Strafrecht overig

Enkelvoudige kamer. Vrijspraak van o.a. doorrijden na een ongeval. Een verbalisant herkent de verdachte als…

Zaakgegevens

Op 20 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
22-001716-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2677
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Enkelvoudige kamer. Vrijspraak van o.a. doorrijden na een ongeval. Een verbalisant herkent de verdachte als bestuurder aan de hand van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Het hof acht die herkenning, vanuit juridisch perspectief, in beginsel bruikbaar voor het bewijs. Door bijzondere omstandigheden van de zaak ontbreekt evenwel de rechterlijke overtuiging, waardoor een bewezenverklaring achterwege blijft.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-001716-24

Parketnummer: 10-026411-24

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

adres: [A-straat nr. x], [postcode] [plaatsnaam 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Aan de verdachte is voorts een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de duur van invordering en inhouding van het rijbewijs.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep is de zaak voor de eerste keer door de enkelvoudige kamer behandeld op de terechtzitting van 28 mei 2025. Het hof heeft toen het onderzoek voor onbepaalde tijd aangehouden en de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen opdat als getuige de heer [betrokkene] zou worden gehoord. Dit verhoor heeft niet plaatsgevonden omdat de heer [betrokkene] niet vindbaar bleek. Daarna heeft de enkelvoudige kamer, in een andere samenstelling, de zaak behandeld op de terechtzitting van 26 maart 2026. Deze behandeling heeft geleid tot een tussenarrest van 9 april 2026, waarin aan de advocaat-generaal is opgedragen te zorgen voor een aanvullend politieproces-verbaal en waarin is beslist dat voor de volgende zitting als getuigen dienden te worden opgeroepen de heer [betrokkene], voornoemd, en de hoofdagent van politie [verbalisant 1], een van de verbalisanten uit het dossier. Op de derde zitting van de enkelvoudige kamer, van 6 augustus 2026, is verbalisant [verbalisant 1] (hierna ook: [verbalisant 1]) als getuige gehoord. De heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is uiteindelijk niet opgeroepen omdat er ten aanzien van hem het bericht was binnengekomen dat hij was geëmigreerd, onbekend waarheen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op de kruising van de Van Lennepstraat en de Bilderdijkstraat, op of omstreeks 1 januari 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] en/of de overige inzittenden van de personenauto met kenteken [kenteken 2]) letsel en/of schade was toegebracht;

2.
hij, op of omstreeks 1 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken 1]), daarmee rijdende op de voor openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Aelbrechtskade en/of Aelbrechtsplein en/of Beukelsweg en/of Horvathweg en/of Bilderdijkstraat en/of op de kruising van de Bilderdijkstraat met de Van Lennepstraat,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, meermalen, althans eenmaal

- heeft gereden met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid, in elk geval met een snelheid die veel te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- bij naderen van een of meerdere verkeersdrempels geen snelheid heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet met het naderen van een of meerdere verkeersdrempels, te hoge snelheid en/of een of meerdere verkeersdrempels op te rijden en/of over te rijden, ten gevolge waarvan hij bij het over rijden van een of meerdere verkeersdrempels los is gekomen van de grond en/of

- door een voor hem, verdachte, geldend rood licht is gereden en/of

- geen gebruik heeft gemaakt van de richtingaanwijzer wanneer hij van rijrichting veranderde en/of

- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, immers is hij meerdere malen tegen de stoep(rand) aangereden en/of

- geen voorrang heeft verleend op een (gelijkwaardige) kruising aan een voor hem, verdachte, van rechts tegemoetkomende medeweggebruiker, genaamd [slachtoffer], en/of daardoor is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen, met die [slachtoffer],

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

Ter zitting van 6 augustus 2026 heeft de raadsvrouw zich, primair, op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Subsidiair heeft zij vrijspraak bepleit.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het hof verwerpt het door de raadsvrouw primair gevoerde verweer, ertoe strekkende dat het Openbaar Ministerie op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging. De feitelijkheden die door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht in haar pleidooi kunnen niet leiden tot het oordeel dat is voldaan aan de voor een dergelijk dictum geldende maatstaf, zoals die door de Hoge Raad is verwoord in rechtsoverweging 2.5.2 van HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889. In dit verband verwijst het hof ook naar hetgeen in de vrijspraakmotivering nog zal worden overwogen onder nummer 7. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Motivering van de vrijspraak

[1]

Aan de verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij op 1 januari 2024, iets meer dan twee uur na de jaarwisseling, als bestuurder van een Mercedes gevaarzettend rijgedrag heeft vertoond dat heeft geresulteerd in een aanrijding met een Peugeot (feit 2). Na die aanrijding zou de verdachte zijn doorgereden (feit 1). De centrale vraag in deze zaak is of de verdachte tijdens beide feiten inderdaad de bestuurder van de Mercedes was. De verdachte ontkent dit. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, op het moment dat beide feiten zich voordeden, de auto door iemand anders werd bestuurd. Zie dienaangaande overweging 2, onder ix tot en met xi.

[2]

Voor de beantwoording van de centrale vraag zijn de volgende feiten van belang. De feiten onder het eerste en derde gecursiveerde kopje van deze overweging zijn deels aan het politiedossier ontleend en deels aan de getuigenverklaring die [verbalisant 1] ter zitting van 6 augustus 2026 heeft afgelegd.

Gebeurtenissen van 1 januari 2024

  1. In een niet als zodanig herkenbaar politievoertuig komen [verbalisant 1] en zijn collega, de heer [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2]), tijdens hun surveillance, op enig moment te rijden achter een Mercedes met het kenteken [kenteken 1]. De auto valt op door het rijgedrag van de bestuurder. Deze rijdt slingerend en veel te hard.

  2. Als de bestuurder van de Mercedes deze parkeert in een parallel aan de rijbaan gelegen parkeervak zet [verbalisant 2], als chauffeur, de politieauto op de rijbaan stil, naast de Mercedes. Op dat moment bevindt het raam aan de bijrijderszijde van de politieauto zich op gelijke hoogte als het raam aan de bestuurderszijde van de Mercedes. [Verbalisant 1] kijkt naar rechts en ziet dat de bestuurder van de Mercedes een zwartkleurige ballon in zijn mond heeft.

  3. De afstand tussen beide auto’s is zodanig dat [verbalisant 1] aan zijn kant, de bijrijderszijde, probleemloos uit het politievoertuig kan stappen. Als hij dit doet ziet hij dat de bestuurder van de Mercedes schrikt. Hij ziet dan ook dat zich in de Mercedes, op de passagiersplaats voorin, een tweede persoon bevindt.

  4. Als [verbalisant 1] nog maar net is uitgestapt ziet de bestuurder van de Mercedes, ondanks de geringe manoeuvreerruimte, kans om weg te rijden.

  5. [Verbalisant 1] stapt weer in en [verbalisant 2] zet de achtervolging in.

  6. Tijdens deze achtervolging nemen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waar dat de bestuurder van de Mercedes gevaarzettend rijgedrag vertoont en dat er op enig moment een botsing plaatsvindt tussen de Mercedes en een Peugeot. De Peugeot wordt op het moment van de aanrijding bestuurd door een vrouw. Zij zit in de auto met haar twee kinderen van drie respectievelijk negen jaar oud. Geen van deze drie inzittenden raakt bij de botsing gewond. Wel heeft de Peugeot aanzienlijke schade opgelopen.

  7. Na deze botsing rijdt de bestuurder van de Mercedes door. [Verbalisant 2] en [verbalisant 1] zetten aanvankelijk de achtervolging voort, maar na verloop van korte tijd breken zij die af. Ze gaan terug naar de Peugeot en verlenen hulp aan de inzittenden daarvan.

  8. Om 10:30 uur krijgen de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] het bericht dat in de parkeergarage van het [hotelnaam]-hotel in [plaatsnaam 2] de Mercedes is aangetroffen. Zij gaan ter plaatse en nemen de Mercedes in beslag. Zij zien dat de gehele rechterzijde van de Mercedes beschadigd is en dat zich lachgastanks en drankflessen in de auto bevinden. Van het [hotelnaam]-personeel krijgen zij te horen dat er ook camerabeelden zijn.

3 januari 2024 als invuldatum van een formulier

In het dossier van het hof bevindt zich een afschrift van een politieformulier met formuliernummer 20689835- BRVOR165. Aan de geadresseerde van het formulier, te weten de eigenares en kentekenhoudster van de Mercedes, wordt gevraagd om, door middel van invulling van het formulier, te verklaren wie er tussen “maandag 1 januari 2024 om 02:20 uur en maandag 1 januari om 02:25 uur (…) de bestuurder [was] van het voertuig (…) Mercedes-Benz (…) [kenteken 1]”. De kentekenhoudster is woonachtig aan het adres [A-straat nr. x] te [plaatsnaam 1]. Naar later zal blijken is zij de moeder van de verdachte.

In het formulier wordt, in antwoord op de onder ix geciteerde vraag, ingevuld dat [betrokkene] toen de bestuurder was. Van hem wordt een adres en een telefoonnummer gegeven.

Op het formulier is als invuldatum ingevuld 3 januari 2024. Hoe en wanneer het formulier bij de geadresseerde is terechtgekomen is niet duidelijk. Hoe en op welke datum het formulier bij de politie is teruggekomen is ook niet duidelijk. Vast staat wel dat het formulier uiterlijk op 9 januari 2024 weer in het bezit van de politie is gekomen. In het verhoor van die datum laten de verhorend verbalisanten – naar aanleiding van antwoorden van de verdachte – blijken dat zij het ingevulde formulier hebben gezien. Het formulier maakte ten tijde van de behandeling in eerste aanleg nog geen deel uit van de processtukken. Pas na het instellen van het hoger beroep wordt het formulier, op verzoek van het hof, aan het procesdossier toegevoegd.

Gebeurtenissen van 5 januari 2024

Op 5 januari 2025 neemt [verbalisant 1] kennis van bij [hotelnaam] gevorderde gegevens.

Tot deze gegevens behoren in de eerste plaats camerabeelden van iemand die zojuist, via een draaideur, het gebouw van het [hotelnaam]-hotel te [plaatsnaam 2] heeft betreden en die zich even later aan de balie van de receptie bevindt. In zijn proces-verbaal schrijft [verbalisant 1]: “Ik herken deze persoon als de bestuurder van de [kenteken 1] die ik op 01-01-2024 om 02.24 uur heb gezien.”

Tot de onder xii bedoelde gegevens behoort ook een adres dat op 1 januari 2024 door een gast bij het inchecken aan [hotelnaam] is opgegeven. Het gaat om het adres [A-straat nr. x] te [plaatsnaam 1]. [Verbalisant 1] haalt dit adres door de voor hem beschikbare systemen en komt er dan achter dat onder meer de – dan nog niet als zodanig door hem, [verbalisant 1], aangemerkte – verdachte op dit adres staat ingeschreven. De naam van de verdachte komt, op één letter na, overeen met de achternaam die bij [hotelnaam] is genoteerd als de naam van de gast die [A-straat nr. x] als zijn adres heeft opgegeven.

Door in de systemen te zoeken op de naam van de – dan nog steeds niet als zodanig door hem aangemerkte – verdachte komt [verbalisant 1] te beschikken over een Rdw-foto (rijbewijsfoto) en een politiefoto van de verdachte.

Naar aanleiding van het bekijken van deze beide foto’s noteert [verbalisant 1] het volgende in zijn proces-verbaal: “Ik herken [achternaam verdachte] van de RDW-foto (…) en de politiefoto (…) aan het volgende:

- zwarte korte haar

- bolle jukbeenderen

- zwarte snor met minimale kin en wang beharing (het hof begrijpt: kin- en wangbeharing)

- donkere ogen

- v-vormige neusvleugels.”

Aan zijn eerdere herkenning (zie hierboven onder xiii) voegt [verbalisant 1] nog het volgende toe: “Ik herken [achternaam verdachte] op de beelden van [hotelnaam] aan het volgende:

- man;

- goudkleurige bril;

- rond hoofd;

- zwarte puffer jas (het hof begrijpt: pufferjas) met geel accent aan de kraag;

- snor.”

5 januari 2024 is tevens de datum waarop [verbalisant 1] en [verbalisant 2] proces-verbaal opmaken van de gebeurtenissen van 1 januari 2024. In dit proces-verbaal geeft [verbalisant 1] een omschrijving van de bestuurder zoals hij deze heeft waargenomen tijdens de hierboven onder ii en iii beschreven gebeurtenissen. Deze beschrijving luidt als volgt: “Ik zag dat de bestuurder er als volgt uit zag:

- man;

- kort haar, donker van kleur;

- snor, donker van kleur;

- bolle wangen;

- bril zonder monteur (het hof begrijpt: montuur), goudkleurig;

- zwarte puffer jas (het hof begrijpt: pufferjas), met geel accent in de kraag.”

Zowel bij de politie als ter zitting in eerste aanleg heeft de verdachte erkend dat hij de persoon is die te zien is op de camerabeelden die zijn gemaakt in het hotelgebouw van [hotelnaam].

[3]

  1. Bij de herkenning van de verdachte door de verbalisant [verbalisant 1] moet bedacht worden dat hij, [verbalisant 1], de verdachte vóór 1 januari 2024 niet kende. We hebben hier dus niet te maken met een politieman die op een foto iemand herkent die hij, uit hoofde van zijn ambt, al eerder (meermalen) heeft ontmoet. Het gaat er, integendeel, om dat [verbalisant 1] op 1 januari 2024 een toen voor hem volledig onbekende persoon waarnam en dat hij de vraag naar de identiteit van die persoon heeft beantwoord door vergelijking van, enerzijds, zijn herinnering aan die waarneming met, anderzijds, de waarneming van enkele foto’s (stills van camerabeelden daaronder begrepen).

  2. Dit betekent dat het proces van herkenning nog het best te vergelijken is met een zogenoemde enkelvoudige fotoconfrontatie. Weliswaar gaat het om meerdere foto’s, maar die laten allemaal dezelfde persoon zien. Er is dus geen sprake geweest van een meervoudige fotoconfrontatie in de zin van een keuzeconfrontatie.

  3. Dat [verbalisant 1] geen gewone getuige is, maar een politieman, maakt voor de verdere beoordeling geen verschil.

[4]

a. De juridische stand van zaken met betrekking tot enkelvoudige (foto)confrontaties is dat dergelijke confrontaties niet vanwege hun enkelvoudigheid onrechtmatig zijn. Enkelvoudige fotoconfrontaties leveren derhalve wettige bewijsmiddelen op die in beginsel voor het bewijs bruikbaar zijn, óók als dat doorslaggevend bewijs is.

Dit laat onverlet dat ook de Hoge Raad zijn voorkeur uitspreekt voor een meervoudige confrontatie en dat de feitenrechter een serieus betrouwbaarheidsverweer dat op de herkenning betrekking heeft gemotiveerd moet verwerpen als hij, ondanks zo’n verweer, de herkenning na een enkelvoudige confrontatie toch als bewijsmiddel wil gebruiken.

Een en ander neemt echter niet weg dat er in de rechtspsychologie onverminderd aanzienlijke bezwaren bestaan tegen het gebruik voor het bewijs van de resultaten van enkelvoudige (foto)confrontaties.

[5]

In de onderhavige zaak zou dus de herkenning door [verbalisant 1] voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Aan het nemen van een dergelijke beslissing zou in dit geval kunnen bijdragen dat het niet louter gaat om een gezichtsherkenning, maar ook om een herkenning van en aan (de combinatie van) de bril en de kleding.

[6]

Het belangrijkste – op de herkenning betrekking hebbende – verweer van de verdediging is dat het herkenningsproces-verbaal en het proces-verbaal met het signalement van 1 januari 2024 beide tot stand zijn gekomen op één en dezelfde datum, te weten 5 januari 2024, en dat daardoor niet uitgesloten kan worden dat het proces-verbaal met het signalement naar zijn inhoud is beïnvloed door een herkenning die reeds had plaatsgevonden. Hierdoor zou niet meer volledig op elk van beide processen-verbaal vertrouwd kunnen worden. Het hof verwerpt dit betrouwbaarheidsverweer aan de hand van de ter zitting afgelegde getuigenverklaring van [verbalisant 1]. Deze heeft verklaard dat hij kort na het incident digitale aantekeningen van het signalement heeft gemaakt en dat hij zijn proces-verbaal eindigend op nummer 1145 aan de hand van die aantekeningen heeft opgemaakt. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Dat de digitale aantekeningen inmiddels niet meer beschikbaar zijn is spijtig, maar doet daar niet aan af.

[7]

Meer in het algemeen wil het hof tot uitdrukking brengen dat het geen enkele reden heeft om uit te gaan van kwade trouw aan de zijde de politie. Het dossier roept weliswaar vragen op en het bevat, zoals in het tussenarrest is aangetoond, enkele betreurenswaardige missers, maar die leveren, ook bij elkaar, naar het oordeel van het hof niet het resultaat op van een politiedossier waarop niet meer voldoende vertrouwd kan worden. (In zoverre verschilt het hof dus van opvatting met zowel de advocaat-generaal, die dit aan haar vordering tot vrijspraak ten grondslag legde, als de raadsvrouw die dit (én meer) aan haar primaire verweer ten grondslag legde.)

[8]

  1. Toch besluit het hof tot vrijspraak (zij het om een andere reden dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de raadsvrouw bepleit).

  2. Het hof hecht eraan te benadrukken dat het niet ongevoelig is voor de rechtspsychologische bezwaren tegen enkelvoudige (foto)confrontaties en dat het, niettegenstaande de juridische situatie zoals hierboven geschetst in overweging 4 onder a, sterk geneigd is die bezwaren voorop te stellen. Nochtans ziet het hof in dit bijzondere geval aanleiding om aan die bezwaren voorbij te gaan, in het bijzonder omdat zich in deze zaak de eerder al onder 5 genoemde omstandigheid voordoet. Dat de herkenning door [verbalisant 1] mede heeft plaatsgevonden aan de hand van de bril en de jas, zoals die zichtbaar zijn op beelden die slechts enkele uren na de oorspronkelijke waarneming zijn gemaakt, zorgt ervoor dat de herkenning als geheel bepaald een grotere bewijskracht heeft dan een doorsneegeval van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Dit resulteert hierin dat het hof, enerzijds, bereid is om van de herkenning gebruik te maken voor het bewijs.

Anderzijds is er evenwel twijfel. Die twijfel wordt hierdoor veroorzaakt dat verdachtes alternatieve scenario, toen dat nog zeer wel mogelijk was (namelijk in de opsporingsfase), volkomen ononderzocht is gebleven. En dát terwijl dit scenario door of zijdens de verdachte juist kenbaar is gemaakt naar aanleiding van een door de politie zelf genomen initiatief (te weten: het aan de kentekenhoudster doen toekomen van het onder 2 sub ix bedoelde politieformulier). De toezending door de politie van zo’n formulier wekt bij de ontvanger ervan de verwachting dat de invulling van het formulier voor de politie van belang is en dat er iets met die invulling zal worden gedaan. Dit is echter niet (kenbaar) gebeurd en daardoor vormt verdachtes stelling dat niet hij maar [betrokkene] de auto bestuurde nog steeds een serieus tegenwicht tegen de hypothese die in de herkenning besloten ligt.

De zojuist onder c beschreven twijfel staat er in dit geval aan in de weg dat het hof de voor een bewezenverklaring benodigde overtuiging bekomt dat de verdachte de bestuurder is geweest ten tijde van de feiten waarop de tenlastelegging betrekking heeft. Bij gebrek aan die overtuiging dient vrijspraak te volgen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 augustus 2026.

In het dossier van het hof bevinden zich twee versies van het politiedossier. De eerste versie telt 126 digitale pagina’s, de tweede versie (hierna: PD2) telt 82 digitale pagina’s. Tijdens zijn verhoor bij de politie op 9 januari 2024 geeft de verdachte het volgende antwoord op de vraag wie er in de auto reed: “Ik heb dit doorgegeven via een brief. Hier staat alles op.” Op de vervolgvraag “Maar hoe heet die persoon dan?” antwoordt de verdachte: “Dat staat op die brief.” (PD2, p. 75.) PD2, p. 51. PD2, still op p. 49. PD2, still op p. 50 en p. 55. PD2, p. 51. PD2, p. 54. PD2, p. 52. PD2, p. 52. PD2, p. 15. PD2, p. 76: “Ik zeg jou ik ben (…) naar binnen gegaan bij [hotelnaam].” Proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 29 april 2024: “Ik was (…) bij het [hotelnaam] hotel (…)”. Zie de noten 4 en 5. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3244, r.o. 3.3-3.4. Zie de voetnoten 2 en 3 van CAG (mr. D.J.C. Aben) 22 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1101. Het hof verwijst in dit verband ook naar het proefschrift van Kesteloo en de door haar genoemde literatuur (L. Kesteloo, De betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Drie rechtspsychologische analyses van het recht (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2024. Zie in het bijzonder de paragrafen 2.3.2.1 en 3.3.3). Zie hierboven de nummers xiii, xvi en xvii. Het nummer van dit proces-verbaal eindigt op 1376-16. Zie hierboven nummer xviii. Het nummer van dit proces-verbaal eindigt op 114-5. Een van die vragen is waarom het adres [A-straat nr. x] voor [verbalisant 1] pas op 5 januari 2024 interessant werd (zie hierboven nummer xiv), terwijl er al een formulier (met zijn naam als afzender erop) naar dat adres was uitgegaan op – vermoedelijk – 1 of 2 januari 2024 (zie hierboven nummer ix). De ‘draaideur-still’ is van 07:54 uur; de ‘receptie-still’ is van 07:56 uur (PD2, p. 43).