Strafrecht overig

Cyberkamer. Bankhelpdeskfraude. Verwerping preliminair verweer; geen strijd met het gelijkheidsbeginsel door…

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
22-000091-26
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2909
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Cyberkamer. Bankhelpdeskfraude. Verwerping preliminair verweer; geen strijd met het gelijkheidsbeginsel door andere personen niet te vervolgen. Bewezenverklaring van medeplegen oplichting, computervredebreuk en diefstal met valse sleutel. De verdachte was degene die in de woningen van de slachtoffers kwam om daar pinpassen, creditcards, contante geldbedragen en sieraden mee te nemen. Het hof acht een gevangenisstraf van aanzienlijke duur in beginsel passend, maar ziet daarvan af gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Volgt oplegging grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf van 480 uur. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Waarde weggenomen sieraden voldoende onderbouwd met taxatie door juwelier op basis van foto’s en/of tekeningen. Geen grondslag voor toekenning immateriële schadevergoeding. Geen aanleiding tot matiging.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-000091-26

Parketnummer: 09-232550-24

Datum uitspraak: 16 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2026 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 15] zijn niet meer aan de orde in hoger beroep, nu deze benadeelde partijen door de rechtbank niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen en zij zich niet opnieuw hebben gevoegd in hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2024 tot en met 18 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen, (telkens) hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, personen, onder wie

- [benadeelde partij 1] , en/of

- [benadeelde partij 2] en/of

- [benadeelde partij 3] en/of

- [benadeelde partij 4] en/of

- [benadeelde partij 5] en/of

- [benadeelde partij 6] en/of

- [benadeelde partij 7] en/of

- [benadeelde partij 8] en/of

- [benadeelde partij 9] en/of

- [benadeelde partij 10] en/of

- [benadeelde partij 11] en/of

- [benadeelde partij 12] en/of

- [benadeelde partij 13] en/of

- [benadeelde partij 14] en/of

- [benadeelde partij 15] en/of

- [benadeelde partij 16] en/of

- [benadeelde partij 17] en/of

- [benadeelde partij 18] en/of

- [benadeelde partij 19] en/of

- [benadeelde partij 20] en/of

- [benadeelde partij 21] en/of

- [benadeelde partij 22] en/of

- [benadeelde partij 23] en/of

- [benadeelde partij 24] en/of

- [benadeelde partij 25] en/of

een of meer andere personen,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten:

- de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) en/of zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of sieraden en/of

- het ter beschikking stellen van de creditcardgegevens en/of pincode(s)

door:

- telefonisch contact op te nemen met voornoemde persoon/personen en/of

- zich voor te doen als (een) bankmedewerker(s) en/of (een) politiemedewerker(s) en/of een valse naam op te geven en/of

- daarbij de laatste drie cijfers van de bankrekening en/of het adres en/of de geboortedatum en/of geboorteplaats van voornoemde persoon/personen te noemen en/of

- tegen voornoemde persoon/personen te zeggen dat hij/zij slachtoffer is/zijn geworden van fraude en/of zijn/haar/hun geld moest worden veiliggesteld en/of zijn/haar/hun opnamelimiet moest worden verhoogd en/of geld van de ene rekening naar de andere rekening moest worden overgeboekt en/of

- tegen voornoemde personen te zeggen dat zijn/haar/hun (adres)gegevens bij waren aangetroffen bij personen die betrokken waren bij een inbraak en/of

- tegen voornoemde persoon/personen te zeggen dat zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of creditcards zou(den) worden opgehaald door een bankmedewerker die een bepaalde code kon opnoemen en/of

- tegen voornoemde persoon/personen te zeggen dat hij/zij zijn/haar/hun pincode(s) telefonisch moest(en) inspreken en/of intoetsen en/of

- ( vervolgens) zich naar de woning van voornoemde persoon/personen te begeven en/of zich aldaar voor te doen als bankmedewerker en/of daarbij de vooraf afgesproken code te noemen en/of

- de bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of contant geld en/of andere waardevolle goederen van voornoemde persoon/personen mee te nemen;

2.
zij in de periode van 7 juni 2024 tot en met 4 juli 2024 in Krimpen aan den IJssel en/of Deurne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten:

- één of meer computer(s) van [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 18] en/of

- één of meer server(s) van de [naam bank] met daarop de internetbankierenomgeving van [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 18] ,

waarbij verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) de toegang tot het/de geautomatiseerde werk(en) heeft/hebben verworven:

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten: als een of meer geautoriseerde medewerkers van de bank;

3.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2024 tot en met 18 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen (een of meer) geld(bedrag)(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

- [benadeelde partij 1] , en/of

- [benadeelde partij 2] en/of

- [benadeelde partij 3] en/of

- [benadeelde partij 4] en/of

- [benadeelde partij 5] en/of

- [benadeelde partij 6] en/of

- [benadeelde partij 7] en/of

- [benadeelde partij 8] en/of

- [benadeelde partij 9] en/of

- [benadeelde partij 10] en/of

- [benadeelde partij 11] en/of

- [benadeelde partij 12] en/of

- [benadeelde partij 13] en/of

- [benadeelde partij 14] en/of

- [benadeelde partij 15] en/of

- [benadeelde partij 16] en/of

- [benadeelde partij 17] en/of

- [benadeelde partij 18] en/of

- [benadeelde partij 19] en/of

- [benadeelde partij 20] en/of

- [benadeelde partij 21] en/of

- [benadeelde partij 22] en/of

- [benadeelde partij 23] en/of

- [benadeelde partij 24] en/of

- [benadeelde partij 25] en/of

een of meer andere personen,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij de verdachte en/of haar mededader(s) het weg te nemen geld onder haar/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten: door gebruik te maken van de pinpas en/of pincode van voornoemd(e) persoon/personen die door oplichting waren verkregen en tot welk gebruik zij, verdachte en/of haar mededader(s) niet gerechtigd was/waren.

Bespreking van het preliminaire verweer

De raadsvrouw heeft bij wijze van preliminair verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de vervolgingsbeslissing in de onderhavige zaak in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het openbaar ministerie zonder deugdelijke motivering alleen de verdachte heeft vervolgd, terwijl uit het opsporingsonderzoek is gebleken dat er andere personen zijn die op zijn minst een vergelijkbare, zo niet zwaardere, rol hebben gehad in het feitencomplex waarbij de verdachte betrokken zou zijn geweest.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen, omdat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van gelijke gevallen. Voor zover uit het opsporingsonderzoek andere mogelijke betrokkenen naar voren zijn gekomen, gaat het om personen met een andere rol in het feitencomplex dan de verdachte. Anders dan de verdachte, zijn die personen niet herkend aan de hand van camerabeelden. Om hun mogelijke betrokkenheid te bewijzen, zou nader onderzoek nodig zijn geweest. Om redenen van opportuniteit heeft de officier van justitie daarvoor niet gekozen, aldus de advocaat-generaal.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder zijn begrepen het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

Naar het oordeel van het hof is hetgeen namens de verdachte in dit verband is aangevoerd onvoldoende om te oordelen dat sprake is van een uitzonderlijk geval zoals hiervoor bedoeld. Op grond van de door de advocaat-generaal gegeven toelichting is voldoende aannemelijk geworden dat en waarom alleen tegen de verdachte vervolging is ingesteld en niet ook tegen de door de raadsvrouw bedoelde personen. Weliswaar biedt het opsporingsonderzoek aanknopingspunten dat die personen betrokken zijn geweest bij het feitencomplex in de onderhavige zaak, maar het opsporingsonderzoek is niet specifiek op hen gericht geweest. Het hof is van oordeel dat geen sprake is geweest van zodanig gelijke gevallen dat daaruit de conclusie moet worden getrokken dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden door hen niet te vervolgen. Zoals de advocaat-generaal heeft toegelicht – en ook uit het opsporingsdossier naar voren komt – zouden bedoelde personen immers een andere rol hebben gehad dan de verdachte in dat feitencomplex en zou de bewijspositie van het openbaar ministerie tegen die personen een andere zijn geweest. In aanmerking genomen de ruime discretionaire bevoegdheid die het openbaar ministerie geniet bij het nemen van vervolgingsbeslissingen, stond het de officier van justitie vrij om om redenen van opportuniteit af te zien van vervolging van die personen.

Het hof verwerpt het verweer.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 18 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) hetzij door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, personen, onder wie

- [benadeelde partij 1] , en/of

- [benadeelde partij 2] en/of

- [benadeelde partij 3] en/of

- [benadeelde partij 4] en/of

- [benadeelde partij 5] en/of

- [benadeelde partij 6] en/of

- [benadeelde partij 7] en/of

- [benadeelde partij 8] en/of

- [benadeelde partij 9] en/of

- [benadeelde partij 10] en/of

- [benadeelde partij 11] en/of

- [benadeelde partij 12] en/of

- [benadeelde partij 13] en/of

- [benadeelde partij 14] en/of

- [benadeelde partij 15] en/of

- [benadeelde partij 16] en/of

- [benadeelde partij 17] en/of

- [benadeelde partij 18] en/of

- [benadeelde partij 19] en/of

- [benadeelde partij 20] en/of

- [benadeelde partij 21] en/of

- [benadeelde partij 22] en/of

- [benadeelde partij 23] en/of

- [benadeelde partij 24] en/of

- [benadeelde partij 25] en/of

een of meer andere personen,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, en het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten:

- de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) en/of zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of sieraden en/of

- het ter beschikking stellen van de creditcardgegevens en/of pincode(s)

door:

- telefonisch contact op te nemen met voornoemde persoon/personen en/of

- zich voor te doen als (een) bankmedewerker(s) en/of (een) politiemedewerker(s) en/of een valse naam op te geven en/of

- daarbij de laatste drie cijfers van de bankrekening en/of het adres en/of de geboortedatum en/of geboorteplaats van voornoemde persoon/personen te noemen en/of

- tegen voornoemde persoon/personen te zeggen dat hij/zij slachtoffer is/zijn geworden van fraude en/of zijn/haar/hun geld moest worden veiliggesteld en/of zijn/haar/hun opnamelimiet moest worden verhoogd en/of geld van de ene rekening naar de andere rekening moest worden overgeboekt en/of

- tegen voornoemde personen te zeggen dat zijn/haar/hun (adres)gegevens bij waren aangetroffen bij personen die betrokken waren bij een inbraak en/of

- tegen voornoemde persoon/personen te zeggen dat zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of creditcards zou(den) worden opgehaald door een bankmedewerker die een bepaalde code kon opnoemen en/of

- tegen voornoemde persoon/personen te zeggen dat hij/zij zijn/haar/hun pincode(s) telefonisch moest(en) inspreken en/of intoetsen en/of

- (vervolgens) zich naar de woning van voornoemde persoon/personen te begeven en/of zich aldaar voor te doen als bankmedewerker en/of daarbij de vooraf afgesproken code te noemen en/of

- de bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of contant geld en/of andere waardevolle goederen van voornoemde persoon/personen mee te nemen;

2.
zij in de periode van 7 juni 2024 tot en met 4 juli 2024 in Krimpen aan den IJssel en/of Deurne, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk is binnengedrongen in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan, te weten:

- één of meer computer(s) van [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 18] en/of

- één of meer server(s) van de [naam bank] met daarop de internetbankierenomgeving van [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 18] ,

waarbij verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) de toegang tot het/de geautomatiseerde werk(en) heeft/hebben verworven:

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten: als een of meer geautoriseerde medewerkers van de bank;

3.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 18 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een of meer) geld(bedrag)(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

- [benadeelde partij 1] , en/of

- [benadeelde partij 2] en/of

- [benadeelde partij 3] en/of

- [benadeelde partij 4] en/of

- [benadeelde partij 5] en/of

- [benadeelde partij 6] en/of

- [benadeelde partij 7] en/of

- [benadeelde partij 8] en/of

- [benadeelde partij 9] en/of

- [benadeelde partij 10] en/of

- [benadeelde partij 11] en/of

- [benadeelde partij 12] en/of

- [benadeelde partij 13] en/of

- [benadeelde partij 14] en/of

- [benadeelde partij 15] en/of

- [benadeelde partij 16] en/of

- [benadeelde partij 17] en/of

- [benadeelde partij 18] en/of

- [benadeelde partij 19] en/of

- [benadeelde partij 20] en/of

- [benadeelde partij 21] en/of

- [benadeelde partij 22] en/of

- [benadeelde partij 23] en/of

- [benadeelde partij 24] en/of

- [benadeelde partij 25] en/of

een of meer andere personen,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij de verdachte en/of haar mededader(s) het weg te nemen geld onder haar/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten: door gebruik te maken van de pinpas en/of pincode van voornoemd(e) persoon/personen die door oplichting waren verkregen en tot welk gebruik zij, verdachte en/of haar mededader(s) niet gerechtigd was/waren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop. Weliswaar gaat het om een samenhangend feitencomplex, maar de strekking van de desbetreffende strafbepalingen (artikelen 326 en 138ab van het Wetboek van Strafrecht) loopt wezenlijk uiteen.

Ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat geen sprake is van een voortgezette handeling. Weliswaar gaat het om elkaar in de tijd opvolgende gedragingen, maar daaraan heeft telkens een afzonderlijk ongeoorloofd wilsbesluit van de verdachte ten grondslag gelegen.

Het hof gaat dus uit van meerdaadse samenloop.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude, bestaande uit oplichting, computervredebreuk en diefstal met valse sleutels. In een periode van twee maanden heeft zij, samen met haar mededaders, 25 slachtoffers gemaakt en voor zo’n 70.000 euro aan schade toegebracht. De verdachte was degene die in de woningen van de slachtoffers kwam om daar pinpassen, creditcards en in sommige gevallen ook contante geldbedragen en sieraden mee te nemen. Met de buitgemaakte pinpassen en creditcards heeft zij vervolgens geldbedragen opgenomen. Ook heeft zij bij twee slachtoffers in hun woning handelingen verricht in hun internetbankieromgeving. De slachtoffers waren veelal van gevorderde leeftijd en daarmee kwetsbaar.

Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Voor deze vorm van fraude geldt bovendien dat het vertrouwen van de slachtoffers in anderen én in zichzelf vaak ernstig wordt geschaad als het besef doordringt dat en hoe zij zijn opgelicht. Meer in algemene zin geldt dat met deze vorm van fraude het vertrouwen dat door de samenleving moet kunnen worden gesteld in het gedigitaliseerde betalingsverkeer wordt ondermijnd. De verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en zich uitsluitend laten leiden door haar eigen financiële gewin.

De ernst van de feiten, waarbij het hof tevens het benadelingsbedrag en het aantal slachtoffers betrekt, rechtvaardigt in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of haar persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dit heeft dus geen invloed op de strafoplegging, in positieve noch negatieve zin.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies over de verdachte van 27 augustus 2026. Hieruit blijkt het volgende. Verdachte kampte sinds haar 18e levensjaar met een gokverslaving. Er ontstonden financiële problemen, die naast diverse andere problemen hebben bijgedragen aan het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten. De verdachte loopt sinds augustus 2024 in een schorsingstoezicht bij de reclassering. Er is ingezet op het verkrijgen van stabiliteit: een zelfstandige woonruimte voor haar en haar minderjarige dochter, starten met het aflossen van haar schulden en een behandeling gericht op haar psychosociale klachten. De verdachte lost momenteel haar schulden af en heeft haar financiën in eigen beheer. Er zijn geen signalen van gokgedrag of dat er nieuwe schulden zijn ontstaan. De verdachte heeft een zelfstandige woonruimte met begeleiding vanuit de Tussenvoorziening en ze volgt een behandeling bij Fivoor. Vanwege de nog bestaande psychische kwetsbaarheid van de verdachte is er nog geen ruimte geweest om in te zetten op dagbesteding. Momenteel heeft Fivoor een monitorende rol, maar zowel de reclassering als Fivoor ziet voldoende aanwijzingen om binnen het forensische kader door te gaan met het toezicht. Het huidige reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden dragen naar het oordeel van de reclassering bij aan een pro-sociale en delictvrije toekomst. De aanwezige beschermende factoren, waaronder huisvesting en behandeling, verlagen momenteel het recidiverisico. Bij het wegvallen hiervan, bijvoorbeeld door een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, acht de reclassering het recidiverisico verhoogd. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden om binnen het toezicht verder te werken aan het versterken en behouden van de beschermende factoren. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling, het vinden en behouden van betaald werk, het meewerken aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen en het niet deelnemen aan kansspelen.

Ook heeft het hof acht geslagen op een ‘sociale rapportage’ van de begeleider van de verdachte bij de Tussenvoorziening. Hieruit blijkt dat de verdachte een stabiele woonomgeving heeft opgebouwd, dat zij de afspraken met de begeleiding nakomt en dat zij zich actief inzet om haar leven opnieuw vorm te geven. De begeleider maakt zich vanuit haar professionele betrokkenheid zorgen over de gevolgen van een langdurige detentie voor de stabiliteit die de verdachte de afgelopen twee jaren heeft opgebouwd, zowel voor haarzelf als voor de ontwikkeling en het welzijn van haar dochter.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op een brief van 14 augustus 2026 van de behandelaar van de verdachte bij Fivoor. Hieruit blijkt dat de verdachte open is in het contact, zich kwetsbaar durft op te stellen en haar afspraken nakomt. Zij toont veel zelfinzicht en reflectief vermogen, ook als het gaat over het delict. Ze heeft ontzettend veel spijt en neemt haar verantwoordelijkheid. Zij is gemotiveerd voor behandeling en wil heel graag samen met haar dochter haar leven weer op de rit krijgen. Er zijn beschermende factoren aanwezig, waarbij de behandelaar mogelijkheden ziet om die te versterken door middel van behandeling.

Hetgeen de behandelaar in deze brief heeft geschreven over spijt, zelfinzicht en het nemen van verantwoordelijkheid door de verdachte komt overeen met de indruk die het hof van de verdachte heeft gekregen ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft voorts toegelicht dat zij alleen de zorg draagt voor haar dochter van bijna vier, die binnenkort naar school zal gaan. Zou de verdachte gedetineerd raken, dan zou haar dochter bij de ouders van de verdachte kunnen wonen, maar dan zou zij uit haar vertrouwde omgeving moeten worden weggehaald.

Vorenstaande persoonlijke omstandigheden geven het hof aanleiding om af te zien van oplegging van de langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof in beginsel passend acht bij de ernst van de feiten. Doorslaggevend voor die beslissing is dat oplegging van een dergelijke straf ingrijpende negatieve gevolgen zou hebben voor het leven van het dochtertje van de verdachte.

Het hof zal daarom aan de verdachte opleggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel in duur gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. De verdachte zal daardoor niet opnieuw gedetineerd raken. Wel zal het voorwaardelijke strafdeel dienen als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan strafbare feiten. Bij dat strafdeel zal het hof de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden stellen, zodat de in het kader van het schorsingstoezicht begonnen behandeling en begeleiding kan worden voortgezet. Om recht te doen aan de ernst van de feiten zal het hof daarnaast een taakstraf opleggen van 480 uren.

Vordering tot schadevergoeding [naam bank] .

In het onderhavige strafproces heeft [naam bank] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 31.270,00, bestaande uit € 29.950,00 aan schadeloosstellingen aan klanten van de bank en € 1.320,00 aan onderzoekskosten.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist voor wat betreft de onderzoekskosten.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde. De schadeloosstellingen zijn door of namens de verdachte niet betwist. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, staan de gevorderde onderzoekskosten in een rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft toegelicht dat na elke fraudemelding die binnenkomt bij de bank een fraudedossier wordt aangemaakt en dat onderzoek plaatsvindt, bestaande uit onder meer technisch onderzoek naar modus operandi en actoren, onderzoek naar digitale sporen, veiligstellen van bewijs en afhandelen van een eventuele schadeloosstelling. De vordering van de benadeelde partij zal hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof gaat bij de aanvangsdatum van de wettelijke rente uit van de laatste datum waarop de bank een van haar gedupeerde klanten schadeloos heeft gesteld, omdat de volledige schade voor de bank in ieder geval vanaf die datum heeft bestaan.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam bank]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 31.270,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam bank]

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij bedrijfsnaam]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij bedrijfsnaam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.750,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof gaat bij de aanvangsdatum van de wettelijke rente uit van de datum van indiening van de vordering, bij gebreke van andere aanknopingspunten.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij bedrijfsnaam]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.750,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij bedrijfsnaam] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 13.353,19, bestaande uit € 12.603,19 materiële schade en € 750,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist voor wat betreft de immateriële schade.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van deze schade gesteld – kort gezegd – dat haar vertrouwen in de mens is afgenomen en dat zij bang is dat de verdachte zal terugkomen. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 12.603,19 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.800,00, bestaande uit € 800,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.550,00, bestaande uit € 800,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist wat betreft de immateriële schade.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening

Wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van deze schade gesteld – kort gezegd – dat zijn vertrouwen in de medemens is geschaad en dat hij zich onveilig voelt in zijn eigen huis. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 800,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit € 1.000,00 materiële schade en € 500,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 750,00, bestaande uit immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en afwijzing van de vordering voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof zal de gevorderde materiële schadevergoeding afwijzen. Namens de verdachte is gesteld dat deze schade reeds is vergoed door [benadeelde partij bedrijfsnaam] . Dat vindt bevestiging in de zich in het dossier bevindende aangifte van [benadeelde partij bedrijfsnaam] en de benadeelde partij heeft dit niet weersproken.

Wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van deze schade gesteld – kort gezegd – dat hij niemand meer vertrouwt en dat hij nog steeds angstig is als de deurbel gaat. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, welke kosten het hof begroot op nihil.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 6]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 10.800,00, bestaande uit € 9.800,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.250,00, bestaande uit € 2.500,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, wat betreft de immateriële schade en de materiële schadepost weggenomen sieraden.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde. Aangaande de schadepost ‘weggenomen sieraden’ overweegt het hof als volgt. Door of namens de verdachte is niet betwist dat er sieraden zijn weggenomen, wel is namens de verdachte de waarde van die sieraden betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij de waarde van de weggenomen sieraden voldoende onderbouwd aan de hand van een taxatie door een juwelier, die geacht kan worden ter zake kundig te zijn, terwijl deze taxatie niet voldoende gemotiveerd is betwist. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van deze schade gesteld – kort gezegd – dat zij bang is om alleen te zijn, slecht slaapt en de deur niet durft open te doen. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 9.800,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 7]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 7] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de schade gesteld – kort gezegd – dat zij haar vertrouwen in mensen is kwijtgeraakt, slecht slaapt en de telefoon niet durft op te nemen. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, welke kosten het hof begroot op nihil.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 10]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 10] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 10]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 10] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 12]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 12] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.391,50, bestaande uit € 5.641,50 materiële schade en € 750,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.391,50, bestaande uit € 4.641,50 materiële schade en € 750,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de vordering voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, wat betreft de immateriële schade en een materiële schadepost van € 1.041,50 verband houdende met de creditcard.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van
€ 4.600,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de gevorderde materiële schade ter hoogte van € 1.000,00 afwijzen. Namens de verdachte is gesteld dat deze schade reeds is vergoed door [benadeelde partij bedrijfsnaam] . Dat vindt bevestiging in de zich in het dossier bevindende aangifte van [benadeelde partij bedrijfsnaam] en de benadeelde partij heeft dit niet weersproken.

Voor het gevorderde bedrag van € 41,50 dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat niet is komen vast te staan dat dit deel van de materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Namens de verdachte is gesteld dat dit een aflossing van een andere creditcardschuld lijkt te zijn, hetgeen door de benadeelde partij niet is weersproken.

Wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de schade gesteld – kort gezegd – dat zij zich somber en onveilig voelt en zich schaamt. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 12]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.600,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 en 3 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 12] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 13]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 13] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.649,00, bestaande uit € 2.899,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Door of namens de verdachte is niet betwist dat er sieraden zijn weggenomen, wel is namens de verdachte de waarde van die sieraden betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij de waarde van de weggenomen sieraden voldoende onderbouwd aan de hand van een taxatie door een juwelier, die geacht kan worden ter zake kundig te zijn, terwijl deze taxatie niet voldoende gemotiveerd is betwist. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wat betreft de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de schade gesteld – kort gezegd – dat zij angstig is en schuldgevoelens heeft. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 13]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.899,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 13] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 18]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 18] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de schade gesteld – kort gezegd – dat zij geen vertrouwen meer heeft in mensen en instanties. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te kunnen spreken. Hoewel het bewezenverklaarde zonder twijfel impact op de benadeelde partij heeft gehad, is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is onvoldoende gebleken van een grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen, zou het strafproces onevenredig belasten. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, welke kosten het hof begroot op nihil.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 19]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 19] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.200,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 19]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.200,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 19] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 25]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 25] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 25]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 25] .

Bespreking matigingsverweer ten aanzien van alle benadeelde partijen

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partij gematigd dienen te worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat, mochten de vorderingen hoofdelijk worden toegewezen, de verdachte niet het bedrag naar evenredigheid kan verhalen op de mededaders, omdat er geen andere personen zijn vervolgd voor betrokkenheid bij dit feitencomplex. Dit zou tot onaanvaardbare gevolgen voor de verdachte leiden. Het zal betekenen dat de verdachte de rest van haar leven zal moeten afbetalen, als zij daartoe al in staat zal zijn, terwijl zij slechts hooguit tien procent van de buitgemaakte bedragen heeft ontvangen, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6:109 BW de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Deze maatstaf noopt de rechter tot een grote mate van terughoudendheid. Het hof is – mede gelet op de aard van de aansprakelijkheid van de verdachte en de mate van schuld – van oordeel dat in de gegeven omstandigheden toekenning van de volledige schadevergoeding niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking de nog jonge leeftijd van de verdachte, die maakt dat zij kan worden geacht toekomstig verdienvermogen te hebben. De stelling van de raadsvrouw dat de verdachte hooguit tien procent heeft ontvangen van het schadebedrag, leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 6:166 BW voorziet immers in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Het op deze grond matigen van de verplichting tot schadevergoeding, zou hieraan afbreuk doen. Bovendien miskent dit verweer dat de verdachte, anders dan de benadeelde partijen, ten minste een deel van de medeplegers kent of heeft ontmoet. Dat deze medeplegers niet strafrechtelijk zijn vervolgd doet aan haar verhaalsmogelijkheden niet af.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 138ab, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 350 (driehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan tussen 8:30 en 16:30 bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524SJ te Utrecht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op voortzetten van het door Fivoor reeds vastgestelde behandeldoel (somberheidsklachten, ingrijpende gebeurtenissen, trauma's en schematherapie).

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte niet deelneemt aan kansspelen. De verdachte houdt zich niet op in gelegenheden waar kansspelen zich voordoen en de verdachte geeft openheid over haar gokgedrag/verslaving.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 (tweehonderdveertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [naam bank]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam bank] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 31.270,00 (eenendertigduizend tweehonderdzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam bank] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 31.270,00 (eenendertigduizend tweehonderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij bedrijfsnaam]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij bedrijfsnaam] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij bedrijfsnaam] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 december 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.603,19 (twaalfduizend zeshonderddrie euro en negentien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.603,19 (twaalfduizend zeshonderddrie euro en negentien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 68 (achtenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 juli 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 mei 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juni 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 10]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 10] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 10] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 mei 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 12] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.600,00 (vierduizend zeshonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 12] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.600,00 (vierduizend zeshonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 mei 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 13] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.899,00 (tweeduizend achthonderdnegenennegentig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 13] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.899,00 (tweeduizend achthonderdnegenennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 juni 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 18]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 18] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 19]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 19] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 19] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 mei 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 25]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 25] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 25] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 juli 2024.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, en mr. J.W. van den Hurk en mr. C.H.M. Royakkers, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 september 2026.