaring heeft afgelegd, heeft in een proces-verbaal van bevindingen opgemerkt dat zij ten tijde van het verhoor niet de indruk had dat [getuige] dusdanig onder invloed was of te emotioneel, dat hij geen verklaring af zou kunnen leggen. De verklaring van [getuige] van 18 februari 2024 kan worden gebruikt voor het bewijs, nu het hof gelet op het voorgaande geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Dat [getuige] op 4 juli 2024 bij de rechter-commissaris een andere verklaring heeft afgelegd, doet daar niet aan af.
Verbalisanten hebben de veiliggestelde beelden van de RING-videodeurbel bekeken.
In “video_1” zag en hoorde verbalisant:
> een zware stem, lijkend op een mannenstem zeggen “weetje hoe die jou noemde?” en “hij tufte je in je gezicht”,
> een zware stem, lijkend op een mannenstem zeggen “wat denk je wel niet broer, handen af van mijn kankerdame”.
> een zware stem, lijkend op dezelfde mannenstem zeggen “zo bij zijn strot, wat, wat, wat, wat, CHACK!” Ik zag dat de persoon in de paarse cirkel een wijzende beweging maakte met de rechterarm. De persoon maakte een beweging van links naar rechts voor de keel van de persoon in de blauwe cirkel.
> een zware stem, lijkend op een mannenstem zeggen “het is oorlog, het is oorlog, kankeroorlog”
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is die als mannenstem in het videobestand te horen is. Ook heeft hij verklaard dat hij de persoon is die de wijzende beweging maakte met zijn rechterarm.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte aangever een mes op zijn keel heeft gezet en hem daarmee in zijn hals heeft gesneden. Daardoor heeft aangever een snijwond in zijn hals en in zijn vinger, nu aangever zijn vinger tussen zijn hals en het mes heeft gehouden.
Poging tot doodslag
Voor het primair ten laste gelegde, de poging doodslag op aangever, is vereist dat verdachte opzet had om hem van het leven te beroven en dat dit opzet zich heeft geopenbaard in een begin van uitvoering van een handeling. Van een begin van uitvoering is sprake indien de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, te weten het doden van een ander.
Het hof stelt aanvullend op het voorgaande vast dat verdachte bij het incident op 17 februari 2024 bij de woning van aangever in [plaats] met een keukenmes een snijdende beweging in de hals van aangever heeft gemaakt. Aangever heeft daarbij een snijwond van circa 9 centimeter in zijn hals opgelopen. Daarnaast heeft hij een snijwond aan zijn vinger opgelopen, doordat hij deze tussen het mes en zijn keel had geplaatst. Door met een keukenmes in de hals van aangever te snijden, heeft verdachte een handeling verricht die naar haar uiterlijke verschijningsvorm was gericht op het doden van aangever. Hoewel verdachte de snijdende beweging betwist, acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, deze wel wettig en overtuigend bewezen, en daarmee ook dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primair
hij op of omstreeks 17 februari 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de hals en/of de vinger, althans het lichaam van die [benadeelde] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op het strafbare feit
poging tot doodslag.
Strafbaarheid van verdachte; beroep op (extensief) noodweerexces
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een beroep op (extensief) noodweerexces gedaan en betoogd dat verdachte om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de raadsman was sprake van een noodweersituatie, waarin verdachte zich mocht verdedigen. Hij heeft daarbij weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden door een mes te gebruiken en het slachtoffer daarmee te verwonden, maar deze overschrijding was het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van (extensief) noodweerexces. Volgens hem was er geen sprake van een noodweersituatie. Het is niet aannemelijk dat aangever een mes bij zich had. Voor zover er toch sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, was die geëindigd op het moment dat verdachte het mes gebruikte. Daarbij komt dat niet aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld als onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De gedragingen en de uitlatingen door verdachte na het incident wijzen volgens de advocaat-generaal niet op een hevige gemoedsbeweging en paniek, maar op boosheid en realiteitsbesef.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat sprake is geweest van een noodweersituatie. Er moet sprake zijn geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waarbij de verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed geboden was. Onder omstandigheden kan daaronder mede begrepen zijn een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding. Voor de beoordeling of sprake was van een noodweersituatie is onder meer van belang of de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden. Als sprake is van een noodweersituatie, moeten de gedragingen ter verdediging ‘geboden’ zijn, waarbij de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit tot uitdrukking komen. Niet strafbaar is echter ook de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, als deze het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.
Ter onderbouwing van het bestaan van een noodweersituatie heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding toen aangever naar de vriendin van verdachte in de deuropening liep, haar bespuugde in haar gezicht, haar onzedelijk betastte en haar bedreigde met een mes. Verdachte zou daarop gereageerd hebben door een mes uit de keukenlade te pakken en dit op de keel te zetten van aangever, waardoor aangever in zijn hals is geraakt.
Uit het dossier volgt dat aangever bij verdachte op bezoek was en dat er (ook) door verdachte stevig is gedronken. Het hof acht verder aannemelijk dat aangever, nadat er ruzie is ontstaan in de woning, in de richting van de voordeur is gelopen en daar naar of in de richting van de vriendin van verdachte heeft gespuugd. Dat verklaart namelijk niet alleen verdachte, maar ook de vriendin van verdachte, terwijl ook aangever dat bevestigt.
Dat aangever de vriendin van verdachte onzedelijk zou hebben betast en met een mes zou hebben bedreigd, acht het hof echter niet aannemelijk geworden. Het hof stelt vast dat daarover te wisselende en op essentiële punten uiteenlopende verklaringen zijn afgelegd, die elkaar deels bovendien tegenspreken en/of uitsluiten.
Het hof betrekt bij zijn oordeel ook de beschrijving van de camerabeelden van na het incident, waarop te horen is dat verdachte tegen [naam] zegt: “Hij tufte je in je gezicht”, waarbij verdachte geen andere handelingen van aangever jegens [naam] noemt.
Het hof gaat er verder vanuit dat - zoals verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard - hij aangever – nadat deze zijn vriendin had bespuugd – naar buiten heeft geduwd en dat verdachte daarna een mes heeft gepakt uit de keukenla. Verdachte is naar buiten gelopen en heeft aangever aldaar verwond.
Naar het oordeel van het hof levert de hiervoor vastgestelde situatie waarin aangever, nadat er ruzie was ontstaan in de woning, in de richting van de voordeur is gelopen en daar naar of in de richting van de vriendin van verdachte heeft gespuugd, een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van aangever jegens de vriendin van verdachte op, waartegen hij haar mocht verdedigen.
Dat deed verdachte ook door aangever naar buiten te duwen. Op dat moment was er een einde gekomen aan de noodweersituatie en had verdachte de deur van zijn woning kunnen sluiten zodat aangever (als hij dat al van plan was) niet meer bij verdachte in de woning kon komen.
In plaats van de deur te sluiten heeft verdachte uit de keukenlade een mes gepakt en is hij naar buiten gegaan alwaar hij het mes op de keel van aangever zette, waarna hij aangever in zijn vinger en hals sneed.
Het hof gaat ervan uit dat door het spugen van aangever bij verdachte boosheid is ontstaan of dat de boosheid die er al was (door de voorafgaande ruzie) is versterkt. Vanwege deze boosheid – en mogelijk ook door zijn alcoholgebruik – heeft verdachte besloten niet zijn voordeur te sluiten, maar een keukenmes uit de keukenlade te pakken, naar buiten te gaan en aangever in zijn vinger en hals te snijden.
Naar het oordeel van het hof valt dit geweld niet onder de disculperende werking van (extensief) noodweerexces. Er is namelijk sprake van een dusdanige wanverhouding tussen het spugen door aangever enerzijds en de door verdachte gepleegde poging doodslag anderzijds dat aangever geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt.
Het beroep op (extensief) noodweerexces wordt dus verworpen.
Verdachte is strafbaar omdat ook anderszins geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Bij het vaststellen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf zal het hof, zoals hierna nog wordt gemotiveerd, wel rekening houden met de mate waarin het bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend.
Oplegging van straf en maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte zich houdt aan een meldplicht, zich laat opnemen in [kliniek] , zal meewerken aan behandeling, en zich zal houden aan een drugs- en alcoholverbod, zal meewerken aan middelencontroles en zich zal houden aan een contact- en locatieverbod. Hij ziet geen aanleiding voor dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Verder heeft de advocaat-generaal een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest gevorderd. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarbij heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis ook van zijn vrijheid is beroofd geweest doordat hij verbleef in de [kliniek] . De raadsman heeft het hof verzocht aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 593 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren op te leggen. Verder heeft de raadsman verzocht om de conclusie van het NIFP over de mate van toerekeningsvatbaarheid over te nemen en verdachte in elk geval verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Ook de raadsman heeft verzocht het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer in zijn hals en vinger te snijden, waardoor deze ernstig gewond is geraakt. Het slachtoffer heeft een snijwond van 9 centimeter in zijn hals opgelopen en een snijwond in zijn vinger, die hij tussen zijn hals en het mes had geplaatst om te voorkomen dat hij in zijn hals gesneden zou worden. Het slachtoffer heeft heel veel geluk gehad dat het niet veel slechter met hem is afgelopen.
Verdachte heeft een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het handelen van verdachte niet tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lange tijd de lichamelijke en psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat is ook in deze zaak het geval. Uit het dossier, waaronder de stukken ter onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, komt naar voren dat het handelen van verdachte een forse lichamelijke en psychische impact op het slachtoffer heeft gehad.
In het dossier bevindt zich een NIFP Pro Justitia rapport van 26 juni 2024 opgemaakt door
J. Jonker, GZ-psycholoog, onder supervisie van R.W. Blaauw, GZ-psycholoog. De deskundige heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken. Daarnaast is bij verdachte sprake van een matige alcoholafhankelijkheid en een lichte cocaïneafhankelijkheid. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Gelet daarop wordt geadviseerd het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het hof neemt de voornoemde conclusies van de deskundigen over en komt gelet daarop tot het oordeel dat verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate kan worden toegerekend.
Het hof heeft bij de straftoemeting verder in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 28 juli 2026 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten, wat in beginsel strafverzwarend werkt.
Het hof heeft ook rekening gehouden met de andere persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter zitting van het hof naar voren zijn gekomen. Uit het voortgangsverslag van de reclassering volgt dat verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft ingezet om tot gedragsverandering te komen. Binnen de [kliniek] heeft verdachte succesvol een klinische behandeling gevolgd voor zijn alcohol- en drugsgebruik. Daar heeft hij aantoonbaar inzicht ontwikkeld in de aan zijn middelengebruik ten grondslag liggende problematiek. Verdachte onderhoudt een open en constructieve werkrelatie met de reclassering. Ook heeft hij geleerd om te gaan met negatieve emoties, conflicten, gevoelens van afwijzing en kwetsbaarheden binnen relationele contacten. Verder werkt verdachte als procesoperator bij een fabriek en zal hij daar een jaarcontract krijgen.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof ziet evenwel, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de positieve en stabiele ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt, aanleiding om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het reeds ondergane voorarrest.
Het hof is, alles afwegende, en rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Het hof zal deze straf dan ook opleggen. Het hof zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd verbinden met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering, dat hij zal meewerken aan behandeling door een forensische ambulante zorgverlener, dat hij zich zal houden aan een drugs- en alcoholverbod en zal meewerken aan middelencontroles en zich zal inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding.
Het hof ziet geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen gezien de positieve ontwikkeling in het reclasseringstoezicht tot nu toe. De reclassering schat het recidiverisico als laag in. Daarnaast is niet gebleken van ongewenste contacten richting slachtoffer of van nieuwe strafbare feiten. Hiermee acht het hof niet (meer) de situatie als bedoeld in artikel 14e Wetboek van Strafrecht aan de orde.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 29.407,00, bestaande uit € 4.407,00 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen tot een bedrag van € 14.003,40, bestaande uit € 1.503,40 aan materiële schade en
€ 12.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof beslist daarom over de hoogte van de vordering zoals die bij de rechtbank is ingediend.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.503,40 aan materiële schade en een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel heeft de advocaat-generaal verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren in verband met het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij te matigen. Volgens de raadsman kan de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 1.503,40, terwijl de immateriële schade op nihil, dan wel aan de onderzijde van de bandbreedte van de Rotterdamse schaal, rond € 5.500,00, moet worden vastgesteld.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof acht de schadeposten reiskosten en medische kosten (met uitzondering van de reiskosten en medische kosten die zijn gevorderd ter zake toekomstige behandelingen), overige medische kosten, opvragen medische informatie en daggeldvergoeding voldoende onderbouwd. Het hof zal dit deel van de vordering toewijzen, tot een totaalbedrag van € 1.503,40.
Het hof bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade op 24 december 2024.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van de immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Op basis van dit artikel is er recht op schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Door het bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel in de vorm van een litteken aan de hals en letsel aan de vinger opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Er bestaat dus een recht op schadevergoeding.
Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal het hof de immateriële schade ter hoogte van € 12.500,00 toewijzen.
Het hof bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade op 17 februari 2024.
Concluderend zal het hof een bedrag van € 14.003,40 aan schadevergoeding toewijzen, bestaande uit € 1.503,40 aan materiële schade en € 12.500,00 aan immateriële schade.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 96-178632-21 is verdachte op 11 november 2021 door de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, veroordeeld. Aan verdachte is toen opgelegd een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat het alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend van oordeel is dat tenuitvoerlegging thans geen meerwaarde heeft.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich binnen vijf dagen na het vonnis bij Tactus Reclassering [locatie 1] meldt. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig vindt.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen door een forensische ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na een (goedkeurende) beslissing van de rechter als bedoeld in artikel 6:6:19 van het Wetboek van Strafvordering, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen en alcohol gebruikt, en meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding, met een vaste structuur.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.003,40 (veertienduizend drie euro en veertig cent) bestaande uit € 1.503,40 (duizend vijfhonderddrie euro en veertig cent) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.003,40 (veertienduizend drie euro en veertig cent) bestaande uit € 1.503,40 (duizend vijfhonderddrie euro en veertig cent) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
24 december 2024 en van de immateriële schade op 17 februari 2024.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Oost-Nederland van
11 juli 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 november 2021, parketnummer 96-178632-21, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. C.T. Tjauw-Foe, mr. J.D. den Hartog en mr. R.H. Koning, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 september 2026.