Strafrecht overig
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel naar aanleiding van veroordeling wegens meermalen gepleegde…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:658 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-658
Zaakgegevens
Op 4 februari 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 4 februari 2026
- Datum publicatie
- 5 februari 2026
- Zaaknummer
- 21-000735-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:658
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel naar aanleiding van veroordeling wegens meermalen gepleegde verduistering van gelden van een hoogbejaarde man. Bevestiging van het vonnis van de rechtbank waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 106.259,13 en aan betrokkene de verplichting is opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen. Gijzeling bepaald op ten hoogste 1080 dagen.
Geen aftrek wegens de opgelegde maar nog niet betaalde schadevergoedingsmaatregel, nu eventuele verrekening in de executiefase kan plaatsvinden.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000735-23
Uitspraakdatum: 4 februari 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 31 januari 2023 met parketnummer 16-134498-20 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 21 januari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en haar raadsman, mr. M.P.K. Ruperti, hebben aangevoerd.
Beslissing
De rechtbank heeft bij vonnis van 31 januari 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op € 106.259,13. De duur van de gijzeling is daarbij bepaald op 1080 dagen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft aangenomen. Het hof bevestigt daarom de beslissing met overneming van die gronden.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. L.J. Hofstra en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 februari 2026.