Strafrecht overig

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de…

Zaakgegevens

Op 27 januari 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27 januari 2025
Datum publicatie
10 april 2025
Zaaknummer
20-000733-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:997
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000733-24

Uitspraak : 27 januari 2025

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 maart 2024 onder parketnummer 01-033171-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 01-284827-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 25 november 2024: zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde, heeft de politierechter het onder feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 04 april 2023, gewezen onder parketnummer 01-284827-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, dit zal kwalificeren als ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, en hem daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 01-284827-22 zal toewijzen.

Namens de verdachte is bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging alsmede de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 01-284827-22 zal afwijzen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Nu namens de verdachte onbeperkt hoger beroep is ingesteld, richt het hoger beroep zich mede tegen deze vrijspraken.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de vrijspraak van het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde is gericht.

Voorts overweegt het hof het volgende. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte het onterecht vindt dat de politierechter, nu de verdachte weliswaar is veroordeeld ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde maar hem daarvoor vervolgens geen straf of maatregel is opgelegd, wel de tenuitvoerlegging heeft gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 01-284827-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen. Volgens de verdachte hebben de verbalisanten hem ten tijde van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde (waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken) uitgelokt en was het onder feit 3 tenlastegelegde een reactie hierop.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

1. “het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld”.

2. “ “Zijn echter in eersten aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan het hooger beroep tot het vonnis voor zoover dit eene of meer der gevoegde zaken betreft, worden beperkt”.

In de appelakte van de onderhavige zaak d.d. 13 maart 2024 is opgenomen dat er hoger beroep is ingesteld tegen het, door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, op 12 maart 2024 gewezen eindvonnis. Hieruit volgt dat het appel is ingesteld tegen het vonnis als geheel. Doch, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, begrijpt het hof van de raadsman van de verdachte dat het hoger beroep zich enkel richt tegen de door de politierechter toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging en de door de verdachte in de onderhavige zaak (volgens de raadsman “onterecht”) ondergane voorlopige hechtenis en niet tegen het door de politierechter bewezenverklaarde feit zelf en het daarop van toepassing verklaarde artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is van oordeel dat er hierdoor sprake is van een ongeoorloofde beperking van het hoger beroep. Het hof zal, gelet op het vorenstaande en met inachtneming van het bepaalde in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen door:

mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,

en op 27 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.