Strafrecht overig
Het hof heeft het hoger beroep van de officier van justitie en van de verdachte niet-ontvankelijk verklaart…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1785 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1785
Zaakgegevens
Op 25 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Datum publicatie
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-000518-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1785
Samenvatting
Het hof heeft het hoger beroep van de officier van justitie en van de verdachte niet-ontvankelijk verklaart voor zover het is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 en 4 tenlastegelegde.
Het hof verenigt zich voor het overige met het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon en met uitzondering van de bewezenverklaring van feit 2 (waaronder niet mede begrepen de beslissingen van de rechtbank omtrent de strafbaarheid van dat feit en de strafbaarheid van de verdachte daarvoor).
Het hof komt wederom tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastelegde en veroordeelt de verdachte (t.z.v. het onder 1, 2, 5, 6, 7 en 8 bewezenverklaarde) tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en tot een geldboete van € 40.000,00 subsidiair 191 dagen hechtenis.
Ten slotte gelast het hof de teruggave aan de verdachte van de onder hem in beslag genomen telefoon.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 2 februari 2022
ECLI:NL:RBOBR:2022:312Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2026:1785
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000518-23
Uitspraak : 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-993255-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard.
1 Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 3 en 4 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft vervolgens het onder 1, 2, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde bewezenverklaard, deze feiten gekwalificeerd als achtereenvolgens:
-
‘medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat/die feit(en)’ (feit 1, [plaats 1]);
-
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2, [plaats 1]);
-
‘medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat/die feit(en)’ (feit 5, [plaats 2] , [locatie 1]);
-
‘medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat/die feit(en)’ (feit 6, [plaats 3]);
-
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 7, [plaats 3] en [plaats 4]);
-
‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet’ (feit 8),
de verdachte hiervoor strafbaar verklaard en hem ter zake veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 40.000,00 subsidiair 235 dagen hechtenis.
Ten slotte heeft de rechtbank de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto verbeurdverklaard en de teruggave aan de rechthebbende gelast van de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoon.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2 Ontvankelijkheid van het hoger beroep (feiten 3 en 4)
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. De verdachte en de officier van justitie hebben onbeperkt hoger beroep ingesteld. Hun hoger beroep is aldus mede gericht tegen deze vrijspraken.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de bezwaren van het Openbaar Ministerie slechts zijn gericht tegen de door de rechtbank opgelegde straf en dat het Openbaar Ministerie berust in de door de rechtbank gegeven beslissingen tot vrijspraak van het onder 3 en 4 tenlastegelegde.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de bezwaren van de verdachte evenmin zijn gericht tegen deze vrijspraken.
Nu de bezwaren van het Openbaar Ministerie en de verdediging zich niet richten tegen de beslissingen van de rechtbank ter zake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde en het hof evenmin ambtshalve aanleiding ziet voor een onderzoek van de zaak in hoger beroep gericht op die feiten, zal het hof toepassing geven aan artikel 416, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en aldus het door de officier van justitie en het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht tegen die feiten.
Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op die feiten waartegen het door de officier van justitie en het door verdachte ingestelde hoger beroep ontvankelijk is.
3 Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde hoofdstraf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete ter hoogte van € 40.000,00 subsidiair vervangende hechtenis.
De verdediging heeft:
-
zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het onder 1, 2, 7 (voor zover betrekking hebbend op [plaats 4] ) en 8 tenlastegelegde;
-
bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 5, 6 en 7 (voor zover betrekking hebbend op [plaats 3] ) tenlastegelegde;
-
een straftoemetingsverweer gevoerd;
-
zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft een beslissing op de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.
4 Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met verbetering en aanvulling van de gronden, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing tot teruggave aan de rechthebbende van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon (merk Apple, kleur wit/roze, IBN-code: [nummer] ) en met uitzondering van de bewezenverklaring van feit 2 (waaronder niet mede begrepen de beslissingen van de rechtbank omtrent de strafbaarheid van dat feit en de strafbaarheid van de verdachte daarvoor).
In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof zal daarbij ook de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.
Voor wat betreft de gronden ziet het hof aanleiding om de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen te verbeteren en aan te vullen voor zover betrekking hebbend op de feiten 1, 2, 5, 6, 7 ( [plaats 3] ) en 8. Omwille van de leesbaarheid zal het hof daartoe de bewijsvoering van de rechtbank ten aanzien van deze feiten vervangen. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan verenigen met die bewijsvoering. Het hof zal dan ook delen daaruit overnemen in het onderhavige arrest. Verder zal het hof de bewijsvoering aanvullen voor zover betrekking hebbend op feit 7 ( [plaats 4] ).
5 Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover relevant – tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2020 tot en met 6 augustus 2020 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (een totaal van) ongeveer 96 liter, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), metamfetamine-olie en/of (een totaal van) 4,2 kilogram, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), metamfetamine-kristallen, zijnde metamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
6 Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 6 augustus 2020 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd, een hoeveelheid metamfetamine-olie en 4,2 kilogram metamfetamine-kristallen, zijnde metamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof constateert dat in de opsomming van hetgeen bij de ontmanteling van het laboratorium in [plaats 1] in en rond dat laboratorium is aangetroffen (p. 312 t/m 314 van zaaksdossier 2) – naast de bewezenverklaarde 4,2 kilogram metamfetamine-kristallen – onder meer een groot aantal liters vloeistoffen is opgenomen bevattende metamfetamine, en daarnaast nog 20,3 kg metamfetaminetartraat, het zout van metamfetamine. Er is ook een hoeveelheid van 3,6 liter metamfetamine-olie aangetroffen in een RVS reactievat. Het hof constateert echter dat niet alle vloeistoffen bevattende metamfetamine olieachtig zijn, reden waarom het hof niet komt tot bewezenverklaring van het aantal liters metamfetamine-olie als is bewezenverklaard door de rechtbank. In verband hiermee spreekt het hof aldus vrij van het onderdeel dat ziet op het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of vervaardigen van 96 liter metamfetamine-olie en verklaart bewezen dat het daarbij ging om een hoeveelheid metamfetamine-olie.
7 Het bewijs
Relevante juridische kaders
Het hof stelt eerst enkele juridische kaders voorop die in het licht van de onderhavige feiten relevant zijn bij de beoordeling.
Juridisch kader ‘medeplegen’
De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vaststaan dat bij het begaan van dat feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Toegespitst op het type feiten waarvan in het onderhavige onderzoek sprake is, brengt dit met zich dat niet elke verdachte rechtstreeks bij het productieproces hoeft te zijn betrokken om als medepleger van het produceren van metamfetamine te kunnen worden aangemerkt.
Juridisch kader ‘voorbereidingshandelingen / bevorderingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet’
De verdachte wordt verweten dat hij zich opzettelijk en tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde voorbereiding / bevordering van Opiumwetdelicten door – kort gezegd – betrokken te zijn bij de totstandkoming van een laboratorium voor de productie van een of meer verdovende middelen als vermeld op lijst I behorend bij de Opiumwet en daarbij tezamen met anderen voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben gehad ten behoeve van dat laboratorium, terwijl hij wist dat die voorwerpen en stoffen bestemd waren voor de productie van de harddrugs.
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben als bedoeld in artikel 10a, eerste lid en onder 3, van de Opiumwet is opzet (daaronder mede begrepen voorwaardelijk opzet) vereist op het voorhanden hebben en op het voorbereiden of bevorderen van een feit uit artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet. Daarnaast moet de verdachte weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen bestemd zijn tot het plegen van het feit als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet.
Van ‘voorhanden hebben’ is sprake als de verdachte de feitelijke macht over de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Deze hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Evenmin is voor een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ vereist dat kan worden vastgesteld dat de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen aan de verdachte toebehoren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.
Juridisch kader ‘opzettelijk aanwezig hebben’
Voorts wordt de verdachte verweten opzettelijk middelen vermeld op lijst I aanwezig te hebben gehad, strafbaar gesteld in artikel 2 onder C van de Opiumwet. Voor een veroordeling van het – als pleger – opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen op grond van dit artikel geldt, naast het vereiste dat sprake is van opzet, dat de verdachte deze middelen aanwezig moet hebben gehad. Voor ‘aanwezig hebben’ geldt – net als voor het ‘voorhanden hebben’ – dat de verdachte de feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Deze hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Evenmin is voor een bewezenverklaring van ‘aanwezig hebben’ vereist dat kan worden vastgesteld dat de middelen aan de verdachte toebehoren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.
Juridisch kader ‘deelneming aan een criminele organisatie’
??De verdachte wordt tevens verweten te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet. Artikel 11b Opiumwet is een specialis van de generalis uit artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en de uitleg van laatstgenoemd artikel is in gelijke mate van toepassing op artikel 11b Opiumwet.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen.
Het is daarbij niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijkere rol vervulden dan de verdachte.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als hiervoor kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.
Daarvoor is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr ook niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Identificatie van de betrokken verdachten
Cryptocommunicatiediensten
Het hof stelt voorop dat zich in het dossier een groot aantal berichten bevindt dat is verzonden via de cryptocommunicatiediensten EncroChat en SkyECC. Deze berichten zijn gekoppeld aan gebruikersaccounts. Het hof zal zich eerst uitlaten over de vraag welke accounts te koppelen zijn aan welke verdachte, om vervolgens conclusies te trekken uit de met die accounts gevoerde gesprekken, in combinatie met andere bewijsmiddelen zoals camerabeelden, tapgesprekken, bakengegevens, observaties en verklaringen.
EncroChat-accounts
Het dossier bevat chatberichten tussen diverse gebruikers van de communicatiedienst EncroChat over de periode van 28 maart 2020 tot en met 13 juni 2020. Omdat aan EncroChat-accounts een fictieve gebruikersnaam werd gekoppeld, dient allereerst te worden vastgesteld door welke verdachten van de in het dossier voorkomende EncroChat-accounts gebruik werd gemaakt. De politie heeft daartoe onderzoek gedaan naar de IMEI-nummers van de toestellen waarmee door de verschillende EncroChat-accounts gebruik is gemaakt, de daarbij horende mastgegevens en de inhoud van de chats, één en ander gecombineerd met observatiegegevens en camerabeelden. De bevindingen daarvan worden beschreven in de processen-verbaal van identificatie gebruiker EncroChat-naam. Geen van de verdachten heeft de identificatie door de politie betwist en enkele verdachten hebben bevestigd dat zij inderdaad hebben gecommuniceerd met het EncroChat-account dat door de politie aan hen is toegeschreven.
Zo blijkt uit het onderzoek van de politie en de verklaringen van [medeverdachte 1] dat hij communiceerde met het EncroChat-account [accountnaam 1] . Uit het onderzoek van de politie en de verklaring van [verdachte] blijkt dat hij communiceerde met het EncroChat-account [accountnaam 2] . Tijdens het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij communiceerde met het EncroChat-account [accountnaam 3] . Dit sluit aan bij de bevindingen van de politie. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij communiceerde met de EncroChat-naam [accountnaam 4] en dat hij zo werd genoemd. Die verklaring komt eveneens overeen met de bevindingen van de politie. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat [medeverdachte 4] communiceerde met het EncroChat-account [accountnaam 5], [medeverdachte 5] met het EncroChat-account [accountnaam 6] en [medeverdachte 6] met het EncroChat-account [accountnaam 7] . Het laatste is ook door [medeverdachte 6] bevestigd ter terechtzitting bij de rechtbank.
SkyECC-accounts
Naast EncroChat berichten bevat het dossier ook berichten die verzonden werden via de crypto -communicatiedienst SkyECC vanaf accounts die aan de verdachten konden worden toegeschreven op basis van het hierna te vermelden politieonderzoek. Met SkyECC was het ook mogelijk om in een groepschat versleutelde berichten uit te wisselen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] via EncroChat op 1 mei 2020 spraken over het op termijn aanmaken van een SkyECC groepschat “met ze 5 en”. Op 22 mei 2020 spraken ook [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] over snel overstappen naar SkyECC en een nieuwe groepsapp. Op 12 juni 2020 spraken [verdachte] en [medeverdachte 5] over de kosten van SkyECC. Nadat op 13 juni 2020 duidelijk was geworden dat er problemen waren met EncroChat, spraken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] over het aanschaffen van Sky-telefoons.
De overstap naar een groepsapp op SkyECC door de verdachten heeft plaatsgevonden in de tweede helft van juni 2020. Die overstap vond plaats nadat op 12 juni 2020 door EncroChat een interne waarschuwing voor een veiligheidsrisico naar zijn gebruikers was gestuurd en werd geadviseerd om de EncroChat-telefoons weg te doen. De politie heeft geconstateerd dat vanaf 18 juni 2020 tot en met 27 september 2020 een aantal opeenvolgende SkyECC-groepschats actief was met als deelnemers de SkyECC-accounts [accountnaam 8] , [accountnaam 9] , [accountnaam 10] , [accountnaam 11] , [accountnaam 12] , [accountnaam 13] , [accountnaam 14] en [accountnaam 15] . De politie heeft onderzoek naar deze accounts gedaan en is tot identificatie van bijna alle gebruikers van deze accounts gekomen en heeft vastgesteld dat een groot aantal hiervan de verdachten betreft. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek, waarmee het hof zich verenigt, stelt het hof vast dat de onderstaande SkyECC-accounts werden gebruikt door de volgende verdachten:
[accountnaam 8] = [verdachte]
[accountnaam 10] = [medeverdachte 5]
[accountnaam 11] = [medeverdachte 6]
[accountnaam 12] = [medeverdachte 2]
[accountnaam 9] = [medeverdachte 4]
Door de verdachte [medeverdachte 2] is ontkend dat hij de gebruiker is van het SkyECC-account [accountnaam 12] . [medeverdachte 2] heeft naar eigen zeggen helemaal geen Sky gehad. Het hof gaat daar echter niet in mee en deelt het oordeel van de rechtbank. Daartoe stelt het hof allereerst vast dat zoals hiervoor is besproken niet ter discussie staat dat [medeverdachte 2] een EncroChat-account had en dat hij [accountnaam 4] werd genoemd. Voorts leidt het hof uit de hierna nog te bespreken bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 2] de locatie bij een [medeverdachte 7] in [plaats 1] voor het op te richten drugslaboratorium heeft gevonden, hiervoor plannen smeedde met [medeverdachte 4] , contact onderhield met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] heeft aangestuurd om daar werkzaamheden te verrichten. Uit een EncroChat-gesprek op 13 juni 2020 tussen [medeverdachte 2] (als [accountnaam 4] ) en [medeverdachte 4] (als [accountnaam 5] ) leidt het hof af dat [medeverdachte 2] zich voorbereidde op een overstap van EncroChat naar SkyECC. Zo bespraken zij onder meer dat als EncroChat gehacked was, zij elkaar wel nog zouden moeten kunnen bereiken. [medeverdachte 4] gaf daarop aan een Sky-telefoon voor [medeverdachte 2] te kunnen bestellen, maar [medeverdachte 2] liet weten dat ook zelf te kunnen en vroeg aan [medeverdachte 4] om de SkyECC-accountnamen van bepaalde contacten, waaronder die van [medeverdachte 4] . Het hof stelt vast dat dit chatgesprek plaatsvond in de ochtend nadat EncroChat alle gebruikers van voormelde waarschuwing en advies had voorzien. Blijkens de inhoud van dit gesprek was het voor [medeverdachte 2] kennelijk van belang dat hij – ingeval EncroChat niet meer zou werken – wel in contact kon blijven met zijn (EncroChat-)contacten. Het hof leidt hieruit af dat met het vallen van het doek voor EncroChat niet de rol van [medeverdachte 2] met betrekking tot [plaats 1] was uitgespeeld. Het spreekt naar ’s hofs oordeel dan ook voor zich dat [medeverdachte 2] voortaan op andere wijze (verder) zou gaan communiceren met zijn contacten. En dat zijn contacten op andere wijze met en over hem communiceerden, concludeert het hof uit de SkyECC-groepschat-communicatie, waarvan [medeverdachte 2] aanvankelijk (tot 14 juli 2020 om 15:26:20) geen deel uitmaakte, maar waarin wel bij herhaling werd gesproken over iemand die ‘ [medeverdachte 2] ’ werd genoemd. Met die ‘ [medeverdachte 2] ’ werd naar ’s hofs oordeel niemand anders bedoeld dan [medeverdachte 2] .
In de eerste plaats past de naam ‘ [medeverdachte 2] ’ –al dan niet als afkorting of verbastering – bij de gebruikersnaam van het Encrochat-account ‘ [accountnaam 4] ’ van [medeverdachte 2] . Het hof acht het bovendien in het geheel niet ondenkbaar, aangezien inherent aan crypto-communicatie is dat niet onder eigen naam wordt gecommuniceerd, dat iemand in de onderlinge communicatie wordt genoemd bij zijn gebruikersnaam dan wel een verbastering of afkorting daarvan. Een tendens die het hof overigens ook in eerdere zaken waarin van cryptocommunicatie gebruik werd gemaakt, heeft waargenomen. In de tweede plaats past de aan deze ‘ [medeverdachte 2] ’ toebedeelde rol eveneens bij [medeverdachte 2] . Dit leidt het hof af uit navolgende berichten.
In de eerste groepschat die [verdachte] aanmaakte onder de naam ‘ [accountnaam 16] ’ op 1 juli 2020 en waarvan [medeverdachte 2] geen deel uitmaakte, werd door [medeverdachte 5] ( [accountnaam 10] ) gevraagd of [medeverdachte 6] met [medeverdachte 2] [medeverdachte 7] leert kennen. Nu [medeverdachte 2] degene was die al dan niet via de [medeverdachte 3] met [medeverdachte 7] communiceerde, past de rol van deze [medeverdachte 2] bij de rol van [medeverdachte 2] .
Ook in daarop volgende chats springt in het oog dat keer op keer werd verwezen naar [medeverdachte 2] in relatie tot hetgeen in [plaats 1] nog moest gebeuren aan de inrichting of als [medeverdachte 3] (‘ [medeverdachte 3] ’) daar iets moest doen of als [medeverdachte 7] in [plaats 1] moest worden bereikt over het een of ander. Wederom activiteiten die passen bij de rol van [medeverdachte 2] . Ook werd bijvoorbeeld in de groepschat besproken [medeverdachte 7] geen Sky te geven, maar dat alles via [medeverdachte 2] zou gaan en dat het [medeverdachte 2] was die [medeverdachte 3] aanstuurde en dat [medeverdachte 2] moest weten dat die dag de containers prio hadden. Wederom aanwijzingen die passen bij de rol van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] gaf aan een en ander bij [medeverdachte 2] te melden en [medeverdachte 6] gaf te kennen met [medeverdachte 2] te appen, naar het hof begrijpt: via Whatsapp. Overigens leek [medeverdachte 2] kennelijk op enig moment ook SkyECC-gebruiker te zijn geworden en wel met de bijnaam/nickname ‘ [medeverdachte 2] ’. Het hof stelt vast dat voor alle gebruikers die aan de groepschat deelnamen duidelijk leek te zijn wie met [medeverdachte 2] (en later ook met ‘ [medeverdachte 2] ’) werd bedoeld en wat zijn rol was.
Dat [medeverdachte 2] / [medeverdachte 2] was vindt overigens bevestiging in de volgende combinatie van bewijsmiddelen. [medeverdachte 6] liet in de groepschat op 9 juli 2020 om 15:48:18 weten “Jongens om 9 uur morgenochtend moet het stroom eraf, kan iemand dat even doorgeven aan [medeverdachte 7] ”. Uit diezelfde groepschat blijkt dat [medeverdachte 5] daarop zei dat [medeverdachte 6] dat moest doorgeven aan ‘ [medeverdachte 2] ’ om vervolgens te melden dat hij het bericht al had doorgestuurd, waarop [medeverdachte 6] liet weten dat ook hij hem al had geappt. Vervolgens blijkt uit een tapgesprek van diezelfde dag dat die berichten [medeverdachte 2] daadwerkelijk hadden bereikt toen [medeverdachte 2] om 18:26:25 met nummer [telefoonnummer] belde met [medeverdachte 3] en tegen [medeverdachte 3] zei “Ja je mot effe doorgeven dat morgenochtend om 9 uur de stroom er af moet”, waarop [medeverdachte 3] antwoordde dat dan effe door te geven. [medeverdachte 3] stelde daarop telefonisch [medeverdachte 7] in kennis dat de stroom er om 9 uur af moest. In de groepschat de dag erna bevestigde [medeverdachte 5] dat “ [medeverdachte 2] is [medeverdachte 2] ” op de vraag wie er contact had met die man (hof: [medeverdachte 7] ) voor de stekker.
Toen [verdachte] later te kennen gaf dat hij [medeverdachte 2] Sky niet had, werd [medeverdachte 2] door [medeverdachte 5] toegevoegd aan de groepschat; het nieuw toegevoegde contact aan het [accountnaam 16] bleek het SkyECC-gebruikersaccount [accountnaam 12] . Dat dit account inderdaad toebehoorde aan [medeverdachte 2] (met de bijnaam/nickname [medeverdachte 2] ) en aldus aan [medeverdachte 2] vindt naar ’s hofs oordeel ook bevestiging in de inhoud van de gesprekken die daarop in de groepschat volgden. Uit de berichten van de gebruiker van [accountnaam 12] blijkt dat hij volledig op de hoogte was van wat er eerder was besproken over de nog te verrichten werkzaamheden (in [plaats 1] ), namelijk die werkzaamheden waarover [medeverdachte 2] buiten deze chatgroep om – simpelweg omdat hij nog niet daaraan was toegevoegd - was geïnformeerd. In dat verband wijst het hof bijvoorbeeld op de werkzaamheden die volgens [medeverdachte 6] nog aan de afzuiging moesten worden verricht, de deur die niet meer dicht kon en de stekker die eruit moest, waarover [medeverdachte 6] op 10 juli 2020 appte met [medeverdachte 2] . Eenmaal toegevoegd aan de groepschat op 14 juli 2020 liet [accountnaam 12] in de groep weten “Die deur de afzuiger is allemaal gedaan wat allemaal besproken is”. Al met al een bevestiging dat [medeverdachte 2] al die tijd, ook nadat EncroChat uit de lucht was, betrokken is gebleven bij de op- en inrichting van het drugslaboratorium in [plaats 1] en daarover in contact is gebleven met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] en de overige verdachten, die hem steevast [medeverdachte 2] noemden als zij over en tegen hem spraken.
Ook uit latere berichten die door [accountnaam 12] werden gestuurd blijkt dat de gebruiker van dit account tot in detail op de hoogte was van de situatie in het laboratorium, wist welke bouwwerkzaamheden waren afgerond, welke nog moesten gebeuren en dat hij dit steeds besprak met [medeverdachte 3] en dan ook [medeverdachte 7] aan het werk zette (uit- en ingraven van de toegang). Naar het oordeel van het hof bevestigt dit temeer dat de gebruiker van het account [accountnaam 12] die door leden van de SkyECC-groepschat ‘ [medeverdachte 2] ’ werd genoemd de verdachte [medeverdachte 2] betrof die voor wat betreft Van [plaats 1] van meet af aan overal van op de hoogte was en steeds actief daarbij was betrokken.
Vermelding van namen in dit arrest
Voor de leesbaarheid van het arrest zal het hof hierna telkens de naam van de geïdentificeerde gebruiker weergeven als degene die een bericht verzond. Het hof heeft geen aanwijzingen dat de gebruikte accounts ( zowel EncroChat als SkyECC) ook door anderen dan de geïdentificeerde gebruiker werden gebruikt .
Feiten 1 en 2 (Drugslaboratorium aan [adres 1] )
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Oordeel hof
7.3.2.1 Aanwezigheid van werkend drugslaboratorium voor metamfetamine
Op 6 augustus 2020 werd in het buitengebied van [plaats 1] , op een bedrijfsterrein aan [adres 1] , een professioneel metamfetamine-laboratorium aangetroffen en ontmanteld. Het laboratorium bevond zich in zes aan elkaar geschakelde
– en door bedekking met dijkverzwaringsklei aan het zicht onttrokken – zeecontainers en was ingericht om met behulp van een professionele reactieketel op grootschalige wijze BMK om te zetten in metamfetamine, om deze vervolgens te kunnen zuiveren, scheiden en (her)kristalliseren (het hof begrijpt: tot crystal meth)’.
In het laboratorium werd ook eindproduct aangetroffen, te weten 4,2 kg metamfetamine en een hoeveelheid metamfetamine-olie. Verder werden er grote hoeveelheden chemicaliën gevonden, hardware voor de productie van drugs, verdovende middelen en drugsafval:
-
4,2 kg metamfetamine kristallen
-
Een hoeveelheid metamfetamine-olie
-
1,175 kg piperonylmethylketon glycidaat
-
1,210 kg Methyl3-oxo-2-phenylbutanoate (MAPA)
-
152 liter Benzylmethylketon (BMK)
-
150 kg caustic soda
-
230 kg wijnsteenzuur
-
235 liter methanol
-
210 liter aceton
-
4 x waterstof gascilinder waterstof gas, allen vol
-
1.680 liter zoutzuur
-
200 liter formamide
-
300 liter tolueen
-
100 liter methylamine
-
1.675 liter afval
-
1 drukreactievat, inhoud 120 liter
-
1 drukreactievat, inhoud 50 liter
-
1 destillatieketel, inhoud 50 liter
-
1 nieuwe ketel zonder deksel, inhoud 426 liter
-
3 centrifuges
-
2 verwarmingsmantels 20 liter
-
1 glazen rondbodemkolf met koelbuis
-
5 propaan gasflessen.
Door geen van de verdachten is betwist dat er in [plaats 1] een werkend laboratorium voor de productie van synthetische drugs (specifiek: metamfetamine) is aangetroffen. Het hof acht dit ook op grond van de bewijsmiddelen ook wettig en overtuigend bewezen.
Gelet hierop ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of, in welke mate en in welke fase (voorbereiding en/of productie), de verschillende verdachten betrokken zijn geweest bij dit drugslaboratorium.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
7.3.2.2 Plannen voor een laboratorium
Op 29 april 2020 stuurde [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] via EncroChat het navolgende bericht: “Het is een boerderij daar heb ik 6 x 20 feet containers laten in graven”. Uit tussen hen gevoerde gesprekken in de periode hiervoor en gesprekken die hierna plaatsvonden, leidt het hof af dat zij op zoek waren naar locaties voor in eerste instantie een sigarettenfabriek voor anderen, dat [medeverdachte 2] de boederij met de containers heeft gevonden en dat zij dan op het idee komen om in de containers zelf een laboratorium voor de productie van ‘ice’ of ‘keta’ te gaan beginnen. Vervolgens antwoordde [medeverdachte 4] op 30 april 2020 op de vraag van [medeverdachte 2] of hij er al uit was wat hij erin wil gaan doen: “Ja denk dat het slimmer is om de [medeverdachte 6] daar te zetten die ice maakt…” waarop [medeverdachte 2] reageerde: “ja dan denk ik ook dat het beter is om daar een ice ploeg neer te zetten en gas te geven.” [medeverdachte 4] stuurde vervolgens het bericht dat hij de volgende dag een afspraak had met Mexicanen en een Hollandse [medeverdachte 6] aan wie hij het gaat voorleggen en dat daarna een plan van aanpak kan worden gemaakt en begonnen kan worden.
Diezelfde dag stuurde [medeverdachte 4] een bericht aan [medeverdachte 5] met de vraag of hij ‘de troepen’ bij elkaar kon krijgen, omdat hij een plek had die hij kennelijk al had gezien omdat hij daar net vandaan kwam. Ze spraken af om op 1 mei 2020 om 10.00 uur bij elkaar te gaan zitten en [medeverdachte 4] gaf aan “ [medeverdachte 6] is er ook bij’. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat met ‘ [medeverdachte 6] ’ of ‘ [medeverdachte 6] ’ [medeverdachte 6] bedoeld werd. Uit baken- en telefoongegevens blijkt vervolgens dat [verdachte] en [medeverdachte 6] op 1 mei 2020 van 9.57 uur tot 11.07 uur in de omgeving van [locatie 2] waren. Hier was autobedrijf [bedrijf 1] gevestigd. Uit observaties blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 6] daar al eerder waren geweest, namelijk op 28 april 2020 en daar een ontmoeting hadden met twee personen, van wie er één is geïdentificeerd als [medeverdachte 5] . Uit het berichtenverkeer tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] leidt het hof af dat [medeverdachte 4] de vierde persoon is geweest en zij daar inderdaad een afspraak hadden met een [medeverdachte 6] (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) en een Zuid-Amerikaan (het hof begrijpt: [verdachte] ). Het hof acht verder op basis van het berichtenverkeer van 30 april 2020 tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] aannemelijk dat [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] elkaar op 1 mei 2020 opnieuw troffen bij [bedrijf 1] en daar gesproken hebben over het starten van een drugslaboratorium in de containers op de locatie die [medeverdachte 2] had gevonden.
Uit het berichtenverkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] volgt verder dat zij al in de maanden vóór die ontmoetingen – en in ieder geval vanaf 30 maart 2020 – onderling communiceerden over de productie van synthetische drugs, waarbij gesproken werd over de hardware (inclusief foto’s daarvan) en grondstoffen. In die gesprekken gaf [medeverdachte 6] aan dat hij alvast spullen bij elkaar aan het regelen was zodat hij weer klein kon beginnen. Waarop [verdachte] zei “We moeten nog ff zitten samen, we gaan sws geld verdienen” en – naar aanleiding van een bericht dat er in Friesland weer een groot lab was ontmanteld – dat ze ‘voorzichtiger en goed’ moesten samenwerken.
De bijeenkomst op 1 mei 2020 leek zijn vruchten te hebben afgeworpen. Op die dag stuurde [medeverdachte 4] vanaf 10.47 uur de volgende berichten aan [medeverdachte 2] : “het is rond”, “je zorgen zijn voorbij” en “ice keta” en in de avond om 22:32 uur “Container locatie is zoiezo een groenlicht. Alles word nu geregeld. [medeverdachte 6] brengt chemie en apaan en amlet locatie en brengen de b naar jou locatie”. Het hof merkt op dat dit de lijkt te gaan over de grondstoffen die nodig zijn voor de productie van metamfetamine. Vervolgens werd er gesproken over hoe er in de containers geproduceerd zou kunnen worden en hoe één en ander af te schermen was voor derden. [medeverdachte 4] stuurde aan het einde van dat gesprek: “na de draai doen we sky met ze 5 en dan groepchat”. Vanaf 4 mei 2020 vond er ook via EncroChat communicatie over de locatie met containers plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] waarin zij benoemden dat het de bedoeling was dat ‘ [medeverdachte 6] ’ ‘ice’ zou gaan maken. Tevens besprak [verdachte] met [medeverdachte 5] wat ‘ [medeverdachte 6] ’ nodig zou hebben en dat hij (hof: [medeverdachte 6] ) het beste op locatie kon komen kijken.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat verschillende personen, die zich allen bezig hielden met de (voorbereiding van de) productie van synthetische drugs, vanaf 29 april 2020 het plan opvatten om samen te gaan werken en op 1 mei de knoop doorhakten om in zeecontainers een laboratorium in te richten voor in ieder geval de productie van ‘ice’. Ice is een andere benaming voor Crystal Meth, kristallen van 100% zuivere metamfetamine. De groep bestond op dat moment uit [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] . Ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 6] is duidelijk dat zij al langer met elkaar samenwerkten en dat [verdachte] in het nieuwe samenwerkingsverband een coördinerende rol vervulde om ervoor te zorgen dat [medeverdachte 6] als [medeverdachte 6] zijn werk kon doen.
7.3.2.3 Uitvoeren van de plannen – voorbereidingsfase
Op 7 mei spraken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] over het ‘beginnen’, het gereedmaken van de locatie voor een laboratorium. [medeverdachte 4] meldde dat hij extra stroom had aangelegd, waarop hij een foto stuurde. De politie heeft bij de ontmanteling van het laboratorium vastgesteld dat de aansluiting op de foto dezelfde is als de aansluiting die in het laboratorium is aangetroffen.
[medeverdachte 4] had via EncroChat contact met [medeverdachte 2] over de inrichting van de locatie. Zo informeerde [medeverdachte 4] op vrijdag 8 mei 2020 [medeverdachte 2] dat hij op maandag (hof: 11 mei 2020) met [medeverdachte 6] zou gaan kijken hoe ze alles neer moesten zetten. Op zondag 10 mei 2020 herhaalde [medeverdachte 4] dat en vroeg hij aan [medeverdachte 2] wanneer zijn man (‘jou man’) aanpassingen zou gaan maken, omdat [medeverdachte 6] vroeg om een werkbank er in, omdat het anders slopend zou zijn voor zijn rug. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] tijdens het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank blijkt dat dat deze werkbank door hem is gemaakt. [medeverdachte 3] verklaarde voorts dat hij een klusbedrijf had, dat hij gevraagd was om een aantal timmerwerkzaamheden te doen op de locatie en dat hij steeds opdrachten kreeg van één man die hij ‘ [medeverdachte 2] ’ noemde. Het hof begrijpt hieruit dat [medeverdachte 3] was op de locatie, dat met ‘jou man’ in de het Encrochat-bericht op hem werd gedoeld en dat hij werd aangestuurd door [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 3] hem ook “ [medeverdachte 2] ” noemde.
Uit de EncroChat-berichten volgt dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] op maandag 11 mei 2020 om 10.30 uur in de buurt van ‘de locatie’ afspraken. Uit het berichtenverkeer blijkt dat de afspraak was gemaakt in verband met het inrichten van de locatie en dat [medeverdachte 4] afsprak met [medeverdachte 2] dat hij er ook bij zou zijn om alles door te kunnen nemen. Op basis van observaties en EncroChat-berichten kan het hof vaststellen dat zij op 11 mei 2020 rond het afgesproken tijdstip gezamenlijk op pad zijn geweest. Het observatieteam zag toen een auto met daarin [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en vermoedelijk [medeverdachte 2] die om 10.42 uur vertrok vanaf de carpoolplaats [locatie 3] en daar om 11.09 uur weer arriveerde. Later die middag meldde [medeverdachte 6] aan [verdachte] dat de locatie goed was. Deze communicatie bezien in combinatie met de waarnemingen leidt het hof af tot de conclusie dat [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] naar de locatie voor het drugslaboratorium in [plaats 1] waren geweest om de inrichting te bespreken.
Uit de EncroChat-berichten volgt verder dat er tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] volop gesproken werd over de voor de productie benodigde chemicaliën en hardware. Daarbij gaf [medeverdachte 6] vooral aan wat hij nodig had en bespraken de anderen hoe dat geregeld kon worden.
Uit gesprekken tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] blijkt voorts dat [medeverdachte 5] iemand kon regelen voor het transport van chemicaliën en hardware ten behoeve van het laboratorium. Deze persoon werd door [medeverdachte 5] in een EncroChat-gesprek op 21 mei 2020 zijn ‘vaste piloot’ genoemd en had volgens [medeverdachte 5] een koffiebedrijf en de bijnaam ‘ [medeverdachte 1] ’. Op 22 mei bespraken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] dat de piloot in de ochtend van 23 mei 2020 onder andere apaan moest gaan vervoeren. Uit onderzoek van de EncroChat-berichten is naar voren gekomen dat ‘ [medeverdachte 1] ’ de bijnaam was van [medeverdachte 1] . Met vaste piloot werd, zo begrijpt het hof, bedoeld dat hij de vaste chauffeur/vervoerder was. Dat [medeverdachte 1] de (vaste) piloot was en werd ingeschakeld om onder andere chemicaliën te vervoeren, wordt bevestigd door observaties kort na het gesprek tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Op 23 mei 2020 heeft de politie tijdens een observatie gezien dat [medeverdachte 1] met zijn bedrijfsbus naar Zevenbergen reed, dat hij zijn bus op een parkeerplaats overdroeg aan iemand die daar in een BMW arriveerde, zelf op het trottoir ging zitten wachten en elf minuten later zijn bus weer terug kreeg, waarna [medeverdachte 1] met zijn bus huiswaarts keerde. Uit de chatgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] en [verdachte] en [medeverdachte 5] leidt het hof af dat [medeverdachte 1] op dat moment apaan vervoerde, een precursor voor BMK, nodig voor de productie van metamfetamine .
Naast het vervoer werd [medeverdachte 1] ook ingeschakeld voor inkoop van goederen via zijn bedrijf zodat anderen zo min mogelijk in de spotlight kwamen te staan. Daarvoor hadden ze iemand nodig die niet aan het ‘hok’ kon worden gelinkt. Om die reden gingen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] op 2 juni 2020 naar de Hornbach om inkopen ten behoeve van het in te richten laboratorium te doen, zo blijkt uit een EncroChat-gesprek tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] en de observatie op 2 juni 2020 van de politie ter plaatse.
Op 10 juni 2020 bestelde [medeverdachte 1] chemicaliën op verzoek van [medeverdachte 4] en op 12 juni 2020 ging [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 4] ergens 50-literflessen ophalen, die qua beschrijving overeenkomen met de in het drugslaboratorium aangetroffen gasflessen.
Verder bestelde [medeverdachte 1] op 24 juni 2020 en op 1 juli 2020 warmtedekens voor een bedrag van in totaal ongeveer € 1.450,00, waarna [medeverdachte 5] op 3 juli 2020 via SkyECC berichtte dat de tweede deken ook binnen was. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 1] deze warmtedekens ten behoeve van het drugslaboratorium heeft aangeschaft.
Vanaf 29 mei 2020 kwam ook [medeverdachte 3] weer in beeld in relatie tot het laboratorium in [plaats 1] . Die avond belde hij naar [medeverdachte 7] , de eigenaar van het perceel waar de containers zich bevonden, met de boodschap dat “ [medeverdachte 2] ” zich zorgen maakte. Er moest daarom iets voor de ingang gezet worden of er moest zand voor gegooid worden, zodat de kinderen van [medeverdachte 7] het niet konden zien. Uit dat getapte telefoongesprek blijkt dat de containers er al sinds januari 2020 stonden, maar dat er maar niets mee gebeurde. [medeverdachte 3] zei daarop tegen [medeverdachte 7] dat “hij” (het hof begrijpt: een derde) er volop mee bezig was achter de schermen. Het hof leidt uit dit gesprek af dat:
-
[medeverdachte 3] , of zijn opdrachtgever, niet wilde dat er zicht was op de containers en
-
[medeverdachte 3] op de hoogte was van het feit dat er achter de schermen voorbereidingen werden getroffen.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat [medeverdachte 2] degene was die in mei 2020 [medeverdachte 3] via EncroChat opdrachten gaf met betrekking tot de productielocatie en het hof acht aannemelijk dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] bedoelde toen hij sprak over “hij” en “ [medeverdachte 2] ”. Op 8 juli 2020 vroeg [medeverdachte 6] in de SkyECC groepschat of de “ [medeverdachte 3] ” er morgenochtend 7 uur ook kon zijn. [medeverdachte 4] antwoordde daarop met de melding dat hij in het buitenland zat en alles via “ [medeverdachte 2] ” ging, “ [medeverdachte 2] stuurt [medeverdachte 3] aan”. Zoals hiervoor reeds is overwogen gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 2] deze [medeverdachte 2] was en volgt uit de overige bewijsmiddelen dat [medeverdachte 3] zijn opdrachten van [medeverdachte 2] kreeg. Het hof gaat er dan ook onverkort vanuit dat [medeverdachte 4] met “ [medeverdachte 2] ” [medeverdachte 2] bedoelde die “ [medeverdachte 3] ” of “ [medeverdachte 3] ” [medeverdachte 3] aanstuurde.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 3] meerdere malen belde met [medeverdachte 7] met boodschappen van ‘ [medeverdachte 2] ’, die vaak inhielden dat de locatie afgeschermd moest worden of dat er mensen naar de locatie kwamen en of het dan niet druk was op het terrein. Regelmatig vond er rond deze telefoontjes ook via zowel de telefoon als EncroChat contact plaats tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Ook hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 3] op [medeverdachte 2] doelde wanneer hij over ‘ [medeverdachte 2] ’ sprak en [medeverdachte 2] degene was die [medeverdachte 3] aanstuurde.
Uit EncroChat-berichten blijkt dat [medeverdachte 2] op 10 juni 2020 met [medeverdachte 4] besprak dat hij met de ‘timmerman’ had afgesproken dat het dichtgemaakt zou worden, voordat er begonnen kon worden. Dit correspondeert met een getapt telefoongesprek van die dag waaruit blijkt dat [medeverdachte 3] met [medeverdachte 7] belde met de vraag of de sleuven aan de zijkant met rijplaten dichtgelegd konden worden. Op 22 juni 2020 belde [medeverdachte 3] opnieuw met [medeverdachte 7] en zei hij dat hij bij de jongens moest komen en op zijn kloten had gehad omdat [medeverdachte 7] de sleuven niet had dichtgegooid. Ze hadden die dag willen beginnen, maar zouden dat niet eerder doen dan wanneer het zou zijn dichtgegooid.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte 3] werd ingeschakeld om de locatie voor productie in gereedheid te brengen. [medeverdachte 3] werd daarbij aangestuurd door [medeverdachte 2] en gaf diens opdrachten door aan [medeverdachte 7] . Deze opdrachten zagen met name op het afschermen van de laboratoriumlocatie, waaronder het in- en uitgraven van de toegang.
7.3.2.4 Uitvoeren van de plannen – inrichten van het laboratorium
Op 17 juni 2020 heeft de politie heimelijk een camera opgesteld met zicht op de oprit van het terrein waarop het laboratorium uiteindelijk werd aangetroffen. Op 29 juni 2020 was er ook een camera beschikbaar met beelden van de twee ingangen van het compartiment op het terrein waarin het laboratorium gevestigd was. Door de camerabeelden is beter zicht gekomen op de personen die het laboratorium bezochten.
Uit die camerabeelden blijkt dat op 3 juli 2020 door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] goederen het laboratorium ingedragen werden, waaronder jerrycans, gasflessen en koolstoffilters. Voordat deze goederen naar binnen konden worden gebracht, maakte [medeverdachte 7] met een graafmachine de ingang vrij. Na afloop werd door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] een golfplaat voor de ingang geplaatst, waarna [medeverdachte 7] de ingang aan het zicht onttrok door er grond voor te storten.
In de periode tussen 3 en 8 juli 2020 werden via SkyECC berichten gedeeld in de groepschat (waar [medeverdachte 2] op dat moment nog geen deel van leek uit te maken) tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en ene ‘ [betrokkene 1] ’. Zij communiceerden over de timing van het plaatsen, weghalen en opnieuw plaatsen van materiaal zoals het glaswerk, pompen en de ketel, het alvast starten met draaien van apaan, het smeltproces en de spullen die [medeverdachte 6] nodig had. [medeverdachte 6] was echter nog niet tevreden over de locatie waarin hij moest gaan werken onder andere omdat er geen container was geplaatst tegen de inkijk en er geen stroom was. [medeverdachte 6] vroeg vervolgens of [medeverdachte 3] kon komen. Daarop gaf [medeverdachte 4] aan dat hijzelf in het buitenland zat, dat ‘ [medeverdachte 2] ’ ( [medeverdachte 2] ) [medeverdachte 3] aanstuurde, maar dat hij aan ‘ [medeverdachte 2] ” ( [medeverdachte 2] ) zou melden dat de containers prioriteit hadden. Hieruit blijkt dat [medeverdachte 4] via SkyECC vanuit het buitenland opdrachten gaf en reageerde op de wensen van [medeverdachte 6] . Zoals hiervoor reeds is besproken werd ‘ [medeverdachte 2] ’, door het hof geïdentificeerd als [medeverdachte 2] , op 14 juli 2020 toegevoegd aan de SkyECC-groepschat.
7.3.2.5 Opstarten productie
Uit de camerabeelden blijkt dat in de vroege ochtend van 7 juli 2020 [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] over een bult grond heen de laboratoriumlocatie in gingen en er ongeveer anderhalf uur later weer uitkwamen. Die ochtend stuurde [medeverdachte 5] in de SkyECC-groepschat het bericht: “nou Vol gas boys”. Op 8 juli 2020 ging [medeverdachte 6] alleen het laboratorium in omdat [medeverdachte 3] een afspraak had, zo blijkt uit de berichten van [medeverdachte 6] in de SkyECC-groepschat. [verdachte] had daarnaast nog iemand geregeld om in het lab te komen werken. Dat volgt uit een tapgesprek waarin [verdachte] op 8 juli 2020 opdracht gaf aan [medeverdachte 8] (hof: [medeverdachte 8]) dat hij op 9 juli 2020 in de ochtend moest werken en daarvoor door [verdachte] opgehaald zou worden, om 6.00 uur stipt. Iets later die avond belde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 7] met de mededeling dat hij er morgen om zeven uur met “die man” zou zijn en met de vraag of [medeverdachte 7] dan even de stroom wilde laten zien. Op de camerabeelden is te zien dat op 9 juli 2020 rond half acht in de ochtend [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] het laboratorium in gingen. Later die dag meldde [medeverdachte 6] in de SkyECC-groepschat dat de volgende dag de stroom er om 9.00 uur af moest, of iemand dat door kon geven aan [medeverdachte 7] (het hof begrijpt: [medeverdachte 7]). Niet veel later belde [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] met die boodschap, waarop [medeverdachte 3] [medeverdachte 7] weer belde. Zoals hiervoor reeds is geconcludeerd draagt juist dit telefoontje van [medeverdachte 2] bij aan diens identificatie, dat hij [medeverdachte 2] was en ‘ [medeverdachte 2] ’ en dat hij gebruik maakte van het eerder besproken SkyECC-account [accountnaam 12] .
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat vanaf 7 juli 2020 de [medeverdachte 6] het laboratorium in gereedheid bracht voor de daadwerkelijke productie en mogelijk ook de eerste verrichtingen in het productieproces. Hij werd hierbij ter plaatse ondersteund door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] , die hem uiteindelijk bij het productieproces ook zouden helpen. Uit de camerabeelden blijkt dat in de periode tussen 7 en 9 juli 2020 [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] vrijwel dagelijks het laboratorium in gingen. In de SkyECC-appgroep werd tegelijkertijd druk gecommuniceerd tussen [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] over de lopende zaken rondom het laboratorium zoals de spullen die nodig waren, het af- een aansluiten van de stroom, de afzuiging die niet goed stond en het grind dat voor het gat gestort moest worden zodat [medeverdachte 6] niet gezien werd door de buren. Uit de berichten van 13 juli 2020 volgt verder dat [medeverdachte 6] al even bezig was met de eerste fase van het productieproces. Er bleek maar 200 liter zoutzuur gestaan te hebben en daar was hij al doorheen. Hierop sprak [verdachte] [medeverdachte 6] erop aan dat hij dit eerder had moeten aangeven en dat hij moest gaan “Knallen” en “Smelten smelten” en dat iedereen op hem rekende. Vervolgens stemden [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] met elkaar af dat er extra zoutzuur moest komen. [medeverdachte 4] kon het leveren, alleen voor een hoge prijs. Het laboratorium functioneerde verder nog niet naar behoren. [medeverdachte 6] klaagde op 14 juli wederom dat er onvoldoende afzuiging was, hij schreef “ga kapot daar”, dat er een wasbak moest komen en dat hij nog diverse spullen nodig had. [verdachte] greep toen in en zei dat de keuken werkend geleverd moest worden. Hij zou met de [medeverdachte 6] (hof: [medeverdachte 6]) gaan bespreken wat er nog precies geregeld moest worden zodat er duidelijkheid was voor iedereen. Dan konden ze snel schakelen en de spullen gaan brengen. Ook [verdachte] zou spullen meenemen die nog bij hem in de loods stonden. Op die dag werd ook [medeverdachte 2] (als [medeverdachte 2] ) aan de groepsapp in SkyECC toegevoegd waarna onderling werd afgestemd welke werkzaamheden klaar waren en wat er nog moest gebeuren. Zo werd in de dagen tussen 15 en 18 juli gesproken over het in orde maken van de afzuiger, het plaatsen van een plaat voor de deur, het ophalen van koel- en vrieskasten en een centrifuge, het plaatsen van een tweede afzuiger in de achterste container, het maken van een droogtafel, een werkbank en een schouw en zout dat moest worden opgehaald. Voor zowel het ophalen van de spullen en het zout als de kluswerkzaamheden werd afgesproken dat [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3]) hiervoor zou worden ingeschakeld en dat hij het werk zou afstemmen met [medeverdachte 6] (hof: [medeverdachte 6]). Uit de camerabeelden blijkt vervolgens dat [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] ook in de periode vanaf 13 juli tot en met 22 juli vrijwel dagelijks het laboratorium in- en uit gingen. Voorts blijkt uit de beelden dat op 16 en 17 juli 2020 de voor het productieproces benodigde goederen het laboratorium binnengebracht werden. Zo brachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] op 16 juli 2020 een centrifuge, dozen en een koelkast met vriesvak naar binnen. Op 17 juli 2020 waren het [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] die een centrifuge, een ketel en andere voorwerpen naar binnen brachten. Uit de SkyECC-groepschat volgt dat na het afmaken van de werkbank en de schouw door [medeverdachte 3] op 18 juli 2020, het laboratorium op maandag 20 juli 2020 klaar moest zijn om echt aan het werk te gaan.
7.3.2.6 Productie
Uit de SkyECC-groepschat blijkt dat [medeverdachte 6] vanaf 20 juli 2020 bezig was met de volgende fase van het productieproces. Hoewel niet alles vlekkeloos verliep omdat nog steeds niet alle materialen aanwezig waren, meldde hij op 23 juli 2020 dat het lekker ging, dat het heerlijk werkte. Vanaf dat moment werd er daadwerkelijk ‘gedraaid’. Uit de camerabeelden blijkt dat [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] op 20 juli 2020 meerdere uren in het laboratorium aanwezig waren. Op 22 juli 2020 waren zij er eveneens en op 23 juli 2020 waren [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] vrijwel de gehele dag in het laboratorium. Dit beeld herhaalde zich tot donderdag 6 augustus 2020, de actiedag waarop het laboratorium werd aangetroffen en ontmanteld.
[medeverdachte 5] vroeg op 2 augustus 2020 via de groepschat op SkyECC wanneer de eerste batch klaar zou zijn, want hij had een klant met cash die stond te wachten. Volgens [medeverdachte 4] zou het vijf dagen duren zodra het in de aceton zat. [verdachte] dacht nog twee dagen, als [medeverdachte 6] zijn best zou doen. Op dinsdag 4 augustus 2020 berichtte [medeverdachte 2] dat het naar verwachting donderdag klaar zou zijn, waarop [medeverdachte 6] schreef dat het vrijdagochtend zou worden, omdat hij niet verder kon vanwege het feit dat de rook in het laboratorium bleef staan. Uiteindelijk trof de politie op 6 augustus 4,2 kilogram metamfetamine-kristallen aan, een groot aantal liters vloeistoffen met metamfetamine, 20,3 kg metamfetaminetartraat en 3,6 liter metamfetamine-olie in een RVS reactievat.
7.3.2.7 Rol van de verdachte
De verdachte verklaarde ter terechtzitting in hoger beroep dat hij weliswaar bij de start van het laboratorium betrokken was, maar dat hij geen leidinggevende rol had, waarbij hij wel op de hoogte zou blijven, maar niet wist hoe het proces werkte of wat daar voor nodig was en hij was nog nooit op de locatie geweest. Daarbij ging de verdachte – zo heeft hij verklaard – ervan uit dat er ketamine zou worden geproduceerd en geen metamfetamine.
Het hof stelt vast dat [verdachte] een actieve rol had en samen met vier anderen ( [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] ) op 1 mei 2020 de knoop heeft doorgehakt om een drugslaboratorium in [plaats 1] te starten en daar vervolgens tot en met het daadwerkelijke productieproces nauw bij betrokken is geweest. Hoewel ieder lid van deze groep zijn eigen rol of taak had, beschouwt het hof hen als gelijkwaardige partners met een vergelijkbare en onmisbare inbreng. [verdachte] bracht de [medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) en een hulp ( [medeverdachte 8] ) in, was betrokken bij de aanschaf van chemicaliën en andere benodigde zaken, stuurde bij in het bouwproces van het laboratorium op de momenten dat het nodig was, activeerde de [medeverdachte 6] om aan de slag te gaan en besliste mee over vervolgstappen. Voorts werd in de aanvang al met [verdachte] gesproken over het maken van ‘ice’ en is hij betrokken bij de inkoop van apaan waarmee ice of metamfetamine gemaakt kan worden. De verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat het om de productie van metamfetamine ging schuift het hof dan ook als niet aannemelijk terzijde.
Resumé
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er door de oorspronkelijke groep van vijf personen zeer nauw werd samengewerkt om het laboratorium in te richten en draaiend te krijgen. [verdachte] leverde hieraan welbewust een belangrijke bijdrage. Dat hij persoonlijk niet alle handelingen heeft verricht die nodig waren om het laboratorium werkend te krijgen en dat hij zelf ook niet in het laboratorium heeft gestaan om synthetische drugs te produceren betekent niet dat hij daarvoor niet verantwoordelijk te houden is. Vanaf het begin was het doel van [verdachte] en zijn mededaders om synthetische drugs te produceren en met elkaar hebben zij alles wat nodig was in het werk gesteld om dat te realiseren.
Het hof acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5 (Koeltrailer in de loods aan [adres 2] )
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 5 impliciet primair tenlastegelegde (voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet) en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 5 impliciet subsidiair tenlastegelegde (voorbereidingshandelingen ex artikel 11a van de Opiumwet). Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd, inhoudende dat de (verborgen ruimte in de) koeltrailer was bestemd voor het transport van softdrugs, meer in het bijzonder: wiet. Het gesprek dat hij met zijn broer heeft gevoerd op 19 november 2020 is slecht (en mogelijk onjuist) uit het Spaans vertaald, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Oordeel hof
7.4.2.1 Aanschaf koeltrailer en inbouwen verborgen ruimte en GPS-tracker
Uit het procesdossier komt ten aanzien van deze verdenking het volgende naar voren. [medeverdachte 9] heeft op 19 november 2020 om 13.37 uur een uittreksel van de Kamer van Koophandel van het bedrijf [bedrijf 2] naar [verdachte] gestuurd, waarop [verdachte] een visitekaartje van een medewerker van het bedrijf [bedrijf 3] in Duitsland aan [medeverdachte 9] heeft teruggestuurd en daarbij vermeldde: ‘Kvk en paspoort moet naar dat bedrijf toe gestuurd worden maatje’ en ‘Het beste is dat je contact maakt met ze, daar staat telefoon nummer en gegevens’.
Op diezelfde dag om 13.50 uur heeft de politie de Honda Insight van [verdachte] en de Mini Cooper van [medeverdachte 9] geparkeerd zien staan aan [adres 2] .
Na zo’n 25 minuten zijn de broers [verdachte] in de Honda van [verdachte] vertrokken. In de auto vertelde [verdachte] aan zijn broer dat hij met een of meer anderen in Duitsland een koeltrailer had en daar ongeveer € 40.000,00 in geïnvesteerd had. Een ander had tegen hem gezegd dat dat een ‘goudmijntje’ is omdat je dan je eigen transport hebt en overal naartoe kan – naar heel Europa. [verdachte] liet weten dat in de aangeschafte koeltrailer een ‘caleta’ (verborgen plek) zou worden ingebouwd van puur staal. Na een vraag van zijn broer ‘voor hoeveel’ die verborgen ruimte bedoeld was antwoordde [verdachte] “Tweehonderd of driehonderd kunnen daarin. Maar zij vervoeren alleen marihuana begrijp je. Dat kopen ze bijvoorbeeld in Spanje en ze vervoeren het naar Berlijn.” Ook vertelde hij hierbij dat ‘ze’ daar op die wijze al € 350.000,00 aan hadden overgehouden.
Op 21 november 2020 heeft [medeverdachte 9] het visitekaartje van het bedrijf [bedrijf 3] doorgestuurd aan [medeverdachte 10] , met de tekst: ‘Hier staat ie’. Uit verder contact tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] volgt dat [medeverdachte 10] de koeltrailer op 24 november 2020 in Duitsland heeft opgehaald en [medeverdachte 10] hiervoor namens [bedrijf 2] tekende. Uit de contacten volgt voorts dat de koeltrailer naar [plaats 2] moest worden gebracht. Tijdens een inkijkoperatie door de politie op 24 december 2020 is vastgesteld dat dit ook is gebeurd aangezien de koeltrailer in de loods aan [adres 2] is aangetroffen.
Op 25 november 2020, 2 december 2020 en 20 januari 2021 is [verdachte] door de politie nabij dan wel in de loods aan [adres 2] gezien.
Op 16 februari 2021 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de loods aan [adres 2] . De politie heeft daarbij een koeltrailer aangetroffen met de opdruk ‘ [bedrijf 3] ’. Er bleek een GPS-tracker in de koeltrailer te zijn geplaatst en een verborgen ruimte in de koeltrailer te zijn ingebouwd. Daarbij werd tevens vastgesteld dat er geen enkele gebruikssporen aanwezig waren bij deze trailer. De verf was ‘smetteloos’ en er was sprake van ‘klodders’ vet, iets waarvan – ware deze koeltrailer al aangekoppeld geweest – geen sprake zou zijn geweest. Het hof leidt hieruit af dat de verborgen ruimte in de loods moet zijn ingebouwd na aankomst in de loods en de koeltrailer sinds het inbouwen nog niet was. De verborgen ruimte had een afmeting van ongeveer 240 cm lang, 110 cm breed en 14,5 cm hoog.
7.4.2.2 Bestemming verborgen ruimte
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze ruimte bestemd was om harddrugs of softdrugs (wiet) te vervoeren.
Het hof is van oordeel dat de verborgen ruimte bestemd was om harddrugs te vervoeren en komt primair tot deze conclusie op basis van het gesprek tussen [verdachte] en zijn broer op 19 november 2020. Uit dat gesprek leidt het hof af dat [verdachte] zei dat een eigen transport een ‘goudmijntje’ is omdat je daarmee overal naartoe kunt. Op de vraag van zijn broer ‘voor hoeveel’ de verborgen ruimte bestemd was antwoordde [verdachte] ‘tweehonderd of driehonderd’, direct gevolgd door ‘maar zij vervoeren alleen marihuana’. Daaruit maakt het hof op dat [verdachte] van plan was om juist iets anders te vervoeren. Die uitleg vind steun in de daaropvolgende zinnen, waarin hij spreekt over ‘ze’, terwijl hij de koeltrailer nu juist heeft aangeschaft voor een ‘eigen’ transport. Dat dit gesprek slecht en mogelijk zelfs onjuist zou zijn vertaald, is door de verdediging weliswaar gesteld maar daarvoor is overigens op geen enkele wijze een aanknopingspunt gegeven.
Het hof ziet zich verder gesterkt in die conclusie door het feit dat de verborgen ruimte beperkt van omvang was, waardoor deze niet geschikt is voor het vervoer van 200 of 300 kilo, of in elk geval grote partijen, wiet die gelet op het volume daarvan onmogelijk in de verborgen ruimte zouden passen. Daar komt bij dat het dossier (hoewel omvangrijk) geen aanknopingspunten bevat voor de teelt van, handel in of het vervoer van softdrugs (wiet). [verdachte] wordt bovendien in aanpalende onderzoeken (Hammond I en Hammond III) in verband gebracht met of (naast de onderhavige zaak ook in Hammond III) beschuldigd van Opiumwetdelicten in relatie tot slechts synthetische drugs en cocaïne.
Resumé
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 9] beiden een rol als medepleger hebben gehad bij het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet ten behoeve van het transporteren van verboden middelen.
Feit 6 te [plaats 3] (voorbereidingshandelingen) en feit 7 te [plaats 3] (opzettelijk aanwezig hebben metamfetamine en MDMA)
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 6 en 7 (met betrekking tot aangetroffen voorwerpen en stoffen in [plaats 3] ) zal vrijspreken. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte weliswaar enkele jerrycans met aceton heeft gestald bij [medeverdachte 11] in [plaats 3] , maar dat dit onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van strafbare voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet. De in de koelbox aangetroffen drugs waren van [medeverdachte 11] , aldus de verdediging.
Oordeel hof
[verdachte] heeft op 16 oktober 2020 acht jerrycans van 25 liter met aceton besteld. Deze jerrycans zijn op 22 oktober 2020 door [verdachte] in ontvangst genomen, waarna hij deze heeft opgeslagen in zijn loods aan de [adres 5] in [plaats 5] . Op 29 oktober 2020 heeft [verdachte] samen met twee Colombianen, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , de jerrycans met aceton verplaatst naar een garagebox in [plaats 3] . Die garagebox mocht hij van [medeverdachte 11] , een kennis van [verdachte] , gebruiken om de jerrycans op te kunnen slaan. Uit de doorzoeking van de auto van [verdachte] is gebleken dat hij de beschikking had over de sleutels van deze garagebox. Na 29 oktober 2020 is [verdachte] nog vier keer bij de garagebox geweest. In ieder geval is hij tweemaal bij de garagebox geweest om jerrycans met aceton op te halen.
Tijdens de actiedag op 16 februari 2021 trof de politie in de garagebox onder meer aan: zes jerrycans van 25 liter met aceton, twee jerrycans van 30 liter met een olieachtige vloeistof met de geur van tolueen welke vloeistof positief testte op metamfetamine (kleurentest), een jerrycan met 10 liter fosforzuur, een jerrycan met 4 liter BMK, twee ventilatorkasten, twee maatbekers en een trechter. Ook vond de politie in de garagebox een koelbox met daarin een zwarte etui met daarin onder meer metamfetamine-kristallen en MDMA.
[verdachte] blijkt verder al op 5 oktober 2020 met [medeverdachte 11] contact te hebben gehad per Whatsapp. In dat gesprek gaat het over de koelbox in de garage die de vrouw van [medeverdachte 11] uit de garage zou hebben gehaald, waarna [medeverdachte 11] had moeten lullen als Brugman. De inhoud van het gesprek wekt sterk de indruk dat [medeverdachte 11] op zijn vrouw had moeten inpraten omdat er verboden zaken in de koelbox zouden zitten, wat door [medeverdachte 11] bij de politie werd bevestigd. Zijn vrouw was witheet, aldus [medeverdachte 11] . Daarmee geconfronteerd ter zitting in eerste aanleg, heeft [verdachte] verklaard dat hij op het moment van die chatberichten wel wist wat er in de koelbox zat.
[medeverdachte 11] heeft bij de politie verklaard dat hij aan [verdachte] een sleutel van de garagebox heeft gegeven. Hij wist dat de door de politie aangetroffen jerrycans en verdovende middelen in de garagebox stonden, maar deze goederen zouden niet van hem zijn. De verdovende middelen zouden van [verdachte] zijn.
Uit al deze feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 11] al vanaf begin oktober 2020 contact hadden en wisten dat er verdovende middelen werden bewaard in de koelbox. [verdachte] had toegang tot de garagebox gekregen, had daar jerrycans met aceton neergezet en was meerdere keren binnen geweest. Gelet hierop en de betrokkenheid van [verdachte] bij (onder meer) het laboratorium in [plaats 1] en de – hierna nog te bespreken – criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwet-feiten, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat [verdachte] wetenschap had van de aanwezigheid van de in de garagebox aangetroffen goederen (waaronder ook de verdovende middelen) en dat hij wist dat de jerrycans met aceton, tolueen, fosforzuur en BMK bestemd zijn voor de productie van synthetische drugs. Ook kon [verdachte] over al deze goederen beschikken, al dan niet samen met anderen aangezien hij over de sleutel beschikte van de garagebox.
Getuige [medeverdachte 11] is in hoger beroep gehoord bij de raadsheer-commissaris. Uit het proces-verbaal van zijn verhoor blijkt dat hij blijft bij zijn eerder als getuige afgelegde verklaring. Hij heeft verder verklaard dat hij op enig moment wist dat er drugs in de koelbox zaten, dat de spullen in de garagebox niet van hem waren en dat hij niet weet wie er in zijn garagebox geweest zijn maar dat alleen [verdachte] de sleutel had.
Onder verwijzing naar voormelde juridische kaders is voor een bewezenverklaring van respectievelijk het ‘voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen’ en het ‘opzettelijk aanwezig hebben’ telkens vereist dat de verdachte opzet (al dan niet voorwaardelijk) heeft en dat de verdachte de feitelijke macht over de voorwerpen/stoffen/verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Deze hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Evenmin is voor een bewezenverklaring vereist dat kan worden vastgesteld dat die voorwerpen/stoffen/verdovende middelen aan de verdachte toebehoren.
Resumé
Het hof komt gelet op het vorenstaande dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 6 en 7 (met betrekking tot [plaats 3] ) tenlastegelegde. Daarbij beziet het hof dit feit nadrukkelijk tegen de achtergrond van de overige feiten, waarbij niet lang ervoor het drugslaboratorium in [plaats 1] was opgerold en er weer snel geld moest worden verdiend, zo blijkt uit de berichten die daarna zijn verstuurd.
Feit 7 te [plaats 4] (opzettelijk aanwezig hebben metamfetamine, cocaïne en MDMA)
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft dit feit.
Oordeel hof
Het hof verenigt zich ten aanzien van dit feit met de bewijsvoering van de rechtbank als weergegeven in het vonnis op pagina 18 en waarbij is volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen in de voetnoten 135 tot en met 138. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in dit verband juist en voldoende gemotiveerd beslist.
Het hof vult daarbij de gronden aan met de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, van welke verklaring de inhoud – net als van de bewijsmiddelen van de rechtbank – niet zal worden uitgewerkt gelet op het in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde.
Feit 8 (Deelneming aan een criminele organisatie ex art. 11b van de Opiumwet)
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachtes deelneming aan een criminele organisatie wettig en overtuigend bewezen kan achten, in het bijzonder voor zover betrekking hebbend op de feiten in [plaats 1] en [plaats 2] (het hof begrijpt: aan de [locatie 1] ) maar dat – zo begrijpt het hof – verdachtes bijdrage aan de criminele organisatie niet als significant strafwaardiger moet worden beschouwd dan de bijdragen daaraan van medeverdachten. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
De verdachte vervulde een meer organisatorische rol en hield zich bezig met het op afstand aansturen van anderen, die op hun beurt juist een meer uitvoerende rol vervulden. Niettemin vervulde uiteindelijk iedereen een noodzakelijke rol om uitvoering te kunnen geven aan de plannen van de organisatie, hetgeen maakt dat eenieders bijdrage van even groot belang is geweest, aldus de verdediging.
Oordeel hof
7.7.2.1 Inleiding
Uit de bewezenverklaarde feiten zoals hiervoor weergegeven volgt dat [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in wisselende samenstellingen, bezig zijn geweest met het voorbereiden en plannen dan wel uitvoeren van Opiumwetdelicten voor het metamfetaminelaboratorium in [plaats 1] . Op een later moment kwam ook [medeverdachte 9] in beeld.
Het hof acht de bewijsmiddelen die voor de overige feiten zijn gebruikt, tevens redengevend voor de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie. In aanvulling daarop zullen de hierna te melden bewijsmiddelen worden gebruikt.
Het hof overweegt als volgt en ziet zich – indachtig voormeld juridisch kader – voor de volgende vragen gesteld:
-
organisatie: is sprake van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon?
-
oogmerk: heeft deze organisatie het oogmerk tot het plegen van misdrijven?
-
deelneming:
o heeft de verdachte een aandeel gehad in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteund, die strekken tot (of rechtstreeks verband houden met) de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie en
o zo ja, gedurende welke periode?
7.7.2.2 De feiten
7.7.2.2 Vanaf 30 maart 2020 ( [verdachte] en [medeverdachte 6] )
Vanaf 30 maart 2020 stuurden [verdachte] en [medeverdachte 6] over en weer berichten via EncroChat die betrekking hadden op de productie van synthetische drugs en het verdienen van geld daarmee. Daarbij werden foto’s gestuurd van hardware. Niet lang daarna noemde [medeverdachte 6] dat er een groot lab in Friesland was ontmanteld, waarop [verdachte] antwoordde dat hij en [medeverdachte 6] voorzichtiger en goed moesten samenwerken. In een bericht in de SkyECC-groepschat van 7 augustus 2020 vermelddee [verdachte] dat hij al 15 jaar met [medeverdachte 6] ‘draait’.
7.7.2.2.2 Vanaf 4 april 2020 ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] )
Vrijwel gelijktijdig vanaf 4 april 2020 stuurden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] over en weer berichten naar elkaar die overduidelijk betrekking hadden op de productie van synthetische drugs, het inrichten van nieuwe locaties en het opstarten van samenwerking met anderen. [medeverdachte 4] gaf daarbij aan dat de ketels en chemie er al waren en dat [medeverdachte 2] de locatie en de apaan regelde. [medeverdachte 4] had hoge verwachtingen en schreef “Hoop op een mooie samenwerking, wij zijn open en eerlijk en delen in mooie projecten. Dan kunnen wij samen grote markt pakken met ice en ketamine”. De berichten hierna gaan over en weer over ketamine, ice, zuiver product, potentiële locaties bij afgelegen boerderijen, ingraven, en ‘draaien ’.
7.7.2.2.3 Vanaf 29 april 2020 (aanvulling met ‘de troepen’)
Op 29 april 2020 stuurde [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] het bericht dat hij een boerderij wist waar hij zes containers had laten ingraven. Daarna kwamen beiden op het idee om daar een [medeverdachte 6] in te zetten die daar ice kon gaan maken. [medeverdachte 4] had toen al een afspraak staan met Mexicanen en een Nederlandse [medeverdachte 6] waar hij het idee voor ging leggen zodat daarna een plan van aanpak kon worden gemaakt en begonnen kon worden. Diezelfde dag was door [medeverdachte 4] een bericht aan [medeverdachte 5] gestuurd met de vraag of hij ‘de troepen’ bij elkaar kon krijgen, omdat hij een plek had. Ze spraken af om op 1 mei 2020 om 10.00 uur bij elkaar te gaan zitten en [medeverdachte 4] gaf daarbij aan “ [medeverdachte 6] is er ook bij’. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen kan op basis van het onderzoek worden vastgesteld dat er op 1 mei 2020 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] over het starten van een drugslaboratorium in de locatie die [medeverdachte 2] had gevonden, te weten [plaats 1] , en dat tijdens die bespreking de knoop is doorgehakt. Op 1 mei 2020 vanaf 10.47 uur stuurde [medeverdachte 4] de volgende berichten aan [medeverdachte 2] : “het is rond”, “je zorgen zijn voorbij” en “ice keta”. Daarna begonnen de gezamenlijke voorbereidingen voor het drugslaboratorium in [plaats 1] dat uiteindelijk vanaf de tweede helft juni 2020 is gaan draaien tot aan de aan de dag waarop het laboratorium is aangetroffen en ontmanteld door de politie (6 augustus 2020). Uit de reeds besproken bewijsmiddelen volgt dat gedurende dat proces de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] werden betrokken om hulp te verlenen bij de inrichting van het laboratorium, het vervoer en de aankoop van voorwerpen en stoffen en/of de productie van metamfetamine.
7.7.2.2.4 Vanaf 6 augustus 2020 (geld verdienen)
Na ontdekking van het drugslaboratorium in [plaats 1] , werd in één van de SkyECC-groepschats gesproken over met spoed geld verdienen om te kunnen zorgen voor de drie ‘jongens’ die na de inval in [plaats 1] vastzaten. Vervolgens werd besproken hoe zij de werkzaamheden met betrekking tot synthetische drugs konden herstarten met een nieuwe [medeverdachte 6] en tegelijkertijd op zoek konden gaan naar een nieuwe locatie. In de laatste groepschat vanaf 19 augustus 2020 is te lezen dat [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] actief waren in deze chat en dat de deelnemers aan deze groepschat door [medeverdachte 5] werden omschreven als ‘de regelaars’. Leden van de groep deelden voor het organiseren en uitvoeren van alle werkzaamheden vele honderden berichten met elkaar via de cryptocommunicatiediensten EncroChat en SkyECC .
7.7.2.2.5 Vanaf 19 november 2020 (eigen transport)
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof tot slot af dat [verdachte] in het najaar van 2020 nauw heeft samengewerkt met [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] bij het inbouwen van een verborgen ruimte in een koeltrailer waarin was geïnvesteerd. Het was de bedoeling dat deze koeltrailer zou worden gebruikt voor het ‘eigen’ vervoer van harddrugs. Hierbij is ten aanzien van [medeverdachte 5] gebleken dat hij in ieder geval betrokken was bij het inbouwen van een tracker in de koeltrailer. Zoals reeds is overwogen moet [medeverdachte 9] ook weet hebben gehad van de plannen om met de koeltrailer harddrugs te gaan vervoeren en heeft hij aldus ook opzet gehad op het met dit doel plegen van strafbare feiten. Daarbij sprak [verdachte] bovendien van het met anderen organiseren van eigen transport. Gelet op de kernrol die [verdachte] in de organisatie vervulde ziet het hof dit dan ook niet los van de productie van synthetische drugs maar als een uitbreiding van de ‘onderneming’ die hij runde met plannen om veel vaker zelf te vervoeren. [verdachte] wilde immers met anderen een eigen transport regelen, waaraan inherent lijkt dat daarmee ook ‘eigen’ harddrugs zouden worden vervoerd. Het eerste gesprek daarover dateert van 19 november 2020 en uiteindelijk werden de GPS-tracker en verborgen ruimte in de weken die daarop volgden in de koeltrailer ingebouwd.
7.7.2.3 Organisatie
Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof zonder meer dat sprake was van een organisatie, begonnen met [verdachte] en [medeverdachte 6] , die op hun beurt al vijftien jaar ‘draaiden’, en welke is uitgegroeid tot een organisatie bestaande uit [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , en waarbij ook [medeverdachte 9] is aangesloten.
Gelet op voormelde rolverdeling en de planmatigheid en stelselmatigheid waarmee de activiteiten werden verricht was naar het oordeel van het hof sprake van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en zijn medeverdachten. De samenwerking van de verdachten merkt het hof dan ook aan als een organisatie. Dat geldt ook voor de organisatie tussen [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] , temeer nu het hof het investeren in de koeltrailer als een ruimer doel beschouwt dan slechts de voorbereiding van één of meer strafbare feiten.
7.7.2.4 Oogmerk
Op grond van het voorgaande als beschreven bij de feiten stelt het hof voorts vast dat deze organisatie het plegen van strafbare feiten – waaronder het produceren van synthetische drugs en de voorbereiding daarvan – tot oogmerk had, maar ook de voorbereiding van het vervoer dan wel in- of uitvoer van dergelijke drugs.
7.7.2.5 Deelneming
7.7.2.5 Rollen binnen de organisatie
[verdachte] was één van de organisatoren. Hij is vanaf het begin bij de planvorming voor het laboratorium in [plaats 1] betrokken geweest. Hij bracht [medeverdachte 6] in en regelde chemicaliën. [verdachte] was één van de investeerders van dit laboratorium. Voorts was [verdachte] betrokken bij het bedenken van plannen om met de groep op andere wijze geld te verdienen met synthetische drugs nadat de medeverdachten waren aangehouden en vastzaten om hen financieel te kunnen ondersteunen.
[verdachte] was ook organisator van de bezigheden in [plaats 2] , betrokken bij voorbereidingshandelingen in [plaats 3] en had synthetische drugs in [plaats 4] aanwezig. Verder heeft hij de koeltrailer in Duitsland geregeld, die hij vervolgens via [medeverdachte 9] liet afhalen en opslaan in [plaats 2] .
[medeverdachte 2] was ook één van de organisatoren van het laboratorium in [plaats 1] . [medeverdachte 2] regelde de locatie van het laboratorium in [plaats 1] , had het contact met de eigenaar van het perceel en regelde een [medeverdachte 3] : [medeverdachte 3] . Nadat het laboratorium in [plaats 1] is opgerold nam [medeverdachte 2] nog deel aan SkyECC-chats waarin nieuwe plannen werden besproken voor een doorstart van de organisatie.
[medeverdachte 4] was ook één van de organisatoren. Hij was van begin af aan betrokken bij de plannen voor en voorbereiding van het laboratorium in [plaats 1] en betrokken bij het regelen van de chemicaliën. Ook na [plaats 1] was [medeverdachte 4] in de SkyECC-groepschat betrokken bij het bedenken van plannen om met de groep op andere wijze geld te verdienen met synthetische drugs.
[medeverdachte 5] stond [medeverdachte 4] terzijde, deed mee aan planvorming, bracht een chauffeur in en droeg bij aan de logistiek, was zelf ook bij het laboratorium in [plaats 1] aanwezig als er goederen naartoe gebracht moesten worden en zorgde er mede voor dat alle benodigdheden in het laboratorium aanwezig waren. [medeverdachte 5] had ook al een klant klaar staan om het eerste eindproduct af te nemen. Voorts was ook [medeverdachte 5] betrokken bij het bedenken van plannen om met de groep op andere wijze geld te verdienen met synthetische drugs.
Vervolgens is hij ook meermalen bij de loods van de koeltrailer in [plaats 2] gesignaleerd en heeft hij [medeverdachte 9] hulp geboden bij het inbouwen van een GPS-tracker in de koeltrailer.
[medeverdachte 6] was de laborant in het laboratorium in [plaats 1] . Binnen deze rol als ‘ [medeverdachte 6] ’ had [medeverdachte 6] een actieve en initiërende rol. Zo gaf hij zelf aan wat voor spullen hij nodig had om de crystal meth te produceren en gaf hij [verdachte] en anderen binnen de groep opdrachten om materialen daartoe aan te schaffen.
[medeverdachte 3] had een uitvoerende taak binnen de organisatie. [medeverdachte 3] was door [medeverdachte 2] bij de organisatie gehaald om klussen op de locatie in [plaats 1] te verrichten. Hij werd onder meer ingezet voor het aanpassen van het afzuigsysteem, het maken van een werkbank en droogtafel en het afschermen van de locatie door het plaatsen van een plaat voor de ingang. Daarnaast werd [medeverdachte 3] ook ingezet voor het vervoeren van goederen naar het laboratorium zoals koel- en vrieskasten en een centrifuge die hij vervolgens met anderen het laboratorium in sjouwde en fungeerde hij als verlengstuk van [medeverdachte 2] in het contact met [medeverdachte 7] .
[medeverdachte 1] was via [medeverdachte 5] bij de groep gekomen. Hij fungeerde een periode als chauffeur. Ook [medeverdachte 1] had een faciliterende en uitvoerende taak binnen de groep. Op naam van zijn bedrijf en door hem zijn bestellingen verricht voor het laboratorium in [plaats 1] , waaronder chemicaliën en warmtedekens.
[medeverdachte 9] is vanaf het moment van de verdenking die zag op zijn loods aan de [locatie 4] in [plaats 2] in beeld gekomen. [medeverdachte 9] had een functie als regelaar. [medeverdachte 9] werkte samen met [verdachte] . Zo had hij zijn loods via [verdachte] aan twee Colombianen verhuurd. Voor de daarmee samenhangende verdenking is hij weliswaar door de rechtbank vrijgesproken, maar wat daar verder ook van zij, die vrijspraak doet naar ’s hofs oordeel niets af aan de vaststelling dat [medeverdachte 9] een functie als regelaar had. Zo was hij immers ook betrokken bij de aanschaf van de koeltrailer, regelde hij de locatie waar de koeltrailer werd opgeslagen en heeft hij met hulp van [medeverdachte 5] een GPS-tracker in de koeltrailer aangebracht.
7.7.2.5.2 Periode
Voor de organisatie als geheel hanteert het hof een periode van zo’n tien en een halve maand waarin de verdachten – in wisselende samenstellingen – hebben samengewerkt. Het hof gaat daarbij uit van 30 maart 2020 als startdatum omdat dat de eerste berichten zijn die zich in het dossier bevinden en waarin [verdachte] en [medeverdachte 6] spreken over het produceren. Het hof gaat uit van 16 februari 2021 als einddatum omdat de politie op die dag op verschillende locaties invallen deed ter aanhouding van een groot deel van de verdachten.
Voor [verdachte] hanteert het hof 30 maart 2020 als aanvangsdatum voor zijn deelneming aan deze organisatie omdat hij toen de eerste gesprekken met [medeverdachte 6] voerde over het produceren van synthetische drugs. Zijn deelneming is geëindigd op 16 februari 2021 met zijn aanhouding.
Voor [medeverdachte 6] hanteert het hof 30 maart 2020 als aanvangsdatum voor zijn deelneming aan deze organisatie omdat hij toen de eerste gesprekken met [verdachte] voerde over het produceren van synthetische drugs. Zijn deelneming is geëindigd op 6 augustus 2020 met zijn aanhouding in het drugslaboratorium in [plaats 1] .
Voor [medeverdachte 2] hanteert het hof in ieder geval vanaf 4 april 2020, nu hij vanaf dat moment een gesprek voert met [medeverdachte 4] dat gelet op de inhoud zonder enige twijfel gaat over de productie van synthetische drugs. Zijn deelneming beschouwt het hof als geëindigd op 18 augustus 2020, de datum van zijn laatste bijdrage aan één van de SkyECC-groepschats van de groep. In tegenstelling tot de verklaring van [medeverdachte 2] heeft hij niet alleen gebruikgemaakt van EncroChat, maar heeft hij naar ’s hofs oordeel ook door gebruikmaking van het SkyECC-account [accountnaam 12] deel uitgemaakt van de SkyECC-groepschat en was hij tot deze datum nauw betrokken bij de plannen en de vervolgstappen van de criminele organisatie. Nadien kwam zijn naam niet meer naar voren.
Voor [medeverdachte 3] hanteert het hof 29 mei 2020 als aanvangsdatum voor zijn deelneming aan deze organisatie omdat hij op die datum in beeld kwam bij het drugslaboratorium in [plaats 1] . Zijn deelneming beschouwt het hof als geëindigd op 6 augustus 2020, de dag dat hij bij het drugslaboratorium in [plaats 1] is gaan kijken nadat dit ontdekt was. Daarna kwam hij niet meer in het dossier terug.
Voor [medeverdachte 1] hanteert het hof 21 mei 2020 als aanvangsdatum voor zijn deelneming aan deze organisatie omdat hij toen door [medeverdachte 5] werd geïntroduceerd aan [medeverdachte 4] als iemand die het transport van chemicaliën en hardware kon regelen. Zijn deelneming beschouwt het hof als geëindigd 19 augustus 2020. Op die datum werd in de laatste SkyECC-groepschat – waarvan [medeverdachte 1] geen deel uitmaakte – besproken of [medeverdachte 1] aan de groep moest worden toegevoegd. [medeverdachte 4] gaf weliswaar aan dat [medeverdachte 1] aan de groep kon worden toegevoegd, maar dat gebeurde uiteindelijk niet. Hoewel in de groep werd genoemd dat deze alleen voor de regelaars bedoeld zou zijn en [medeverdachte 1] ook als niet-regelaar aan de criminele organisatie zou kunnen deelnemen, ziet het hof geen aanwijzingen voor zijn betrokkenheid bij deze organisatie na 19 augustus 2020. Voor de bewezenverklaarde feiten, gepleegd in [plaats 6] op 16 februari 2021, heeft het hof geen aanknopingspunten dat deze in het kader van voormelde organisatie gepleegd zouden zijn.
Voor [medeverdachte 9] hanteert het hof 19 november 2020 als aanvangsdatum voor zijn deelneming aan deze organisatie, zijnde de dag waarop zijn strafbare betrokkenheid bleek bij de aanschaf van de koeltrailer. Zijn deelneming is geëindigd op 16 februari 2021 met het aantreffen van die koeltrailer in zijn loods.
Resumé
Het hof acht gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet.
8 Op te leggen straffen
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en tevens tot een lagere straf dan door de rechtbank aan de verdachte is opgelegd. Daarbij is voorts bepleit dat geen geldboete aan de verdachte zal worden opgelegd. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.
Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing gelet op de zaak Hammond III, die op dit moment ook loopt tegen de verdachte. Ook is sprake van een flinke overschrijding van de redelijke termijn en worden in vergelijkbare zaken minder zware straffen opgelegd. Een geldboete is verder niet passend omdat reeds een forse ontnemingszaak tegen de verdachte aanhangig is gemaakt. Bovendien zit de verdachte al vijf jaren in voorlopige hechtenis en heeft hij in die periode ook geen inkomsten, terwijl zijn vrouw de eindjes net aan elkaar kan knopen, waarbij ten slotte nog beslag ligt op de woning van de verdachte, aldus de verdediging.
Oordeel hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Aard en ernst van de feiten
De feiten die ten laste van de verdachte bewezen zijn verklaard, zijn allemaal Opiumwet-gerelateerd.
Het hof waagt zich niet aan een rangorde voor wat betreft de schadelijkheid van verschillende soorten synthetische drugs maar het is een feit van algemene bekendheid dat metamfetamine in ieder geval behoort tot een van de meer schadelijke varianten. Niet alleen voor wat betreft de toxiciteit (zowel acuut als chronisch) heeft metamfetamine een zeer schadelijk effect op de gezondheid van de gebruikers. Ook heeft het een hoog verslavingspotentieel, nog daargelaten de negatieve sociaaleconomische gevolgen (verlies van werk of woonruimte, al dan niet als indirect gevolg van verstoorde sociale verhoudingen of relaties) die een dergelijke verslaving met zich kan brengen.
De productie van, de handel in en het gebruik van dergelijke harddrugs leidt bovendien tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt (direct of indirect) een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden niet zelden beschermd door gebruikmaking van geweld en/of bedreiging daarmee, en ook van het witwassen van de winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de economie en – daarmee – de maatschappij.
Ten slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs regelmatig gepaard met gevaren voor de directe omgeving. Daarbij valt in ieder geval te denken aan brandgevaar, ontploffingsgevaar en gevaar voor het vrijkomen van giftige gassen. De opgeslagen en gebruikte (vaak zware) chemicaliën zijn immers aan iedere vorm van controle of handhaving onttrokken. Maar ook schade als gevolg van illegale dumpingen en lozingen van drugsafval zijn een grote maatschappelijke kostenpost. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.
Uit het gegeven dat de verdachte bovendien heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om voormelde feiten te plegen, blijkt des te meer de ernst van de feiten en de nietsontziende, zakelijke aanpak daarvan. Louter financieel gewin was hetgeen de verdachte voor ogen had en voor het al het overige leek hij zijn ogen te sluiten.
Rol verdachte
Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer tien en een halve maand deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op professionele wijze bezighield met – onder meer – de grootschalige productie van metamfetamine, ook wel bekend als crystal meth.
Ieder had zijn eigen rol binnen de organisatie: de initiatiefnemers en investeerders, die de plannen maakten en zorgden voor een geschikte locatie, hardware en personeel en de uitvoerders, die zorgden voor het opzetten van het laboratorium, het aankopen en vervoer van benodigde chemicaliën en hardware, het feitelijke productieproces.
Uit de cryptocommunicatie volgt dat verdachte zich met nagenoeg niets anders bezighield. Als een lab werd opgerold, werd meteen een andere locatie geregeld zodat men onverdroten verder kon gaan. Er moest namelijk geld worden verdiend om ‘medewerkers’ die waren opgepakt financieel te kunnen bijstaan. Er waren ook al vergaande voorbereidingen getroffen om drugs te vervoeren via een koeltrailer waarin een verborgen ruimte was aangebracht. Het is enkel te danken aan het ingrijpen van de politie dat de koeltrailer nog niet voor voornoemd doel in gebruik is genomen.
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan de onderhavige feiten – eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit, meer in het bijzonder wegens harddrugs.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat hij verschillende cursussen volgt in detentie en voornemens is om na zijn detentie als ervaringsdeskundige aan de slag te gaan en jeugdigen te behoeden voor een leven in de criminaliteit.
Straffen
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het perspectief van vergelding en speciale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De omstandigheid dat het hof komt tot een andere bewezenverklaring voor wat betreft feit 2 doet naar ’s hofs oordeel in de onderhavige zaak niets af aan de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde. Het zwaartepunt ligt hier niet bij de aangetroffen hoeveelheid (eind)product, maar met name bij de omstandigheid dat de verdachte gedurende ruim een maand met anderen op professionele en grootschalige wijze bezig is geweest met het chemisch proces gericht op een zo groot mogelijke productie van ‘crystal meth’.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof stelt verder vast dat feiten als de onderhavige (illegale productie van synthetische drugs dan wel de voorbereiding / bevordering daarvan) voortkomen uit winstbejag. De bedragen die met feiten als de onderhavige kunnen worden verdiend, zijn astronomisch. Dat is in de regel ook de belangrijkste reden voor het plegen van dergelijke feiten. Het hof is van oordeel dat daarom van straffen die in dit type zaken wordt opgelegd een generaal-preventieve werking moet uitgaan.
Het hof acht daarom passend en geboden om aan de verdachte – naast voormelde gevangenisstraf – ook een geldboete op te leggen. Deze geldboete is nadrukkelijk niet bedoeld om wederrechtelijk verkregen voordeel – voor zover daarvan überhaupt sprake zou zijn – te ontnemen maar uitsluitend omdat het hof dit gelet op de aard en ernst van de feiten recht vindt doen aan de zaak.
Bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Tot slot is het hof van oordeel dat de hierna op te leggen gevangenisstraf en geldboete in hun gezamenlijkheid rechtdoen aan de onderhavige feiten en een passende bestraffing opleveren, ook wanneer de verdachte onverhoopt niet in staat zou blijken de geldboete te voldoen en om die reden de vervangende hechtenis ten uitvoer zou worden gelegd. Voor wat betreft de geldboete acht het hof overigens termen aanwezig dat in de executiefase wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om een betalingsregeling te treffen.
Redelijke termijn
Duur van de redelijke termijn in hoger beroep
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak een redelijke termijn moet worden gehanteerd die langer is dan de gebruikelijke redelijke termijn, wegens de complexiteit van het onderzoek en de invloed van de verdediging op de voortvarendheid van de behandeling, zodanig dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en derhalve evenmin een vermindering van de op te leggen straf dient plaats te vinden.
Het hof overweegt als volgt.
Hoewel het klopt dat een redelijke termijn van – in de onderhavige zaak – 16 maanden slechts een uitgangspunt vormt waarvan kan worden afgeweken (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.13.1) acht het hof geen omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven.
De onderhavige zaak en de zaken tegen de medeverdachten zijn misschien niet eenvoudig en compact van aard, maar gelet op het beperkte aantal feitencomplexen en medeverdachten niet zodanig dat deze een langere redelijke termijn rechtvaardigen. Bovendien blijkt uit het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg nu juist dat het (alomvattende) Hammond in verschillende delen is opgesplitst om de individuele onderzoeken (Hammond I, II (en 26Bluffton) en III) behapbaar te houden.
Ook de invloed van de verdediging op het procesverloop maakt dit niet anders. In de onderhavige zaak is geen buitensporige hoeveelheid onderzoekswensen ingediend. Weliswaar is verzocht (en toegewezen) het horen van een tweetal getuigen in Colombia, maar dat kan gelet op het beperkte aantal onderzoekswensen niet aan de verdachte worden tegengeworpen.
Het hof merkt daarbij op dat de eerste regiezitting in hoger beroep pas in augustus 2024 heeft plaatsgevonden en aldus ongeveer 1,5 jaar na het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en de verdediging. Dat heeft ten dele te maken met de agenda’s van het hof en de verdediging maar mag niet voor rekening van de verdachte komen.
In de onderhavige zaak komt daar nog bij dat het hof op die eerste regiezitting aan de orde heeft gesteld of de verdediging bezwaar had tegen het feit dat een van de raadsheren – waarvan kort voor die regiezitting bleek dat zij in eerste aanleg ook beslissingen had genomen in de pro formafase van het onderzoek Hammond II – mee zou beslissen op de onderzoekwensen.
De verdediging heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hoewel dit niet bevorderlijk is geweest voor de voortvarendheid van de behandeling van de zaak in hoger beroep, hoort ook dit niet voor rekening van de verdachte te komen.
Concluderend gaat het hof dan ook uit van een redelijke termijn van 16 maanden voor de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.
Overschrijding van de redelijke termijn
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 16 februari 2021 met de inverzekeringstelling van de verdachte, en geëindigd op 8 februari 2023 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep door de rechtbank. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 21 februari 2023 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en eindigt heden, 25 juni 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 16 maanden is daarmee in hoger beroep overschreden met ongeveer 24 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.
Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete van € 40.000,00 subsidiair 191 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden hebben geacht. Gelet echter op voormelde overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 84 maanden (7 jaren) met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een geldboete van € 40.000,00 subsidiair 191 dagen vervangende hechtenis.
9 Beslag
In het proces-verbaal veiligstellen van 20 mei 2021 (proces-verbaalnummer: 26Hammond-002990) is gerelateerd dat dit vermoedelijk een cryptotelefoon betreft, maar de gronden waarop dit vermoeden is gebaseerd blijken daaruit niet, zodat dit voor het hof niet vaststaat.
Het hof zal daarom bepalen dat de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon (merk Apple, kleur wit/roze, IBN-code: [nummer] ) zal worden teruggegeven aan de verdachte – voor zover dat nog niet is gebeurd – nu er geen strafvorderlijk belang (meer) mee is gediend om het beslag op dit voorwerp te laten voortduren.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart het door de verdachte en de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde (en aldus niet de beslissingen van de rechtbank omtrent de strafbaarheid van dat feit en de strafbaarheid van de verdachte daarvoor), de opgelegde straf en de beslissing tot teruggave aan de rechthebbende van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon (merk Apple, kleur wit/roze, IBN-code: [nummer] ) en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000,00 (veertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 191 (honderdeenennegentig) dagen hechtenis;
gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een telefoon (merk Apple, kleur wit/roze, IBN-code: [nummer] );
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.