Strafrecht overig

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 'medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 onder B…

Zaakgegevens

Op 24 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
24 maart 2026
Datum publicatie
28 mei 2026
Zaaknummer
20-001987-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1395
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 'medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod' tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 2 dagen hechtenis en ter zake van 'overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994' tot een geldboete ter hoogte van € 450,00, subsidiair 4 dagen hechtenis.

Verwerping van het verweer dat niet vast gesteld kan worden dat de verdachte wist van en de beschikkingsmacht had over de in zijn auto aanwezige hennep.

Verwerping van het verweer dat er geen sprake is van een 'onderzoek' als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, nu niet blijkt hoeveel bloed er bij de verdachte is afgenomen en daarmee niet is voldaan aan de strikte waarborgen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-001987-25

Uitspraak : 24 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer

03-001858-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot eenzelfde straf als door de politierechter is opgelegd met uitzondering van de vervangende hechtenis, te weten een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, en tot een geldboete ter hoogte van € 850,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de teruggave aan de verdachte zal gelasten van de onder hem inbeslaggenomen pillen.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair dat het hof de verdachte hiervan zal vrijspreken.

Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte eveneens zal vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Tot slot heeft de verdediging bepleit dat het hof de teruggave van de inbeslaggenomen pillen aan de verdachte zal gelasten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2024 tot en met 14 oktober 2024 te Roermond, althans in Nederland, eenmaal, althans meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van in totaal 20 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Roermond, althans in Nederland, een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 11,0 microgram per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaart. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat er sprake is van een vormverzuim, omdat de verdachte is geconfronteerd met onjuiste informatie tijdens het OM-hoorgesprek. Volgens de raadsman is hierdoor geen sprake meer van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 september 2016 heeft overwogen dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking komt. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering – dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit – is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. onder meer HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.6.5). Van belang is dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering beperkt is tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name begrepen normschendingen bij de opsporing.

Daarnaast heeft de Hoge Raad in voornoemd arrest overwogen dat bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering valt, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging niet in aanmerking komt, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kan worden gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het EHRM – dat “the proceedings as a whole were not fair”. Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen.

Voormeld toetsingskader indachtig overweegt het hof als volgt.

Het hof merkt allereerst op dat het OM-hoorgesprek in beginsel niet wordt aangemerkt als een onderdeel van het voorbereidend onderzoek, waardoor van een normschending bij de opsporing geen sprake is.

Daarnaast heeft te gelden dat, voor zover er al sprake van zou zijn dat de verdachte is geconfronteerd met onjuiste informatie tijdens het OM-hoorgesprek – uit het schriftelijk verslag hiervan is dat naar het oordeel van het hof overigens niet op te maken – niet gezegd kan worden dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daarbij overweegt het hof dat blijkens het schriftelijk verslag OM-hoorgesprek, de raadsman van de verdachte bij dit gesprek aanwezig is geweest en derhalve heeft kunnen ingrijpen op het moment dat de verdachte volgens de raadsman werd geconfronteerd met foutieve informatie. Bovendien heeft het OM-hoorgesprek niet tot afdoening van de zaak geleid en heeft de verdachte, eveneens in de aanwezigheid van zijn raadsman, zijn lezing van de feiten zowel voor de politierechter als in tweede instantie voor het hof naar voren kunnen brengen.

Gelet op het vorenstaande is het hof geenszins gebleken op grond waarvan de procedure in het geheel bezien niet eerlijk is geweest in de zin van artikel 6 EVRM. Bovendien is gesteld noch gebleken welk nadeel de verdachte zou hebben geleden.

Het hof verwerpt derhalve het verweer en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewijsmiddelen

Indien in onderstaande bewijsmiddelen wordt verwezen naar paginanummers dan betreffen dit pagina’s van het procesdossier van de politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2300-2024168125, afgesloten d.d. 14 januari 2025 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 181), hierna te noemen: het politiedossier.

Tenzij anders vermeld, zijn alle te noemen processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, het bewijs dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna is bewezenverklaard.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2024, p. 29 t/m 34 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] ,

[verbalisant 2] en [verbalisant 3]:

Op 14 oktober 2024, waren wij bezig met een actie in Roermond. Actie was gericht op handel in verdovende middelen op straat. Wij hadden zicht in het centrum van Roermond.
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , bekeek de opgeslagen camerabeelden van 13 oktober 2024. Ik zag dat om 15.19 uur de personenauto met kenteken [kenteken] in de [straatnaam] parkeerde. Ik zag dat [betrokkene] op de [straatnaam] stond. Ik zag dat de personenauto stopte ter hoogte van [betrokkene] . Ik zag dat de bijrijder uitstapte. Ik zag dat de bijrijder een doorzichtig plasticzakje overhandigde aan [betrokkene] . Ik zag dat het zakje ongeveer zo groot was als een tennisbal. Ik zag dat de personenauto een stukje verderop in de straat parkeerde. Ik zag dat [betrokkene] naar binnenging bij [huisnummer] en de bijrijder in de personenauto stapte.

Ik kan de bestuurder als volgt omschrijven:

Man

[signalement 1]

Ik kan de bijrijder als volgt omschrijven:
Man
[signalement 2]
[signalement 2]
[signalement 2]
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , maakte foto's van deze personen en deelde deze met de collega die meewerkte aan de actie op 14 oktober 2024.
Op 14 oktober 2024 om 17.24 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , de personenauto met het Nederlandse kenteken [kenteken] op de [straatnaam] in Roermond. Ik zag dat
[betrokkene] naar het bijrijdersportier liep en in het raam ging hangen. Ik zag dat hij zijn rechterhand uit het voertuig haalde en dat hij een plasticzakje ter grootte van een tennisbal in zijn rechterjaszak deed. Ik zag dat de inhoud van het zakje donker van kleur was.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2024, p. 26 t/m 28 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5]:
???

Op 14 oktober 2024 waren wij belast met een projectdag in verband met de sluiting van de coffeeshops in Roermond. Omstreeks 18.45 uur hoorden wij via onze portofoon dat een voertuig in beeld was die gisteren en eerder vandaag bij handel in verdovende middelen betrokken zou zijn. Net zoals gisteren zouden er twee personen in het voertuig zitten. Wij hoorden dat het ging om een [automerk] met Nederlands kenteken [kenteken] . Binnen de projectgroep werden foto's van het verdachte voertuig en de inzittenden gedeeld.
Wij hoorden omstreeks 19.00 uur dat de auto ging rijden met in totaal twee inzittenden erin. Wij hoorden dat de auto naar de Koninginnelaan reed. Wij reden voor het voertuig en gaven een stopteken. Wij zagen dat de bestuurder hieraan voldeed. Wij zagen dat zowel de bestuurder als de bijrijder daadwerkelijk dezelfde personen betroffen als op de foto's die aan ons ter beschikking waren gesteld. De bestuurder werd later bekend als [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996. Wij keken naar [verdachte] en zagen aan zijn pupillen en bloeddoorlopen ogen dat hij vermoedelijk onder invloed was van verdovende middelen. De bijrijder werd later bekend als [medeverdachte] . Ik, [verbalisant 4] , keek in een tasje die naast de bijrijdersstoel lag en zag zakjes daarin henneptoppen. Ik zag tevens een doorzichtige zak onder de bijrijdersstoel liggen met daarin henneptoppen. Ik hoorde dat [medeverdachte] zei dat hij wiet bij zich had.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 oktober 2024, p. 89 t/m 94 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene]:

V: Wij hebben van twee dagen camerabeelden dat jij drugs koopt. Wil je daar een verklaring op geven?
A: Dat was alleen gisteren en vandaag. Ik heb besloten om 20 gram marihuana te halen. Vandaag 10 gram en gisteren 10 gram.
V: Heb je gisteren en vandaag van dezelfde persoon gekocht?
A: Ja.
V: Hoe zag die persoon eruit?
A: [signalement 2] .

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2024, p. 23 t/m 24 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op 14 oktober 2024, werd door de politie-collega's, aangetroffen, op locatie de [straatnaam] (het hof begrijpt: onder medeverdachte [betrokkene]) te Roermond.

De aangetroffen goederen werden met behulp van een MMC-kleurtest reactie test, getest op de aanwezigheid van de softdrugs cannabis. Hierbij werd door ons verbalisanten het navolgende bevonden.

Goednummer : PL2300-2024167991-1747239

MMC-getest : positief

Gewicht : 11,75 gram

Goednummer : PL2300-2024167991-1747193

MMC-getest: positief

Gewicht: 3,24 gram

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 oktober 2024, p. 59 t/m 66 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, wonende te [woonplaats] :

V: Je bent gisteren buiten heterdaad aangehouden nabij de Koninginnelaan in een [automerk] het Nederlandse kenteken [kenteken] . Van wie is dit voertuig?
A: Dat voertuig is van mij.

V: Toen je werd staande gehouden door de politie wie zaten er toen allemaal in jouw auto?

A: Alleen [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) en ik.
V: Ben jij de enige persoon die in dit voertuig rijdt?
A: Ja het is mijn auto en ik ben de enige die erin rijdt.

A: Ik had bij [medeverdachte] wiet gekocht bij zijn flat in [woonplaats 2] . Ik haal mijn wiet bij [medeverdachte] .

V: In het verleden kocht je al eens eerder wiet bij [medeverdachte] , met welke regelmaat kom jij bij [medeverdachte] ?

A: Ik rook twee joints per dag en dan kom ik om de twee à drie dagen bij [medeverdachte] om wiet te halen. Hier betaal ik dan 10 euro per gram voor.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 oktober 2024, p. 67 t/m 70 van het politiedossier, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

P: Heb je een voertuig bestuurd, terwijl je alcohol, drugs en/of medicijnen had gebruikt?
V: Ja, softdrugs. Ik rookte een joint.
P: Wat voor voertuig heb je bestuurd?
V: Mijn eigen [automerk] .
P: Waar kwam je vandaan voordat je werd staande gehouden te Roermond?
V: Vanuit Roermond centrum in de richting van de snelweg.
P: Hoeveel drugs heb je de afgelopen 48 uur gebruikt?
V: 2 of 3 joints.

Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 14 oktober 2024, p. 47 t/m 50 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4]:

Op 14 oktober 2024 om 19:56 uur, heeft [voornaam] [achternaam] in aanwezigheid van mij,

[verbalisant 5] , de verdachte bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Ik, [verbalisant 5] , heb de buisjes bloed in de voorgeschreven verpakking, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld en het opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker "Analyse" met het nummer TACW2729NL en SIN-sticker "Tegen Onderzoek" met het nummer TACW2730NL.

Het rapport van Maasstad Ziekenhuis ‘drugs in het verkeer’ d.d. 4 november 2024, (als los stuk opgenomen in het procesdossier) zaaknummer 923240587393, opgemaakt door de beëdigd deskundige dr. T.M. Bosch, ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

Tabel Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] met sporen identificatienummer TACW2729NL

Aangewezen stof

Meetbare stof

Grenswaarde indien

enkelvoudig gebruikt

Grenswaarde indien

enkelvoudig gebruikt

Eindresultaat in bloed

TACW2729NL

Rapportage eenheid

Cannabis

THC

3.0

1.0

11

microgram per liter

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde vervoeren dan wel verkopen van hennep. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman – op gronden als verwoord in de pleitnota – betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de vaststelling dat de verdachte wist van en de beschikkingsmacht had over de in zijn auto aanwezige hennep kan dragen. Hierbij heeft de raadsman nog opgemerkt dat het enkele feit dat de verdachte in de auto zat, onvoldoende is om te kunnen komen tot medeplegen van het tenlastegelegde feit.

Tot slot heeft de raadsman nog aangevoerd dat de verdachte een alternatief scenario heeft voor het feit dat hij in Roermond in de auto reed met [medeverdachte] : ze gingen naar meisjes in Roermond, hetgeen volgens de raadsman objectief wordt onderbouwd door de aangetroffen pillen (Viagra) die de verdachte op het moment van zijn aanhouding bij zich had.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat aan de verdachte de overtredingsvariant van artikel 3 onder B van de Opiumwet is tenlastegelegd (artikel 11, zesde lid, jo eerste lid, van de Opiumwet) en derhalve is niet het verwijt dat hij opzettelijk in strijd met dat artikel heeft gehandeld. Om deze reden volstaat de gedraging op zich, mits die gedraging verwijtbaar is aan de verdachte.

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, is het hof gebleken dat niet de verdachte, maar zijn bijrijder [medeverdachte] op 13 en 14 oktober 2024 in het totaal 20 gram hennep feitelijk aan [betrokkene] heeft verkocht. De vraag die voorligt, is of (ook) de verdachte als medepleger van die verkoop of door die hennep te vervoeren een strafbaar feit heeft gepleegd.

Het hof stelt voorop dat het opzet van de medepleger zich bij een overtreding beperkt tot de bewuste samenwerking bij de delictshandeling.

Te dien aanzien is voor het hof het volgende komen vast te staan.

Het hof stelt op de eerste plaats vast dat de verdachte wist dat [medeverdachte] in hennep handelde. Immers, blijkens zijn eigen verklaring kocht de verdachte om de twee à drie dagen hennep bij [medeverdachte] .

Voorts stelt het hof vast dat de verdachte twee dagen achter elkaar in Roermond in zijn auto heeft gereden met [medeverdachte] als bijrijder, terwijl de verdachte woonachtig was in [woonplaats] en [medeverdachte] in [woonplaats 2] . Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast dat de verdachte op 13 oktober 2024 met [medeverdachte] als bijrijder naar de [straatnaam] te Roermond is gereden en is gestopt ter hoogte van [betrokkene] , waarna [medeverdachte] is uitgestapt en naar zeggen van [betrokkene] , 10 gram hennep in een doorzichtig zakje ter grote van een tennisbal aan [betrokkene] heeft overhandigd. Tijdens deze verkoop heeft de verdachte in zijn auto gewacht tot [medeverdachte] weer instapte. De volgende dag is de verdachte wederom met [medeverdachte] als bijrijder naar voornoemde [straatnaam] gereden waar opnieuw aan [betrokkene] een plastic zakje ter grootte van een tennisbal met daarin – naar zeggen van [betrokkene] – 10 gram hennep is verkocht, ditmaal terwijl [medeverdachte] in de auto bleef zitten en [betrokkene] zijn arm via het raam van het bijrijdersportier in het voertuig heeft gestoken.

Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de verdachte, zoals hij stelt, geen weet heeft gehad van de exacte hoeveelheden hennep die in de buurt van de bijrijdersstoel in de auto zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat hij, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, door tot tweemaal toe de hem bekende hennepdealer met de auto te brengen naar een kennelijk afgesproken plaats, waarbij deze hennepdealer een persoon ontmoet met wie hij kortstondig contact heeft, de tweede keer zelfs vanuit de auto, zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij [medeverdachte] , en daarmee de verkochte hennep, vervoerde naar een hennepdeal.

Gelet op het vorenstaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder 1 ten laste heeft begaan, zoals bewezen is verklaard.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De verdediging heeft voorts bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde, omdat er geen sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 nu niet is voldaan aan meerdere strikte waarborgen en de uitkomst van het bloedonderzoek niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat uit het politiedossier niet blijkt hoeveel bloed er bij de verdachte is afgenomen, waardoor niet kan worden vastgesteld dat er ten minste drie milliliter bloed is afgenomen, zoals in artikel 6, eerste lid, van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna telkens: de Regeling) wordt vereist.

De tweede strikte waarborg die volgens de verdediging is geschonden, betreft dat het bloed op grond van artikel 12 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna telkens: het Besluit) dient te worden afgenomen door een arts of verpleegkundige. Volgens de raadsman wordt in het proces-verbaal rijden onder invloed weliswaar beschreven dat de arts ‘ [voornaam] [achternaam] ’ het bloed bij de verdachte heeft afgenomen, maar wijst een zoekslag in het BIG-register uit dat hierin geen arts is ingeschreven die [voornaam] [achternaam] heet. Bovendien is op het invulformulier Opdracht ten behoeve van Toxicologisch bloedonderzoek onder ‘In te vullen door arts of verpleegkundige’ het vakje ‘arts/verpleegkundige’ niet aangekruist, aldus de raadsman.

Tot slot heeft de verdediging ter onderbouwing van het vrijspraakverweer aangevoerd dat de verdachte nooit in kennis is gesteld van het resultaat van zijn bloedonderzoek, tevens een strikte waarborg op grond van artikel 17 van het Besluit. In het politiedossier bevindt zich weliswaar een brief met als onderwerp ‘Uitslag bloedonderzoek’, maar er blijkt niet dat deze brief ook daadwerkelijk aan de verdachte is verzonden, nu er enkel wordt gesproken over het voornemen om de brief te verzenden en niet blijkt dat het daadwerkelijk is verzonden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de

wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft

omringd. Indien dit niet het geval is, kan niet het in de delictsomschrijving en tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde wet’ worden bewezenverklaard, hetgeen dient te resulteren in een vrijspraak van het tenlastegelegde.

De hoeveelheid afgenomen bloed

Het hof overweegt als volgt. Verbalisant [verbalisant 5] heeft in het proces-verbaal rijden onder invloed gerelateerd dat op 14 oktober 2024 om 19:59 bij de verdachte bloed is afgenomen conform het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Het hof ziet dit als een sterke indicatie dat er ten minste 3 milliliter bloed bij de verdachte is afgenomen, zoals door de Regeling wordt vereist.

In ieder geval zijn er bij de verdachte via venapunctie meerdere buisjes bloed afgenomen, zowel voor de analyse als voor het tegenonderzoek en is het bij de verdachte afgenomen bloed niet afgenomen door middel van een vingerprikje.

Tot slot stelt het hof vast dat er een uitslag van het bloedonderzoek is gekomen en de onderzoeker derhalve beschikte over een voldoende hoeveelheid bloed van de verdachte om een onderzoek uit te kunnen voeren en daaraan conclusies te kunnen trekken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat afdoende uit de stukken van het dossier is gebleken dat er bij de verdachte voldoende bloed is afgenomen en dat is voldaan aan de waarborgen, genoemd in artikel 6, eerste lid, van de Regeling. De uitslag van het bloedonderzoek is bovendien te verenigen met hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard d.d. 15 oktober 2024 omtrent zijn drugsgebruik van de afgelopen 48 uur.

Door een arts of verpleegkundige

In het dossier bevindt zich een formulier ‘Opdracht ten behoeve van Toxicologisch bloedonderzoek, dat door de verbalisant [verbalisant 5] voor zijn deel is ingevuld en ondertekend. Ook het onderste gedeelte, dat dient te worden ingevuld door een arts of een verpleegkundige, is ingevuld, echter zonder aankruising van het vakje ‘arts’ of het vakje ‘verpleegkundige’. De naam van de betreffende persoon is met de hand ingevuld. Het hof is van oordeel dat enkel het ontbreken van het kruisje niet maakt dat er niet aan in de door het Besluit geregelde waarborgen is voldaan. Voor de betrouwbaarheid van de resultaten is, gelet op het besluit van belang, dat kan worden vastgesteld dat het bloed werd afgenomen door een arts of een verpleegkundige. Degene die het bloed heeft afgenomen, heeft wel zijn naam op het formulier geschreven. Kennelijk heeft de verbalisant deze met de hand geschreven naam gelezen als “ [voornaam] [achternaam] ”, maar het hof leest deze naam als ‘ [voornaam] [achternaam 2] ’. Voorts stelt het hof vast dat uit een openbare bron, het BIG-register, blijkt dat [initialen] [achternaam 2] als verpleegkundige geregistreerd staat.

Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan de waarborg van artikel 12 van het Besluit. Ten overvloede overweegt het hof nog dat het enkele feit dat de verbalisant de naam van de verpleegkundige verkeerd heeft gelezen en deze als arts en niet als verpleegkundige heeft bestempeld, niet met zich meebrengt dat daarmee het gehele proces-verbaal van rijden onder invloed onbetrouwbaar wordt.

In kennis stellen uitslag bloedonderzoek

Het hof stelt voorop dat de resultaten van het onderzoek, ondanks schending van waarborgen voor het bewijs kunnen worden gebruikt zo lang die schending niet leidt tot twijfel aan de betrouwbaarheid van het onderzoek, tenzij er een verdedigingsbelang is geschonden.

Het in kennisstellen van de uitslag van het bloedonderzoek behoort tot deze categorie van waarborgen. Door de verdediging is niet gesteld dat en hoe de verdachte in een verdedigingsbelang is geschonden.

Daarnaast blijkt uit het uit het proces-verbaal rijden onder invloed (p. 47-50) dat de uitslag van het bloedonderzoek aan de verdachte zal worden nagezonden. Nu zich in het politiedossier bovendien een brief d.d. 11 november 2024 met als onderwerp ‘Uitslag bloedonderzoek’ geadresseerd aan de verdachte (p. 51-52) bevindt, heeft het hof geen reden om te twijfelen dat de brief ook aan de verdachte is toegezonden.

Gelet op het bovenstaande worden de ten aanzien van het bloedonderzoek opgeworpen verweren verworpen en kan de uitkomst van het bloedonderzoek naar het oordeel van het hof tot het bewijs worden gebezigd.

Voorwaardelijke verzoeken

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van dr. T.M. Bosch (behandelaar van het Maasstad ziekenhuis) en [voornaam] [achternaam] als getuige, indien het hof van oordeel is dat er geen strikte waarborgen zijn geschonden. De vragen hebben betrekking op de hoeveelheid van het afgenomen bloed, het onderzochte bloed en door wie er bloed af is genomen van de verdachte.

Gelet op het voorhanden zijnde dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht het hof zich voldoende voorgelicht omtrent het afgenomen en het onderzochte bloed en of de bloedafname plaats heeft gevonden door een arts of verpleegkundige. De noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte getuigen ontbreekt derhalve. Om die reden wijst het hof het voorwaardelijk verzoek af.

Tevens is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om de opsteller van de ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal overlegde brief van het NFI te horen als getuige indien het hof de inhoud van deze brief zou betrekken bij zijn oordeel.

Nu het hof voornoemde brief van het NFI geen acht heeft geslagen op de inhoud van voormelde brief, wordt ook dit voorwaardelijk verzoek afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 13 oktober 2024 tot en met 14 oktober 2024 te Roermond, tezamen en in vereniging met een ander heeft vervoerd een hoeveelheid van in elk geval niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.
hij op 14 oktober 2024 te Roermond een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 11,0 microgram per liter bloed bedroeg, een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft het hof verzocht om bij een bewezenverklaring de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf te matigen en daarbij acht te slagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een geldboete in plaats van een taakstraf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren van een hoeveelheid hennep. Door aldus te handelen houdt de verdachte de illegale handel in softdrugs in stand en veroorzaakt daarmee allerlei maatschappelijk ongewenste effecten, waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Voorts is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij onder invloed van cannabis verkeerde. Door cannabis te gebruiken en vervolgens aan het verkeer deel te nemen, heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen allereerst acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden.

Ten aanzien van een overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet heeft het LOVS enkel een oriëntatiepunt met betrekking tot hennepkwekerijen geformuleerd. Het hof is echter van oordeel dat bij het bepalen van de op te leggen straf voor de overtreding van dit artikel voor wat betreft de verkoop van hennep aansluiting kan worden gezocht bij de voor de overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet geformuleerde uitgangspunten en overweegt daartoe als volgt. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet zowel voor de overtreding van artikel 3 onder B als onder C van de Opiumwet een strafmaximum van gelijke hoogte bepaalt.

Het LOVS heeft voor een overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet, waarbij er sprake is van 31-100 gram softdrugs, als oriëntatiepunt geformuleerd een geldboete ter hoogte van € 260,00. Het LOVS geeft geen oriëntatiepunt voor minder dan 31 gram softdrugs. Nu er in onderhavig geval sprake is van 20 gram softdrugs, te weten hennep, zal het hof de geldboete iets matigen.

Ten aanzien van een overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 zou volgens de oriëntatiepunten bij enkelvoudig gebruik van THC een geldboete ter hoogte van € 450,00 als passend kunnen worden beschouwd.

Bij het bepalen van de op te leggen straffen, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit niet onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Tot slot heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Al het vorenstaande afwegende acht het hof een oplegging van een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 2 dagen hechtenis, ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde en een geldboete ter hoogte van € 450,00, subsidiair 4 dagen hechtenis, ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Beslag

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven pillen (4 groene pillen en 2 blauwe pillen), nu het hof met de advocaat-generaal en de verdediging geen aanleiding ziet om deze voorwerpen verbeurd te verklaren of te onttrekken aan het verkeer en deze onder de verdachte in beslag zijn genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

? 4 groene pillen (goednummer 1747154) en

? 2 blauwe pillen (goednummer 1747155).

Aldus gewezen door:

mr. J.J. Peters, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,

en op 24 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

ECLI:NL:HR:2016:2059, rov. 2.3.3 t/m 2.3.4.