Strafrecht overig

De verdachte heeft zich als ambtenaar bij de gemeente Den Haag schuldig gemaakt aan verduistering van een…

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
30 september 2026
Zaaknummer
22-002639-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2972
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte heeft zich als ambtenaar bij de gemeente Den Haag schuldig gemaakt aan verduistering van een geldbedrag van in totaal € 640.970,12.

De verdachte was werkzaam op het stadsdeelkantoor Escamp in Den Haag en heeft gedurende een periode van anderhalf jaar meermalen contant geld uit de kluis meegenomen.

Doordat zij telkens extra wisselgeld bestelde, kwamen er steeds grotere contante geldbedragen te liggen in die kluis.

Samen met haar toenmalige vriend heeft zij dit geld witgewassen door er luxe goederen mee te kopen.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder legt het hof een taakstraf op voor de duur van 160 uren en terugbetaling van het schadebedrag.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 1 augustus 2024

    ECLI:NL:RBROT:2024:7180
  2. Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2972

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-002639-24

Parketnummer: 09-087508-21

Datum uitspraak: 30 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, en een ontzetting van het recht tot het bekleden van het ambt van gemeenteambtenaar voor de duur van 2 jaren. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan het beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.


zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020 te Den Haag, althans in Nederland,

als ambtenaar (van de gemeente Den Haag), meermalen opzettelijk geld of geldswaardig papier dat zij in haar bediening onder zich had, tot een bedrag van in totaal 640.970,12 euro, heeft verduisterd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020 te Den Haag, althans in Nederland,

opzettelijk en of meer geldbedragen tot een bedrag van in totaal 640.970,12 euro, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehoorde aan de Gemeente Den Haag, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten (balie)medewerker bij de Gemeente Den Haag, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020 te Den Haag, althans in Nederland,

een of meer geldbedragen tot een bedrag van in totaal 640.970,12 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Gemeente Den Haag, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020 te Den Haag, althans in Nederland,

(telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten (van) een of meer geldbedrag(en) van in totaal 640.970,12 euro, althans enig geldbedrag - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

2.


zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 t/m 6 januari 2021, te [geboorteplaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, en/of alleen, (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten (van) een of meer geldbedrag(en) van in totaal 640.970,12 EURO, althans enig geldbedrag heeft overgedragen, heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte – op gronden zoals vermeld in de pleitnota van de raadsman – de hoogte van het door de verdachte verduisterde bedrag bestreden.

Feit 1

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Het hof is van oordeel dat er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de hoogte van het in het proces-verbaal van bevindingen met nummer 122 ( [proces-verbaalnummer] , dossierpagina 48 en verder) herberekende schadebedrag van € 640.970,12. Het hof is voorts - gelijk de rechtbank - van oordeel dat het geld vanuit de kluis moet zijn weggenomen nu er in het geheel geen aanwijzingen zijn dat het contante geld op een andere wijze op het stadsdeelkantoor is verdwenen. Bij het feitenonderzoek door de gemeente zijn daarnaast geen aanwijzingen gevonden dat anderen dan de verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het wegnemen van contant geld uit de kluis. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bedrag van € 640.970,12 heeft verduisterd.

Feit 2

Naar het oordeel van het hof staat op basis van wettige bewijsmiddelen tevens vast dat

verdachte het geldbedrag van € 640.970,12 heeft witgewassen. Met betrekking tot een gedeelte daarvan - te weten een bedrag van € 373.999,50 – (bestaande uit de contante stortingen op en de girale overboekingen naar de rekening van de medeverdachte alsmede de contant aangeschafte luxegoederen en de uitgaven aan voertuigen door de verdachte en medeverdachte (contant) en door de verdachte (giraal)), acht het hof tevens bewezen dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte bestaande uit een gezamenlijke uitvoering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:


zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 november 2020 te Den Haag, althans in Nederland,

als ambtenaar (van de gemeente Den Haag), meermalen opzettelijk geld of geldswaardig papier dat zij in haar bediening onder zich had, tot een bedrag van in totaal 640.970,12 euro, heeft verduisterd;

2:


zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 t/m 6 januari 2021, te [geboorteplaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, en/of alleen, (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten (van) een of meer geldbedrag(en) van in totaal 640.970,12 EURO, althans enig geldbedrag heeft overgedragen, heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

als ambtenaar opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich als ambtenaar van de gemeente Den Haag schuldig gemaakt aan verduistering van een geldbedrag van in totaal € 640.970,12. De verdachte heeft gedurende een periode van anderhalf jaar meermalen contant geld uit een kluis waarin geld lag afkomstig uit dan wel bestemd voor een betaalzuil meegenomen. Doordat zij telkens extra wisselgeld bestelde, kwamen er steeds grotere contante geldbedragen in de betreffende kluis te liggen. Vervolgens heeft de verdachte dit geld (deels samen met haar toenmalige vriend) witgewassen door het op bankrekeningen te storten en er luxe goederen zoals schoenen, kleding, horloges en voertuigen mee aan te schaffen.

De verdachte heeft gedurende een langere periode steeds welbewust gehandeld en is daarbij

steeds onbeschaamder te werk gegaan. Telkens opnieuw heeft zij de afweging gemaakt om

geld mee te nemen, puur voor haar eigen financieel genoegen en dat van haar toenmalige

vriend. Dat zij tot deze gedragingen door (dreiging met) geweld zou zijn gedwongen en dat

zij zich niet aan de relatie kon onttrekken, acht het hof onder meer op basis van de

appberichten in het dossier niet geloofwaardig. Veeleer heeft zij haar partner aan zich willen

binden door het geven van deze vaak kostbare cadeaus.

De verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van het feit dat er na het plaatsen van

de geldzuil onvoldoende controle was op deze contante geldstroom. De overheid en de samenleving moeten kunnen vertrouwen op de integriteit van een ambtenaar. De verdachte heeft het in haar, als ambtenaar, gestelde vertrouwen ernstig geschaad. Het hof neemt deze overwegingen in strafverzwarende zin mee in zijn oordeel.

Het hof neemt in strafverlagende zin mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen, door niet meer vast te houden aan de in eerste aanleg ingenomen ongeloofwaardige stelling dat zij hooguit een bedrag van € 40.000,- zou hebben weggenomen.

Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van de onderhavige feiten niet is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten maar wel bij vonnis van 11 oktober 2022 is veroordeeld voor feiten die zij heeft begaan na de onderhavige feiten. Het hof heeft in het kader van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening te houden met het onherroepelijke vonnis van 11 oktober 2022, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en verplichte (ambulante) behandeling, en een taakstraf van 120 uren. Deze straffen zijn reeds uitgevoerd. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij nog steeds (op vrijwillige basis) onder psychologische behandeling staat en deze behandeling wil blijven voortzetten.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het voorgaande acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 200 uren in beginsel een passende en geboden reactie.

Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hof neemt hierbij met name de lange duur van de behandeling in eerste aanleg in aanmerking, waarbij na de inverzekeringstelling van de verdachte op 30 december 2020 eerst op 1 augustus 2024 een eindvonnis is gewezen, zodat sprake is van een overschrijding met ongeveer 1 jaar en 8 maanden. Vervolgens is ook ten aanzien van de behandeling van het op 5 augustus 2024 ingestelde hoger beroep de redelijke termijn licht overschreden, nu eerst op 30 september 2026 door het hof arrest wordt gewezen. Gelet op deze overschrijdingen zal het hof – in plaats van de hiervoor overwogen taakstraf – aan de verdachte een taakstraf van 160 uren opleggen.

Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering tot schadevergoeding Gemeente Den Haag

In het onderhavige strafproces heeft de Gemeente Den Haag zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 640.970,12. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, onder meer door te betwisten dat [naam indiener] , als indiener van de vordering tot schadevergoeding, daartoe gemachtigd was. Daarnaast is namens de verdachte aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f Sv.

Machtiging

Het hof stelt vast dat blijkens de -via openbare bronnen te raadplegen - Mandaatregeling hoofdstuk 1.2 Den Haag 2022 (hierna: Mandaatregeling) van de gemeente Den Haag door Burgemeester en wethouders mandaat is verleend aan de algemeen directeur, voor de bevoegdheden die betrekking hebben op het taakgebied van hun eigen dienst. Dit behelst onder andere, blijkens artikel 3 uit de Mandaatregeling het voeren van procedures krachtens artikel 160 Gemeentewet waaronder – kort gezegd – het voeren van rechtsgedingen. Van een andersluidend besluit van de raad in de zin van art. 3 Mandaatregeling is niet gebleken. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard als zodanig door de algemeen directeur te zijn gemachtigd tot het indienen van de onderhavige vordering tot schadevergoeding. Dit leidt tot het oordeel dat de Gemeente Den Haag als benadeelde partij kan worden ontvangen in de in deze zaak ingediende vordering tot schadevergoeding.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal bij de veroordeling tot betaling bepalen dat de verdachte met betrekking tot een gedeelte van dit bedrag, te weten een bedrag van € 373.999,50 met de medeverdachte hoofdelijk tot betaling is gehouden.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Gemeente Den Haag

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 640.970,12 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Gemeente Den Haag. Het hof zal daarbij bepalen dat deze verplichting hoofdelijk is tot een bedrag van € 373.999,50.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 359 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Gemeente Den Haag ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 640.970,12 (zeshonderdveertigduizend negenhonderdzeventig euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte tot een bedrag van € 373.999,50 met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Gemeente Den Haag, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 640.970,12 (zeshonderdveertigduizend negenhonderdzeventig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader tot een bedrag van

€ 373.999,50 aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 november 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter,

mr. K. Versteeg en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden,

in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.