Strafrecht overig
Poging tot doodslag en bedreiging. Burenruzie. De verdachte heeft het ene slachtoffer meerdere keren in het…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2223 · Gerechtshof Den Haag · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2223
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 22-002109-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2223
Samenvatting
Poging tot doodslag en bedreiging. Burenruzie. De verdachte heeft het ene slachtoffer meerdere keren in het bovenlichaam gestoken en het andere slachtoffer bedreigd. Voorwaardelijk opzet op de dood. Beroep op noodweer verworpen gelet op disproportioneel geweld. Ook beroep op noodweerexces verworpen. Oplegging 48 maanden gevangenisstraf. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen tot schadevergoeding, maar niet wat betreft schokschade.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-002109-25
Parketnummer: 10-093664-25
Datum uitspraak: 3 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1983,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de borst(kas) en/of de buik en/of een zij en/of de rug en/of een arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer steekwonden en/of snijwonden in de borstkas en de buik en de linkerarm en/of een klaplong en/of een botbreuk van de linker rib, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst(kas) en/of de buik en/of een zij en/of de rug en/of een arm te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de borst(kas) en/of de buik en/of een zij en/of de rug en/of een arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- die [slachtoffer 2] ter hoogte van diens keel vast te pakken en/of
- een mes, althans een puntig voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of voor te houden en/of
- aan die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "Ik maak jullie allemaal dood", althans wooorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd ten aanzien van de bewezenverklaring en voor het overige zal worden vernietigd, en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden, en met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de borst(kas) en/of de buik en/of een zij en/of de rug en/of een arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- die [slachtoffer 2] ter hoogte van diens keel vast te pakken en/of
- een mes, althans een puntig voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of voor te houden en/of
- aan die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen "Ik maak jullie allemaal dood", althans wooorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging t.a.v. feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 1] , ook niet in voorwaardelijke zin. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte [slachtoffer 1] onderhands met een klein kabelmesje heeft gestoken, waarbij geen vitale organen in de romp of de hals konden worden geraakt, terwijl volgens de raadsman niet is vast te stellen dat de verdachte met kracht heeft gestoken.
Het hof gaat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 25 maart 2025 ontstaat op de [straatnaam] te Spijkenisse tussen de verdachte enerzijds en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds onenigheid op straat, waarbij over en weer wordt gediscussieerd. Op enig moment geeft [slachtoffer 1] de verdachte een schouderduw, waarop de verdachte een hardere schouderduw teruggeeft en waardoor [slachtoffer 1] tegen de muur van de schuur wordt gedrukt waar beide mannen op dat moment staan. [slachtoffer 1] maakt vervolgens met zijn vuist een slaande beweging in de richting van het hoofd van de verdachte. De verdachte deinst achteruit en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lopen op hem af. Op het moment dat [slachtoffer 1] een tweede slaande beweging maakt in de richting van het hoofd van de verdachte, maakt de verdachte met een mes, dat hij in zijn hand houdt, meerdere malen onderhandse stekende bewegingen in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] . De verdachte raakt [slachtoffer 1] meerdere malen. [slachtoffer 1] wordt overgebracht naar het ziekenhuis, waar aan de linkerzijde van zijn borstkas, in zijn buik en in zijn linker bovenarm steekverwondingen worden geconstateerd. Daarnaast worden zenuwletsel aan zijn bovenarm, een klaplong en een ribbreuk van de vijfde rib van de linkerzijde geconstateerd. Acuut medisch ingrijpen en meerdere operaties zijn noodzakelijk, waaronder een operatie in de borst en buikholte met als doel inwendig letsel uit te sluiten. [slachtoffer 1] wordt na acht dagen ontslagen uit het ziekenhuis.
Het hof kan uit deze feiten en omstandigheden niet afleiden dat de verdachte het volle opzet had op de dood van [slachtoffer 1] . Het hof zal hierna bespreken of er bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] .
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Enkele wetenschap van die kans volstaat niet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het moet daarbij gaan om de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam kwetsbare en vitale organen en slagaders bevinden. De verdachte heeft meerdere keren met een mes ingestoken op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] , onder meer ter hoogte van zijn borstkas en buik. De verdachte heeft dat met kracht gedaan, zo leidt het hof af uit de door [slachtoffer 1] als gevolg van het steken opgelopen ribbreuk en klaplong. Deze conclusie van het hof wordt ondersteund door de camerabeelden. Hierop is te zien dat de verdachte krachtige stekende bewegingen maakt. Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 1] in het leven heeft geroepen. Het hof is voorts van oordeel dat voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] , dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. Dat de messteken onderhands waren, acht het hof – anders dan de raadsman heeft betoogd – geen contra-indicatie, nu ook onderhands met kracht kan worden gestoken en dodelijk letsel kan worden veroorzaakt.
Het hof verwerpt het verweer.
Nadere bewijsoverweging t.a.v. feit 2
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrij te spreken, omdat volgens hem op basis van het dossier alleen kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] ter hoogte van diens keel heeft vastgepakt en dat dit geen bedreiging oplevert.
Het hof stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte [slachtoffer 2] ter hoogte van zijn keel heeft vastgepakt, terwijl de verdachte een mes in zijn hand had. Kort voor dit vastgrijpen had de verdachte [slachtoffer 1] , de buurman van [slachtoffer 2] , meermalen met kracht gestoken met een mes, in het bijzijn van [slachtoffer 2] . De verdachte heeft tegen [slachtoffer 2] “ik maak jullie allemaal dood” gezegd. Over dit laatste heeft weliswaar alleen [slachtoffer 2] verklaard, maar het hof twijfelt niet aan de juistheid van zijn verklaring, die voldoende is ingebed in ander bewijsmateriaal. Dat de verdachte hierbij het mes dat hij nog in zijn hand had aan [slachtoffer 2] heeft getoond of heeft voorgehouden als onderdeel van de bedreiging, acht het hof niet bewezen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft de redelijke vrees bij [slachtoffer 2] kunnen doen ontstaan dat hij het slachtoffer zou worden van een misdrijf tegen het leven gericht.
Het hof verwerpt het gevoerde verweer.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer 1] de confrontatie heeft opgezocht door meermaals met gebalde vuist naar het hoofd van de verdachte uit te halen. Onder dreiging van twee aanvallers zag de verdachte zich genoodzaakt zich tegen die wederrechtelijke aanranding te verdedigen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In het vereiste dat de gedraging is geboden door de noodzakelijke verdediging wordt zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Naar het oordeel van het hof was door de gedragingen van [slachtoffer 1] sprake van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waartegen de verdachte zich in beginsel mocht verweren. [slachtoffer 1] had immers een slaande beweging in de richting van het hoofd van de verdachte gemaakt, liep samen met [slachtoffer 2] op hem af en maakte vervolgens nogmaals een slaande beweging in de richting van de verdachte. Het hof is evenwel van oordeel dat de door de verdachte gekozen wijze van verdediging niet geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen de aanranding. Het direct met kracht meermalen met een mes steken in het bovenlichaam acht het hof niet in een redelijke verhouding tot een aanval die louter bestond uit het – ongewapend – slaan, dan wel het trachten te slaan, met de blote handen. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de verdachte niet gepoogd heeft zich eerst met een minder ingrijpend middel teweer te stellen alvorens hij naar het mes greep; de verdachte heeft niet teruggeslagen maar onmiddellijk met een mes gestoken.
Het beroep op noodweer wordt verworpen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Bij noodweerexces gaat het om verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, maar slechts ingeval die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakt.
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte ‘hevig geëmotioneerd’ was, maar heeft die emotie niet nader aangeduid. De verdachte zelf heeft slechts gesteld dat hij ten tijde van het steken een ‘black-out’ had. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat er bij hem sprake was van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding. Ook anderszins is dat niet aannemelijk geworden. Bovendien constateert het hof dat op de camerabeelden te zien is dat de verdachte nadat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken en [slachtoffer 2] heeft bedreigd, rustig zijn spullen afgeeft aan zijn partner alvorens hij zich uit de voeten maakt. Het hof ziet dit gedrag van de verdachte als een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een hevige gemoedsbeweging.
Het beroep op noodweerexces wordt verworpen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft naar aanleiding van een verhitte discussie op straat gepoogd om zijn buurman, [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, door hem meermalen met kracht met een mes in het bovenlichaam te steken. [slachtoffer 1] heeft ernstig letsel opgelopen, waarvoor hij acht dagen opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Als gevolg van het feit ondervindt hij nog altijd lichamelijke en psychische klachten. Hij heeft er grote littekens op zijn lichaam aan overgehouden en ondervindt hinder bij dagelijkse en huishoudelijke bezigheden, vanwege een blijvende beperking aan zijn linkerhand. Ook kampt hij met gevoelens van angst en onveiligheid, waardoor hij niet meer terug durfde te keren naar zijn voormalige woning. Dat [slachtoffer 1] het overleefd heeft, is bepaald niet de verdienste van de verdachte.
Nadat de verdachte [slachtoffer 1] had gestoken, heeft de verdachte een andere buurman, [slachtoffer 2] , die getuige was van het steekincident en tussen beiden kwam, ter hoogte van zijn keel vastgepakt en hem daarbij woordelijk met de dood bedreigd. Ook bij [slachtoffer 2] heeft het handelen van de verdachte voor langdurig aanhoudende angstklachten gezorgd.
Het handelen van de verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij de feiten heeft gepleegd op klaarlichte dag en in het bijzijn van omstanders, onder wie zijn eigen minderjarige kinderen. De feiten moeten voor alle omstanders beangstigend en schokkend zijn geweest. Bovendien maken dergelijke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken zij gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
Dat [slachtoffer 1] zelf ook een rol heeft gehad in het ontstaan en escaleren van de confrontatie, zoals de raadsman heeft betoogd, doet aan de ernst van het handelen van de verdachte niet af. Het was de verdachte die, eerder op de dag, als eerste fysiek werd toen de [slachtoffer 1] hem aansprak op een voetbal die in zijn tuin was beland. Hij ging op een bepaald moment heel dicht bij [slachtoffer 1] staan en ging met zijn linker arm om de nek van [slachtoffer 1] , waarna hij hem na ongeveer 15 seconden los liet. Toen de situatie min of meer was gekalmeerd, was het de verdachte die op enig moment opnieuw op [slachtoffer 1] afstapte. [slachtoffer 1] heeft de verdachte toen een duw gegeven, waarop de verdachte hem harder terugduwde, waardoor [slachtoffer 1] tegen een muur botste. Weliswaar heeft [slachtoffer 1] daarop slaande bewegingen naar de verdachte gemaakt, maar de reactie van de verdachte daarop, het herhaaldelijk met kracht steken van [slachtoffer 1] met een mes, was -mede gelet op hetgeen daarvoor tussen beiden had plaatsgevonden-, volstrekt disproportioneel.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in 2017 tweemaal onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, waaronder voor een poging tot zware mishandeling.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies, d.d. 25 april 2025. In dit rapport heeft de reclassering destijds geadviseerd om aan de verdachte bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij als bijzondere voorwaarden te stellen onder meer een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met de slachtoffers.
Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden een passende en geboden reactie vormt. Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde straf onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten, in het bijzonder gelet op het letsel dat aan [slachtoffer 1] is toegebracht en de omstandigheid dat de feiten plaatsvonden in de openbare ruimte ten overstaan van meerdere getuigen, waaronder kinderen. Een voorwaardelijk strafdeel acht het hof niet aangewezen. In afwijking van het reclasseringsadvies, ziet het hof geen aanleiding om bijzondere voorwaarden te stellen. Voor behandeling en begeleiding door de reclassering staat de verdachte niet open, terwijl het hof daar ook geen noodzaak toe ziet. Ook voor een contactverbod met de slachtoffers ziet het hof geen noodzaak. De slachtoffers en de verdachte zullen elkaar niet zomaar tegenkomen: [slachtoffer 1] is verhuisd en de verdachte is gedetineerd. De verdachte heeft ter zitting aangeven ook zelf geen contact te willen met de slachtoffers.
Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde tot een totaalbedrag van € 46.817,89, bestaande uit:
-
€ 6.817,89 aan materiële schade, en
-
€ 40.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 28.615,16, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader uiteengezet in het schriftelijk requisitoir.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een totaalbedrag van € 3.801,02 aan materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal voor dit deel derhalve worden toegewezen. De schadeposten kleding, medische kosten, vergoeding opname ziekenhuis en huishoudelijke hulp worden toegewezen zoals gevorderd. Omdat aankoopbewijzen van de kleding ontbreken, heeft het hof daarbij gebruik gemaakt van zijn schattingsbevoegdheid. De schadepost reiskosten wordt toegewezen tot een bedrag van € 247,66, zijnde de reiskosten van en naar het ziekenhuis van de benadeelde partij en – tijdens zijn opname – van zijn naasten (verplaatste schade in de zin van artikel 6:107, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over deze schade toewijzen met ingang van:
-
25 maart 2025 over € 385,86 (‘Kleding’);
-
21 mei 2025 over € 400,00 (‘Medische kosten’);
-
1 april 2025 over € 304,00 (‘Vergoeding opname ziekenhuis’);
-
3 juni 2025 over € 247,66 (‘Reiskosten’);
-
24 juni 2025 over € 2.463,50 (‘Huishoudelijke hulp’),
tot aan de dag der algehele voldoening. Vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.
De schadeposten ‘autoverzekering’ en ‘wegenbelasting’ acht het hof onvoldoende onderbouwd, nu – in het licht van de gemotiveerde betwisting – onvoldoende is gesteld dat het gaat om vergeefs gemaakte kosten in die zin dat noch de verdachte, noch enig ander van de auto gebruik heeft kunnen maken. Ook de schadepost ‘verzorgingskosten’ acht het hof onvoldoende onderbouwd dan wel gespecificeerd, mede gelet op de mogelijke overlap met de vergoeding voor huishoudelijke hulp. De benadeelde partij wordt voor deze posten niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof overweegt verder dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde partij onder meer een vergoeding toekomt voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Het hof stelt op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij vast dat sprake is van lichamelijk letsel, zodat de grond voor immateriële schadevergoeding daarmee is gegeven.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Voor de aard en ernst van het letsel verwijst het hof naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen bij de bewijsoverweging en de strafmotivering. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft voor de hoogte van dit bedrag mede acht geslagen op de zogenoemde ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, meer in het bijzonder op de categorieën ‘Borstletsel’, ‘Armletsel’ en ‘Littekens aan andere delen van het lichaam’.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij, in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. De schade is het gevolg van disproportioneel handelen van de verdachte en de schade is daarmee niet mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend.
Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 28.801,02 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een totaalbedrag van € 10.972,88, bestaande uit:
-
€ 7.972,88 aan materiële schade, als gevolg van het onder 1 primair en/of 2 tenlastegelegde,
-
€ 1.000,00 aan immateriële schade als gevolg van het onder 2 tenlastegelegde, en
-
€ 2.000,00 aan schokschade als gevolg van het onder 1 primair tenlastegelegde.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 2.051,48, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader uiteengezet in het schriftelijk requisitoir.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 51,48 aan materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. Dit betreft reiskosten naar de psycholoog. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juni 2025 (zijnde de datum van indiening van de vordering, bij gebreke van andere aanknopingspunten) tot aan de dag der algehele voldoening.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij medegedeeld dat de benadeelde partij tot op heden niet is verhuisd. Gelet hierop zal het hof de vordering van de benadeelde partij voor de gevorderde verhuiskosten afwijzen.
De gevorderde kosten voor de aanvraag van een urgentieverklaring acht het hof, mede gelet op de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd. Van de overige gevorderde reiskosten acht het hof het rechtstreekse verband onvoldoende vast te stellen. In zoverre zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Het hof overweegt voorts dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde partij onder meer een vergoeding toekomt voor immateriële schade indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij een geneeskundige verklaring van de regiebehandelaar in de GGZ overgelegd, waarin wordt geconstateerd dat de benadeelde partij mede als gevolg van de bewezenverklaarde bedreiging kampt met traumaklachten (zoals slaapproblemen) en gevoelens van onveiligheid, en waarin staat dat bij hem de diagnose PTSS is gesteld. Hiermee kan naar het oordeel van het hof naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel worden vastgesteld. De grond voor immateriële schadevergoeding is daarmee gegeven.
De vordering ter zake van geleden immateriële schade als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor volledige toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Ten aanzien van de gevorderde schokschade, als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde, overweegt het hof als volgt.
Bij de beoordeling van de vraag of iemand recht heeft op vergoeding van schokschade, spelen volgens de rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958) onder meer de volgende gezichtspunten een rol:
-
de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
-
de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;
-
de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
In dit geval is de benadeelde partij direct geconfronteerd met het door de verdachte jegens zijn buurman [slachtoffer 1] gepleegde geweld en de gevolgen daarvan. Dat geweld en die gevolgen zijn weliswaar ernstig, maar niet zodanig dat die – in het licht van hetgeen is gebleken over de aard en hechtheid van de relatie tussen de benadeelde partij en [slachtoffer 1] – zonder meer leiden tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatigheid jegens de benadeelde partij. Weliswaar is zijdens de benadeelde partij gesteld dat hij en [slachtoffer 1] niet alleen buren, maar ook vrienden waren, maar – in het licht van de betwisting zijdens de verdachte – acht het hof die stelling onvoldoende onderbouwd.
Nader onderzoek naar de gegrondheid van de gevorderde schokschade zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn vordering. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.051,48 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 28.801,02 (achtentwintigduizend achthonderdéén euro en twee cent) bestaande uit € 3.801,02 (drieduizend achthonderdéén euro en twee cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.801,02 (achtentwintigduizend achthonderdéén euro en twee cent) bestaande uit € 3.801,02 (drieduizend achthonderdéén euro en twee cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 154 (honderdvierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
-
25 maart 2025 over een bedrag van € 385,86 ter zake van ‘Schade aan kleding’
-
21 mei 2025 over een bedrag van € 400,00 ter zake van ‘Medische kosten’
-
1 april 2025 over een bedrag van € 304,00 ter zake van ‘Vergoeding opname ziekenhuis’
-
3 juni 2025 over een bedrag van € 247,66 ter zake van ‘Reiskosten’
-
24 juni 2025 over een bedrag van € 2.463,50 ter zake van ‘Huishoudelijke hulp’;
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2025.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.051,48 (duizend eenenvijftig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 51,48 (eenenvijftig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij af, voor zover het betreft de post ‘verhuiskosten’.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.051,48 (duizend eenenvijftig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 51,48 (eenenvijftig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 juni 2025.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juli 2026.
Mr. E.E.N. Birkhoff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.