Strafrecht overig
Veroordeling voor beschieting van een bedrijfspand. Bekennende verdachte. De verdachte heeft ermee ingestemd…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2661 · Gerechtshof Den Haag · 14 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2661
Zaakgegevens
Op 14 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 22-003722-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2661
Samenvatting
Veroordeling voor beschieting van een bedrijfspand. Bekennende verdachte.
De verdachte heeft ermee ingestemd op een pand te schieten, omdat hij daarvoor een geldbedrag zou ontvangen. Het hof komt tot een hogere strafoplegging dan de rechtbank, nu de door de rechtbank opgelegde straf naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde feiten.
(Forse) deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 8 december 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:14711Gerechtshof Den Haag · 14 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2661
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-003722-25
Parketnummer: 10-078053-25
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
briefadres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen op het (kantoor)pand (gevestigd aan de [vestigingsplaats] ) van die [het slachtoffer] te schieten;
2.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (delen van) een (kantoor)pand gevestigd aan de [vestigingsplaats] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [het slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of onklaar gemaakt;
3.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II of III van de Wet wapens en munitie en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie II of III voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de strafmotivering en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen op het (kantoor)pand (gevestigd aan de [vestigingsplaats] ) van die [het slachtoffer] te schieten;
2.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (delen van) een (kantoor)pand gevestigd aan de [vestigingsplaats] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [het slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of onklaar gemaakt;
3.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II of III van de Wet wapens en munitie en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie II of III voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit door
met een vuurwapen op een bedrijfspand te schieten. Het pand bevond zich op de begane grond van een woonhuis in een woonwijk. Op dat moment was de gebruiker van dat pand daarin aanwezig. De verdachte heeft ermee ingestemd op het pand te schieten, omdat hij daarvoor een geldbedrag zou ontvangen. Een dag eerder, op 1 maart 2025, had er bij datzelfde pand een brandstichting plaatsgevonden. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte daarvan ook op de hoogte was, en dat hij desondanks bereid was om de beschieting uit te voeren. De aanhoudende angst en de langdurige gevolgen die het schietincident hebben gehad voor het slachtoffer, zijn onder meer gebleken uit de voorgedragen slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep.
Het beschieten van een pand in het algemeen is een indringende en intimiderende bedreiging, waarbij in dit geval van geluk mag worden gesproken dat er geen doden of gewonden zijn gevallen. Dergelijke schietincidenten vonden destijds - en nog steeds - regelmatig plaats en veroorzaken niet alleen direct gevaar voor betrokkenen, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft voor dit alles geen oog gehad en was enkel uit op eigen financieel gewin.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is naar het oordeel van het hof een forse gevangenisstraf noodzakelijk en passend. Daarbij ziet het hof voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest (met daarnaast een taakstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf), zoals door de verdediging verzocht, geen ruimte.
In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte na zijn aanhouding en zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden door een bekennende verklaring af te leggen. Hij heeft zichzelf daarbij niet gespaard, waarbij hij in eerste aanleg onder meer heeft verklaard dat hij een hoger bedrag voor de beschieting heeft ontvangen dan in eerste instantie uit het dossier bleek. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte eerlijk opgebiecht dat hij op de hoogte was van de eerdere brandstichting en dat dit hem er destijds niet van heeft weerhouden om op het pand te schieten.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft voorts acht geslagen op het voortgangsverslag van de reclassering, d.d. 22 juli 2026, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden en dat hij zich open en begeleidbaar heeft opgesteld. De verdachte verblijft bij zijn vader en stiefmoeder, en werkt fulltime als stratenmaker. Via de gemeente Amsterdam is de verdachte inmiddels gestart met een schuldhulpverleningstraject om zijn totaalschuld in kaart te brengen. Verder heeft de verdachte in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden de CoVa-training succesvol afgerond en zegt hij hiervan te hebben geleerd om in het vervolg minder impulsief te handelen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij na een eventuele nieuwe detentieperiode weer mag terugkeren naar zijn huidige werkgever.
Bij het bepalen van de strafsoort en -duur heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof komt tot een hogere strafoplegging dan de rechtbank, nu de door de rechtbank opgelegde straf naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde feiten. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van soortgelijke of andersoortige strafbare feiten, legt het hof een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op. Het hof zal, omdat het van oordeel is dat de verdachte baat heeft bij ondersteuning van de reclassering, bij de voorwaardelijke gevangenisstraf de in de beslissing vermelde bijzondere voorwaarden stellen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55, 57, 285 en 352 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;
- gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training noodzakelijk vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van een stabiele woonruimte, zolang de reclassering dat nodig vindt, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
-
meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, mr. F.W. van Lottum en mr. W.J. van Boven, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026.