Strafrecht overig

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zich wederrechtelijk begeven op en het zich de toegang…

Zaakgegevens

Op 17 juli 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
17 juli 2024
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
22-000267-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2950
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zich wederrechtelijk begeven op en het zich de toegang verschaffen tot het haventerrein. Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 17 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2024:2950

  2. Conclusie A-G · 23 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:623
  3. Hoge Raad · 14 juli 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1262

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-000267-24

Parketnummer: 10-207790-23

Datum uitspraak: 17 juli 2024

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Macedonië) op [geboortedatum] 1998,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 augustus 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van Hapag Lloyd Terminal in de Rotterdamse haven;

2.
hij op of omstreeks 19 augustus 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van Hapag Lloyd Terminal in de Rotterdamse haven, door middel van inklimming.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 19 augustus 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van Hapag Lloyd Terminal in de Rotterdamse haven;

2.
hij op of omstreeks 19 augustus 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van Hapag Lloyd Terminal in de Rotterdamse haven, door middel van inklimming.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en:

het zich toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zich wederrechtelijk begeven op en het zich de toegang verschaffen tot het haventerrein van Hapag Lloyd Terminal als bedoeld in artikel 138aa Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit zijn strafbare feiten die veel hinder en schade veroorzaken bij deze containerterminal en bij andere havenbedrijven. Zo komen bijvoorbeeld werkzaamheden vaak tijdelijk stil te liggen als indringers zijn gesignaleerd en moeten de douane en havenbedrijven veel investeringen doen om het terrein te controleren en te beveiligen. Ook is het een schending van de openbare orde. Het zich ophouden op een haventerrein gebeurt veelal met het doel om drugs uit containers te halen en is daarmee een onmisbare schakel in de keten rond de invoer en verdere verspreiding van drugs en heeft daarmee een ontwrichtende invloed op de samenleving.

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot beide feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr en houdt daar in het voordeel van verdachte rekening mee. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.

Bij het bepalen van de (hoogte van de) straf verwijst het hof naar de algemene lijn die in recente jurisprudentie rond artikel 138aa Sr is uitgezet. In beginsel is de oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden aangewezen voor zogeheten first offenders. De duur van die taakstraf kan oplopen tot 160 uren, afhankelijk van de vraag of sprake is van strafverzwarende omstandigheden, zoals medeplegen en/of inklimming/braak. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan van dit uitgangspunt worden afgeweken (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDHA:2022:985, herhaald en nader genuanceerd in onder meer ECLI:NL:GHDHA:2023:461 en ECLI:NL:GHDHA:2023:1818).

Van de verdachte in deze zaak is geen vaste woon- of verblijfplaats bekend in Nederland. Dit maakt dat de kans dat de verdachte zich zal onttrekken aan het uitvoeren van een eventueel op te leggen taakstraf, aanzienlijk is en een voorwaardelijke gevangenisstraf weinig zinvol lijkt. Het hof zal daarom afwijken van het hierboven aangehaalde uitgangspunt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juni 2024.

Conclusie

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Inbeslaggenomen goederen

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoontoestel zal worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggeven telefoontoestel zal het hof de teruggave aan de verdachte als beslagene gelasten. Het hof ziet op basis van het dossier en hetgeen verhandeld is ter terechtzitting in hoger beroep geen wettelijke grondslag om het telefoontoestel te onttrekken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 55 en 138aa van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Telefoontoestel (omschrijving [omschrijving] , groen, merk: Samsung).

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. B. Vogel,

in bijzijn van de griffier mr. M. van der Bom.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juli 2024.