Strafrecht overig
Beroep tegen verlenging PIJ-maatregel. Raadsvrouw: vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel is niet…
ECLI:NL:GHARN:2012:BX0415 · Gerechtshof Arnhem · 29 mei 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharn-2012-bx0415
Zaakgegevens
Op 29 mei 2012 heeft het Gerechtshof Arnhem in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof ArnhemGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 mei 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- P12/0122
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARN:2012:BX0415
Samenvatting
Beroep tegen verlenging PIJ-maatregel.
Raadsvrouw: vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel is niet tijdig door de officier van justitie is ingediend, te weten minder dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen. Officier van justitie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot verlenging.
Hof: Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat sprake is van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard op de onderhavige maatregel, nu de vordering is ingediend voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, de vertraging slechts 7 dagen bedraagt en niet is gesteld of gebleken dat die vertraging afbreuk heeft gedaan aan enig belang van betrokkene. Het ontvankelijkheidverweer wordt verworpen.
Uitspraak
PIJ P12/0122
Beslissing d.d. 29 mei 2012
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats betrokkene].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 maart 2012, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twee jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
-het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
-de beslissing waarvan beroep;
-de akte van beroep van de betrokkene van 19 maart 2012;
-de aanvullende informatie van [verblijfplaats betrokkene] van 10 mei 2012.
Het hof heeft ter terechtzitting van 14 mei 2012 gehoord de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr J.H. Rump, advocaat te Zwolle, en de advocaat-generaal mr M.J.M. van der Mark.
Overwegingen
Het standpunt van de betrokkene en zijn raadsvrouw
Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel niet tijdig door de officier van justitie is ingediend, te weten minder dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot verlenging.
Subsidiair dient volgens de raadsvrouw de vordering te worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor verlenging van de PIJ-maatregel. Betrokkene vindt dat er geen sprake is van gevaar voor anderen of voor de maatschappij in het algemeen. Hij heeft in de afgelopen jaren voldoende behandeling en begeleiding gehad en wil bewijzen dat hij zich kan handhaven in de samenleving.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Er is weliswaar sprake van een geringe overschrijding van de termijn, bedoeld in artikel 509oa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, doch de vordering is binnen een redelijke termijn ingediend en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vordering.
De PIJ-maatregel dient, overeenkomstig het advies van de instelling, te worden verlengd met twee jaar. Uit de rapportages van de kliniek blijkt dat het recidivegevaar als hoog wordt ingeschat. Volgens de advocaat-generaal eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de maatregel en is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de betrokkene. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.
Het oordeel van het hof
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat sprake is van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard op de onderhavige maatregel, nu de vordering is ingediend voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, de vertraging slechts 7 dagen bedraagt en niet is gesteld of gebleken dat die vertraging afbreuk heeft gedaan aan enig belang van betrokkene. Het ontvankelijkheidverweer wordt verworpen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen te verlengen met een termijn van twee jaar. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.
Uit de aanvullende informatie van de instelling maakt het hof op dat aan het ministerie is voorgesteld om betrokkene te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum en het behandelbeleid aan te passen op de conclusie van het onderzoek aldaar. Het hof vindt het een goede gedachte dat het Pieter Baan Centrum nader onderzoek zal verrichten, waarbij er met name aandacht ware te besteden voor de mogelijkheid dat onvoldoende rekening is en wordt gehouden met het (lage) intelligentieniveau en de behandelbaarheid van betrokkene.
Beslissing
Het hof:
Bevestigt de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 maart 2012 met betrekking tot de betrokkene [betrokkene].
Aldus gedaan door
mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,
mr E. van der Herberg en mr A.J. Smit als raadsheren,
en dr. W. van Kordelaar en dr. L. Kaiser als raden,
in tegenwoordigheid van mr B.P. Snijder als griffier,
en op 29 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.