Strafrecht overig

Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging; Overwegingen over ontbreken klacht…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
21-001727-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:7004
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging;

Overwegingen over ontbreken klacht en over klachttermijn.

Veroordeling voor belaging tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001727-25

Uitspraakdatum: 30 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 3 april 2025 met parketnummer 18-085574-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat

  • Verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen feit 2;

  • Het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, voor zover het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde betrekking heeft op [slachtoffer 1] ;

  • Verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld – voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 2] – tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Bakker, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid in hoger beroep

Verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde (belaging) veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op verschillende tijdstippen gelegen in of of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 28 januari 2022 te [plaatsnaam] en/of te [plaatsnaam] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , door:

- veelvulding met die [slachtoffer 2] te appen en/of

- veelvuldig contact te zoeken in de sportschool, door die [slachtoffer 2] aan te spreken en/of haar aldaar op te wachten en/of bij haar in de buurt te gaan zitten/staan en/of

- op verschillende momenten en/of plaatsen (in o.a. supermarkten van [supermarkt] in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] ) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] op te wachten en/of op te zoeken en/of te ontmoeten en/of te achtervolgen en/of

- meermalen bij het huis van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] langs te fietsen of te rijden;

met het oogmerk die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

1. subsidiair
hij op verschillende tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 28 januari 2022 te [plaatsnaam] en/of te [plaatsnaam] , althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten contact te hebben en/of te onderhouden en/of te ontmoeten en/of op te wachten, door:

- veelvulding die [slachtoffer 2] te appen en/of

- veelvuldig contact te zoeken in de sportschool, door die [slachtoffer 2] aan te spreken en/of haar aldaar op te wachten en/of bij haar in de buurt te gaan zitten/staan en/of

- op verschillende momenten en/of plaatsen (in o.a. supermarkten van [supermarkt] in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] ) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] op te wachten en/of op te zoeken en/of te ontmoeten en/of te achtervolgen en/of

- meermalen bij het huis van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] langs te fietsen of te rijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Verdachte wordt onder feit 1 primair verweten, kortgezegd, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het belagen van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] . Belaging is een delict dat uitsluitend kan worden vervolgd op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan.

Het indienen van een daarvoor vereiste klacht dient te worden begrepen als een verzoek van de klachtgerechtigde tot het instellen van strafrechtelijke vervolging van de verdachte. Uit artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat een dergelijke klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

Door het stellen van die termijn wordt - in de woorden van de memorie van toelichting bij het ontwerp-wetboek - voorkomen dat "aan een persoon tegen een ander een wettelijk zwaard in handen [wordt] gegeven, waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken. Daarenboven eischt het maatschappelijk belang eene spoedige vervolging der misdrijven, en het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden."

Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de klachtgerechtigde bij een delict als het onderhavige zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. In zoverre is zijn macht om te bepalen of de verdachte wordt vervolgd, in de tijd begrensd. Dat betekent dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennisgenomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

Het dossier bevat geen klacht van [slachtoffer 1] , noch een aangifte, noch een verklaring van [slachtoffer 1] waaruit blijkt van een uitdrukkelijke wens om tot vervolging wegens belaging van [slachtoffer 1] over te gaan.

Het hof zal daarom, overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging, voor zover het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit betrekking heeft op [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

Het verwijt dat verdachte onder feit 1 wordt gemaakt van belaging van [slachtoffer 2] heeft betrekking op een ruime periode van 1 september 2016 tot en met 28 januari 2022.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat verdachte en [slachtoffer 2] elkaar in 2016 hebben leren kennen via spinninglessen bij een sportschool. In de periode 2016 en 2017 hebben zij contact gehad dat zich concentreerde in en rond de sportschool. Vanaf enig moment is dit door [slachtoffer 2] als hinderlijk ervaren, zozeer dat dit heeft geleid tot een zogeheten ‘stopgesprek’ van de politie met verdachte op 14 september 2017. Na dit gesprek heeft verdachte [slachtoffer 2] niet meer benaderd en zijn er tot 2020 geen incidenten tussen hen voorgevallen.

Vanaf 2020 tot in 2022 komen verdachte en [slachtoffer 2] elkaar weer regelmatig tegen, nu op straat en in supermarkten. Ook deze contacten zijn door [slachtoffer 2] als hinderlijk ervaren. Zij heeft op 2 februari 2022 aangifte tegen verdachte gedaan, vergezeld van een klacht.

Het hof constateert dat wat verdachte wordt verweten, zich heeft afgespeeld in twee periodes met een tussenliggende periode van ongeveer drie jaren zonder incidenten. De gedragingen die verdachte in de periode 2016-2017 worden verweten zijn bovendien van andere aard en spelen zich af op een andere locatie dan de gedragingen die hem in de periode 2020-2022 worden verweten. Het hof is daarom van oordeel dat het in feite gaat om twee afzonderlijke verwijten.

Nu de aangifte en de klacht tegen verdachte op 2 februari 2022 zijn gedaan, is dit (ruimschoots) buiten de termijn van drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennisgenomen van het verdachte verweten delict in de periode van 2016-2017.

Het hof zal daarom het openbaar-ministerie eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging, voor zover het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit betrekking heeft op de belaging van [slachtoffer 2] in de periode van 2016-2017.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari

2022, opgenomen op pagina 7 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2022061210 d.d. 7 april 2022, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte van stalking tegen [verdachte] . Op 1 september 2017 heb ik al melding gemaakt bij de politie van dezelfde persoon. Ik heb toen gemeld dat hij mij heeft lastiggevallen van 1 juni 2016 tot de dag dat ik in 2017 bij de politie kwam. De politie heeft toen op mijn verzoek een STOP gesprek met deze man gehouden.

Ergens in 2020 begon het steeds vaker voor te komen dat hij in mijn buurt opdook. Vaak bij

de [supermarkt] in [plaats] en een keer in [supermarkt] in [plaatsnaam] . Soms tijdens het wandelen met de

hond, het is zo vaak geweest dat ik niet weet hoe vaak.

In januari 2021 gingen mijn man en ik boodschappen halen met onze auto. Het was al

donker, rond 18 uur denk ik. We reden samen in de auto op de [straatnaam] richting

[plaatsnaam] . We reden voor de nieuwe [locatie] in [plaatsnaam] en plots kwam een fietser vlak

voor onze auto fietsen. Mijn man reed en moest plots stoppen. Ik schrok vreselijk. Ik

had de fietser niet zien aankomen en zag toen dat het [verdachte] was. Hij keek boos de auto

in en fietste weer door.

De laatste maanden is het echt te veel en te vaak dat er incidenten met [verdachte] zijn. Elke

vrijdag doen wij onze boodschappen en is [verdachte] er ook. We houden er al rekening mee dat we hem treffen, maar we houden er al rekening mee dat we niet op dezelfde tijdstippen op de vrijdag boodschappen doen.

Het volgende incident was in de [supermarkt] in [plaats] . Mijn man stond bij een ander

schap. Ik voelde plots een stevige duw tegen mijn schouder en keek om. Ik zag dat [verdachte]

voorbij mij was gelopen met zijn winkelkar. Ik hoorde mijn man hem naroepen met zijn

naam. En [verdachte] rende van ons weg.

Het volgende incident was in [plaatsnaam] . Ik liep samen met mijn man en onze hond over de [straatnaam] , richting de [straatnaam] richting het centrum. Het viel mijn man op dat er een grijze auto een paar keer heen en weer langs ons reed. Ik zag dat [verdachte] in deze auto zat. Mijn man noemde dat hij extra gas gaf alsof hij aan wilde geven dat hij er was. Zo voelde het. We liepen het centrum van [plaatsnaam] in en we zagen dat hij parkeerde naast de voormalige [locatie] . Ik zag dat [verdachte] boos naar ons keek vanuit zijn auto.

Het laatste incident was weer in de [supermarkt] in [plaats] . Dit was 28 januari 2022. Ik was alleen. Ik had mijn winkelkar bij mij en plots stond [verdachte] voor mij in het gangpad van de broodafdeling. Hij zette zijn winkelkar voor mijn kar zodat ik niet verder kon. Hij zei er niets bij. Hij keek mij aan met opengesperde ogen. Heel beangstigend. Ik vroeg meerdere keren aan hem of ik erlangs mocht. Maar hij zei telkens ‘nee.’ Zijn houding was erg agressief. Ik was heel bang dat hij mij fysiek zou aanvallen. Ik heb toen gevraagd of ik erlangs mocht of dat ik de politie moest bellen. Toen werd [verdachte] erg boos. Hij zei toen op een boze toon tegen mij; Ik moest mijn bek houden, dat ik moest gaan verhuizen want binnenkort zou ik mijn baan kwijtraken. Kutwijf. Omdat hij niet aan de kant

ging heb ik contact gezocht met winkelpersoneel. Ik heb de winkelwagen laten staan. Zij

hebben toen direct gebeld met een collega. Ik zag dat [verdachte] vervolgens met zijn winkelkar

mijn kar wegduwde. Maar toen ik bij mijn auto aankwam zag ik wel dat er tandpasta over

mijn voorruit was gespoten. Mijn zoon is op zijn scooter achter mijn auto aangereden tot ik

thuis was. Ik was echt bang dat [verdachte] iets kon doen.

Inmiddels ben ik vanaf 2016 slachtoffer van [verdachte] zijn gedrag. Ik heb het bij de politie

gemeld, er is een stopgesprek gevoerd, ik heb met en samen met mijn man vele

confrontaties met [verdachte] genegeerd. Maar de laatste maand lopen de incidenten op. Ik merk aan de houding van [verdachte] dat hij agressiever wordt. Ik zie haat in zijn ogen. En ik snap serieus niet waarom. Hij is de laatste weken een escalatie. Hij wordt verbaal en fysiek agressiever. [verdachte] beperkt mij. Ik ben een onafhankelijke vrouw en ga overal heen. Het is nu voor de eerste keer in mijn leven dat ik nu anderen nodig ben om mee te gaan op straat of de winkel om mij veilig te proberen te voelen. Ik vertaal de actie richting mijn auto omdat hij mij in de winkel niks kon doen. Maar nu is het mijn auto en de volgende keer ben ik het zelf.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 maart 2022 opgenomen op pagina 32 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

A: [slachtoffer 2] vertelde mij ongeveer 6 jaar geleden dat haar spinninginstructrice haar verteld

had dat deze man heel agressief en boos over haar sprak. Hij had allerlei verwijten naar haar toe. De politie heeft toen een stopgesprek met hem gevoerd. Hij bleef echter steeds contact zoeken. Hij ging maar door.

V: Hoe zou u hem omschrijven?

A: In de afgelopen 6 maanden wordt hij verbaal steeds agressiever. Ik heb het idee

dat het steeds verder escaleert. Uit zijn lichaamshouding blijkt dat hij de confrontatie

zoekt met mij en mijn partner.

V: Wat kunt u vertellen over de keren dat u hem tegen bent gekomen?

A: Ik kan mij herinneren dat ik samen met mijn partner boodschappen ging doen. Toen de

fietser naast mijn auto reed, zag ik dat het [verdachte] was. Hij keek in de auto met een hele

vreemde blik. Hij keek met een starende, opgefokte, agressieve blik. Hij schreeuwde naar mij.

V: Wat kunt u vertellen over een incident bij de [supermarkt] in [plaats] waarbij [verdachte] uw

partner een duw heeft gegeven?

A: Wij waren samen boodschappen aan het doen. Toen ik naar [slachtoffer 2] keek zag ik tegelijkertijd een man versneld met een winkelwagen achter mij langslopen in de richting van [slachtoffer 2] . De man liep in versnelde pas richting [slachtoffer 2] . Ik zag dat de man met zijn linkerschouder tegen de rug van [slachtoffer 2] aan beukte. Dit gebeurde met een flinke kracht. Als er geen schap had gestaan dan was zij omgevallen. Ik realiseerde mij toen dat het [verdachte] was die haar een duw had gegeven. Dit keer werd hij echter fysiek. Dit heeft ons wel angstig gemaakt.

V: Wat kunt u vertellen over een incident in [plaatsnaam] waarbij u en uw partner [verdachte] zien rijden

in een grijze auto?

A: Ik was samen met [slachtoffer 2] en de hond aan het lopen. Het was mij al opgevallen dat er al

meerdere keren een grijs autootje met een opvallende sticker langs ons gereden was. De

bestuurder gaf gas om vervolgens weer te remmen. Dit herhaalde hij constant. Het was alsof hij de aandacht wilde trekken. Toen deze auto al een aantal keren voorbij was gekomen zagen wij dat [verdachte] achter het stuur zat. Wij zijn naar het centrum van [plaatsnaam] gelopen zodat hij ons niet verder kon volgen. Na een half uurtje later zijn wij weer naar huis gelopen. Bij de [locatie] kwam hij weer aanrijden. Hij stopte met piepende banden en stapte uit de auto. Hij bleef vervolgens staan en naar ons kijken. Ik maak mij nu vooral zorgen om zijn fysieke, agressieve gedrag. Het is een nieuw level van gedrag waar ik mij nu zorgen over maak. Omdat wij hem vijfjaar lang hem hebben genegeerd begint hij ons nu op een andere manier te benaderen. Hij wordt verbaal en fysiek agressief. Hij heeft mij nu meerdere malen uitgescholden. Dit gebeurt vaak in de [supermarkt] als wij daar boodschappen doen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2022, opgenomen op pagina 38 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Uit onderzoek is gebleken dat er 14 september 2017 ook al een STOP-gesprek is gevoerd

met de verdachte [verdachte] en verbalisant [verbalisant] .

Onderstaande werd door collega [verbalisant] in mutatie vastgelegd:

"14 september 2017 rapp. [verbalisant] stopgesprek gehad met [verdachte] . [verdachte] gaf aan

op geen enkele wijze meer contact te zoeken en willen met [slachtoffer 2] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 februari 2022 opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik werk bij de [supermarkt] aan het [straatnaam] in [plaatsnaam] . Op 28 januari 2022 werkte ik daar. Rond 17.30 uur stond ik achter de broodbalie en werd daar toen aangesproken door een vrouw, een klant. Zij zei tegen mij dat ze werd lastiggevallen door een man en vroeg of we haar konden helpen. Ik had de indruk dat ze op dat moment en beetje angstig was. Ik vroeg toen aan haar wat er aan de hand was en toen wees ze me op een man die een paar meter verderop stond met een winkelkarretje. Ik zag dat die man met zijn winkelkarretje een paar keer tegen een ander winkelkarretje botste dat daar stond. Dat zag er heel er heel

kinderachtig uit. Terwijl hij met zijn karretje tegen die andere kar botste bleef hij die vrouw

strak aankijken, om te kijken of ze dat wel door had. Het leek dus echt een gerichte actie van

die man. Als ik iets over de man zou moeten zeggen dan heb ik de indruk dat hij

intimiderend was en zich er niets van aan trok wat andere mensen op dat moment van zijn

gedrag vonden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

3 maart 2022 opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudende als

verklaring van [getuige] :

Op 28 januari 2022 was ik aan het werk op de broodafdeling van de [supermarkt] welke is

gevestigd aan de [straatnaam] 4 te [plaatsnaam] . Ik hoorde dat de vrouw ons om hulp vroeg

omdat zij werd lastiggevallen door een man in de winkel. Toen ik naar de man keek, welke

door de vrouw was aangewezen, zag ik dat deze man opzettelijk hard met zijn winkelkar

tegen een andere winkelkar aan botste. Ik zag dat hij dit moedwillig deed en dat daar totaal

geen aanleiding voor was. Ik vond het zeer merkwaardig gedrag van de man en ik vond het

er ook best wel agressief uit zien.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.

22 maart 2022 opgenomen op pagina 131 van voornoemd dossier, inhoudende als

verklaring van verdachte (op pagina 152):

V: In de aangifte beschrijft [slachtoffer 2] vervolgens nog een incident. Dit incident zou op 28

januari 2022 hebben plaatsgevonden bij de [supermarkt] aan het [straatnaam] .

(…)

V: Na dit incident komt [slachtoffer 2] bij haar auto en ziet zij dat haar voorruit is besmeurd

met tandpasta. Wat kun jij hier over vertellen?

A: Ja, dat was ik. Dat was mijn represaille op dat moment.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1 primair

Het hof heeft – met inachtneming van wat hiervoor over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is overwogen – te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van aangeefster [slachtoffer 2] in de periode van 2020 tot en met 2022.

​Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte naar aanleiding van een melding van aangeefster in september 2017 een stopgesprek met de politie heeft gevoerd, waarin hem duidelijk te verstaan is gegeven dat hij geen contact meer mocht hebben met aangeefster. Naar het oordeel van het hof moet verdachte zich vanaf dat moment bewust zijn geweest dat [slachtoffer 2] zijn gedrag in de voorliggende periode als hinderlijk had ervaren en dat zij geen enkel contact met hem wilde.

Aangeefster heeft in haar aangifte beschreven dat zij vanaf 2020 opnieuw met verdachte werd geconfronteerd, hoe die ontmoetingen zijn verlopen en escaleerden, welke indruk verdachte daarbij op haar achterliet en dat zij in haar gevoel van veiligheid op straat en in de winkel is aangetast. Haar verklaring vindt op meerdere onderdelen bevestiging in de verklaringen van haar man, die bij meerdere van de ontmoetingen aanwezig is geweest en van medewerkers van de [supermarkt] , die getuige waren van een incident op 28 januari 2022. Het hof heeft, gelet op dit steunbewijs, geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen.

De lezing van verdachte over de betreffende incidenten – die kortgezegd inhouden dat het juist aangeefster en haar man waren die telkens hem opzochten – vindt daarentegen geen enkele steun in het dossier en wordt ten aanzien van specifieke incidenten weersproken door voornoemde getuigenverklaringen.

Het hof stelt dan ook vast dat verdachte in de periode vanaf 2020 tot en met januari 2022 [slachtoffer 2] meerdere keren heeft ontmoet in supermarkten en op straat en haar daarbij op uiterst confronterende, intimiderende en uiteindelijk ook op fysiek agressieve wijze heeft opgezocht. Dit heeft plaatsgevonden nadat verdachte in 2017 een stopgesprek had gehad met politie en hem duidelijk moest zijn dat zij geen contact met hem wilde. In het licht daarvan lag het juist op de weg van verdachte om bij een toevallige ontmoeting op een openbare locatie zich terughoudend op te stellen. Van een dergelijke terughoudendheid heeft verdachte echter allerminst blijk gegeven.

Het hof is alles overziend van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Daarnaast leidt het hof uit de aard van de gedragingen af dat verdachte in elk geval het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 2] te dwingen zijn aanwezigheid in haar nabijheid te dulden en om haar vrees aan te jagen. In het bijzonder heeft het hof hierin betrokken dat de verdachte op 28 januari 2022 haar strak bleef aankijken terwijl hij een aantal keren tegen haar winkelkarretje botste én nadien tandpasta over de ruit van haar auto heeft gespoten.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging van aangeefster schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Nu het hof tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 primair tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op aangeefster [slachtoffer 2] , komt het hof niet aan de beoordeling van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde toe, voor zover dit verwijt op aangeefster betrekking heeft.

Voor zover het onder 1 subsidiair tenlastegelegde betrekking heeft op [slachtoffer 1] , overweegt het hof dat uit het dossier weliswaar blijkt dat [slachtoffer 1] getuige is geweest van hinderlijke gedragingen van verdachte, die deels op hem maar voornamelijk op zijn vrouw waren gericht, maar niet dat dit heeft veroorzaakt dat [slachtoffer 1] daardoor is gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden. Het hof zal verdachte daarom van onder 1 subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


1. primair
hij op verschillende tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 28 januari 2022 te [plaatsnaam] en te [plaatsnaam] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door op verschillende momenten en plaatsen (in onder andere supermarkten van [supermarkt] in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] ) die [slachtoffer 2] op te zoeken en te ontmoeten, met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 2] in de periode van 2021 tot in januari 2022, door haar veelvuldig te ontmoeten en op te zoeken. Onder meer in supermarkten in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] en op straat in het verkeer heeft hij haar daarbij op indringende en agressieve wijze benaderd, ondanks dat de politie hem in een stopgesprek in 2017 duidelijk te verstaan had gegeven geen contact meer met aangeefster te hebben. Dat verdachte drie jaren na dit stopgesprek zijn focus toch weer op aangeefster heeft gericht, is ronduit verontrustend en confronterend geweest voor aangeefster. Uit het dossier is anderzijds gebleken dat dit gedrag na de aangifte van aangeefster in februari 2022 is gestopt en zich de laatste jaren geen incidenten tussen verdachte en aangeefster meer hebben voorgedaan.

Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 2 oktober 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Over de persoon van verdachte is ter zitting in hoger beroep gebleken dat verdachte een vaste baan heeft als inkoper bij een rederij. Hij kent chronische gezondheidsklachten die met medicatie stabiel en onder controle zijn. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot strafverzwaring dan wel strafmatiging is het hof niet gebleken.

Het hof komt tot een beperktere bewezenverklaring dan waar de advocaat-generaal bij haar strafeis vanuit is gegaan. Desondanks komt het hof niet tot oplegging van een lagere straf dan geëist, omdat het de ernst van het feit zwaarder weegt. Het hof is evenals de advocaat-generaal van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke taakstraf in deze zaak passend is, nu het belagingsgedrag zich al geruime tijd niet meer heeft voorgedaan. Bij het bepalen van de duur van de straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van het feit, en op de lange voorgeschiedenis die daarbij een rol heeft gespeeld. Het hof acht oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 90 uren met een langere proeftijd van 3 jaren daarom passend en noodzakelijk. Daarop zal het hof 10 uren in mindering brengen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 12 maanden. Zodoende zal het hof een voorwaardelijke taakstraf opleggen voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk, voor zover het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit betrekking heeft op [slachtoffer 1] .

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk, voor zover het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit betrekking heeft op de belaging van aangeefster [slachtoffer 2] in de periode van 2016-2017.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. O. Anjewierden, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 oktober 2026.

Hoge Raad 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242.