Strafrecht overig
Art. 12 Sv. Afwijzing beklag. Geen vervolging ter zake van knevelarij; niet voldaan aan eisen art. 366 Sr.
ECLI:NL:GHDHA:2016:2015 · Gerechtshof Den Haag · 8 juli 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2016-2015
Zaakgegevens
Op 8 juli 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 8 juli 2016
- Datum publicatie
- 8 juli 2016
- Zaaknummer
- K15/0391
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2015
Samenvatting
Art. 12 Sv. Afwijzing beklag. Geen vervolging ter zake van knevelarij; niet voldaan aan eisen art. 366 Sr.
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF DEN HAAG
raadkamer beklagzaken
BESCHIKKING
gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager],
en
[klaagster],
klaagsters,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van hun raadsman mr. J.M.H. Römkens, advocaat, kantoor houdende te Maastricht.
1 Het beklag
Het klaagschrift is op 28 juli 2015 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om [beklaagde 1], [beklaagde 2] en [beklaagde 3], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van knevelarij.
2 Het verslag van de advocaat-generaal
Bij verslag van 8 april 2016 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.
3 De stukken betreffende het beklag
Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket van 4 maart 2016, met het daarbij gevoegde advies van de officier van justitie van het Functioneel Parket van 24 december 2015.
Het hof heeft ook kennis genomen van de door de raadsman bij brief van 20 mei 2016 toegezonden documenten.
4 De behandeling in raadkamer
De meervoudige beklagkamer heeft op 15 juni 2016 het klaagschrift in raadkamer behandeld. De raadsman van klagers mr. J.M.H. Römkens, advocaat te Maastricht, is verschenen en heeft het beklag toegelicht.
Klagers zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, met bericht van verhindering niet verschenen.
Beklaagden zijn niet opgeroepen.
De advocaat-generaal mr.A.J.M. Paulus heeft in raadkamer – overeenkomstig van het eerdere schriftelijke verslag - geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.
5 De feiten
Op 10 en 27 november 2014 heeft mr. Römkens namens klagers bij de politie tegen beklaagden aangifte gedaan ter zake van knevelarij.
Met betrekking tot de feiten verwijst het hof kortheidshalve naar het door klagers aangeleverde dossier en het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie.
Van dit ambtsbericht is ter informatie van klagers een afschrift aan deze beschikking gehecht.
6 De beoordeling van het beklag
Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of de beslissing van de officier van justitie om beklaagden niet te vervolgen op goede gronden is genomen.
Na bestudering van de stukken in het dossier en gehoord hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht oordeelt het hof dat deze beslissing in stand kan blijven.
Knevelarij behelst het volgende: de wetgever stelt strafbaar de ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een ander ambtenaar of aan enige openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is.
Allereerst constateert het hof dat vaststaat dat sprake was van een tot in de hoogste instantie vastgestelde aanslag.
Het hof constateert ook dat de procedure gericht tegen de invordering er niet toe heeft geleid dat de Belastingdienst gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de aanslagen te matigen.
Vast staat tevens dat het verzet tegen de invordering door de rechter ongegrond is verklaard.
Nu voorts het hof niet is gebleken van een ambtshalve verplichting om tot vermindering van vastgestelde aanslagen over te gaan, is in casu sprake van een vordering waarvan geenszins vast stond, noch waarvan mocht worden aangenomen dat deze onverschuldigd was. Daarmee staat vast dat niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 366 Wetboek van Strafrecht.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.
7 De beslissing
Het hof:
Wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 8 juli 2016 door mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. A.W. Beelaerts van Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H.M. van Romondt Vis, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.