Strafrecht overig
Arrest van het gerechtshof Den Haag. Medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1932 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1932
Zaakgegevens
Op 20 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- 22-000857-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1932
Samenvatting
Arrest van het gerechtshof Den Haag.
Medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000857-24
Parketnummer: 10-750184-16
Datum uitspraak: 20 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1984,
BRP-adres: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en hem ter zake van:
- medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 2),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen met betrekking tot het beslag.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, met beslissing omtrent het beslag gelijk aan die van de rechtbank.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat :
2.
[bedrijf 1]
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] , en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader( s):
- een of meerdere onderneming(en) met rechtspersoonlijkheid (te weten: [bedrijf 1] ) gestart en/of daarvan als bestuurder of directeur gefunctioneerd, en/of
- een of meerdere bedrijfspanden(en) aan [adres 2] en/of [adres 3] gehuurd en/of daarvan de huursom(men) voldaan, en/of
- ( vervolgens) al dan niet middels die onderneming(en) (grote) hoeveelheden (van een mengsel van) paracetamol, cafeïne, fenacetine, tetramisol en/of andere stoffen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/verwerkt/geproduceerd, verpakt en/of verdeeld, en/of
- in voornoemde bedrijfspanden(en) productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
[bedrijf 1]
hij in de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] , meermalen,
tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen,
- zich en anderen gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers hebben verdachte en (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- een bedrijfspand aan [adres 3] gehuurd en
- ( grote) hoeveelheden (van een mengsel van) paracetamol en cafeïne, (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad en opgeslagen en bewerkt/verwerkt/geproduceerd, verpakt en verdeeld, en
- in bedrijfspanden aan [adres 2] en/of [adres 3] productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken gevoerd met zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden gebruikt en/of vermengd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het hof neemt de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de bijlage II: bewijsmiddelen bij het vonnis van 14 november 2019, over en bezigt deze tot het bewijs.
Voorts bezigt het hof de hierna in het hoofdstuk “bewijsoverwegingen” opgenomen en aldaar in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen tot het bewijs.
Voor zover er bij de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring nog bewijsmiddelen mochten ontbreken, worden deze opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverwegingen
Algemene inleiding
Het hof merkt allereerst op dat op grond van bestendige jurisprudentie het aan de strafrechter, die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust dan ook op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Onderzoek ‘ [onderzoeksnaam] ’ en het bijbehorende procesdossier heeft betrekking op een proces rond de productie van versnijdingsmiddelen, de daarin figurerende personen, waaronder de verdachte, en de rollen die zij in dat proces vervulden. Hierna zal eerst een feitelijke omschrijving van dat proces worden gegeven, de fases waaruit dat proces bestond, de rollen die de verschillende verdachten in dit proces innamen en in hoeverre dat tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde leidt.
Het feitelijke proces en de rol van de verdachte
Uit het onderzoek ‘ [onderzoeksnaam] ’ is gebleken dat in de regio [plaatsnaam 1] grondstoffen voor versnijdingsmiddelen zijn geïmporteerd via een API-geregistreerd bedrijf, [bedrijf 2] Deze grondstoffen werden vervolgens in diverse opslagboxen opgeslagen. Vanuit die boxen werden de stoffen in kleinere hoeveelheden opgehaald om het in verschillende panden en woningen te bewerken tot versnijdingsmiddel. Dit werd vervolgens verkocht aan anderen om het te versnijden met (zuivere) harddrugs, waarna het mengsel uiteindelijk werd verkocht aan afnemers. In dit proces zijn de volgende fases te onderscheiden:
-
De import en de opslag van de grondstoffen (zaaksdossier [naam zaaksdossier 1] );
-
Het ophalen van de grondstoffen (zaaksdossiers [naam zaaksdossier 1] en [bedrijf 1] );
-
Het bewerken van de grondstoffen tot versnijdingsmiddel (zaaksdossiers [bedrijf 1] , [locatie 1] , [locatie 2] , [locatie 3] );
-
Het opslaan van het eindproduct (zaaksdossier [locatie 4] );
-
Het verkopen en afleveren van het eindproduct ten behoeve van vermenging daarvan met harddrugs (zaaksdossiers [locatie 5] , [locatie 6] , [locatie 7] , [locatie 8] , [locatie 9] ).
Hieronder zullen deze vijf fases nader worden toegelicht.
Fase 1: de import en de opslag van de grondstoffen (zaaksdossier [naam zaaksdossier 1] )
Uit het dossier volgt dat het bedrijf [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) zich bezig hield met het importeren van grondstoffen voor geneesmiddelen. Vanaf 2010 tot 2016 heeft [bedrijf 3] de grondstoffen paracetamol, cafeïne en fenacetine geleverd aan het bedrijf [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). De handelsactiviteiten van [bedrijf 4] , zoals blijkt uit de Kamer van Koophandel registratie, richtten zich in de tenlastegelegde periode niet op de aankoop of doorverkoop van farmaceutische stoffen. Het bedrijf heeft dan ook geen API-registratie. Vanaf maart 2016 heeft [bedrijf 3] de grondstoffen geleverd aan het bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [medeverdachte 1] is een van de directeuren en bevoegd bestuurder van [bedrijf 2] . [bedrijf 2] was een API-geregistreerd bedrijf dat zich bezig hield met onder meer het importeren en distribueren van werkzame stoffen in geneesmiddelen. Nadat de stoffen door [bedrijf 2] legaal waren aangekocht, leverde [bedrijf 2] aanzienlijke hoeveelheden stoffen aan particulieren, waaronder [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), en aan een niet-API-geregistreerd bedrijf, te weten [bedrijf 4] . [medeverdachte 2] was de vertrouwenspersoon en zakenpartner van [medeverdachte 1] ’s contactpersoon bij [bedrijf 4] .
Na levering van de stoffen werden deze opgeslagen in de door [medeverdachte 1] gehuurde opslagboxen van [bedrijf 5] . Het gaat om [adres 4], [adres 5] en opslagbox [adres 6] . Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat het gedurende de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 ging om een hoeveelheid van 17.300 kilogram paracetamol, 9.150 kilogram cafeïne en 250 kilogram fenacetine. [medeverdachte 2] is ook betrokken geweest bij de huur van één van die boxen. [medeverdachte 3] verrichtte voor [medeverdachte 1] werkzaamheden in het kader van de opslag van de grondstoffen in de opslagboxen. [medeverdachte 3] stelde [medeverdachte 1] er telefonisch van op de hoogte als de grondstoffen waren uitgeladen en hij moest controleren of de juiste stoffen en juiste hoeveelheden werden geleverd. Daarnaast nam hij voor [medeverdachte 1] grote geldbedragen (€ 10.000,- â € 15.000,- per keer) in ontvangst van [medeverdachte 2] .
Fase 2: het ophalen van de grondstoffen (zaaksdossiers [naam zaaksdossier 1] en [bedrijf 1] )
Uit observaties en camerabeelden van de verschillende opslagboxen van [bedrijf 5] is gebleken dat de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , in wisselende samenstellingen, zichzelf toegang gaven tot de opslagboxen. Te zien was dat de verdachten meermalen gevulde bigshopper tassen, drums/vaten en kartonnen dozen uit de opslagboxen haalden en die inlaadden in verschillende voertuigen.
Ten aanzien van de verschillende opslagboxen is onder andere het volgende vastgesteld:
[adres 4] :
- [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] laden o.a. op 31 maart 2016 meermalen dozen en drums uit de box in bestelbus [kenteken 1] ;
- [medeverdachte 2] opent en sluit de box op 12 april 2016;
- [medeverdachte 6] laadt vaten en een jerrycan in zijn bestelbus [kenteken 2] op 16 april 2016 en 20 april 2016;
- [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] laden op 30 april en 1 mei 2016 meerdere vaten en boxen in bedrijfswagen [kenteken 3] .
[adres 5] :
- [medeverdachte 2] laadt o.a. op 25 en 30 april 2016 volle geruite bigshopper tassen vanuit de box in een Renault;
- [medeverdachte 6] rijdt o.a. op 15 en 20 april 2016 met zijn eigen Volkswagen Caddy ( [kenteken 2] ) naar de box en laadt meerdere vaten/drums vanuit de box in zijn voertuig;
- [medeverdachte 5] laadt o.a. op 19 april en 15, 21 en 26 mei 2016 volle geruite bigshoppers, kartonnen dozen en vaten/drums vanuit de box in verschillende voertuigen;
- [medeverdachte 2] laadt o.a. op 1 en 5 mei 2016 meerdere drums/vaten vanuit de box in een Renault Master.
[adres 6] :
- [medeverdachte 5] laadt o.a. op 28 en 29 juni 2016 goederen uit de box in zijn bestelbus.
Fase 3: het bewerken van de grondstoffen tot versnijdingsmiddel (zaaksdossiers [bedrijf 1] , [locatie 3] , [locatie 1] , [locatie 2] )
Nadat de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] de stoffen hadden opgehaald, brachten zij die naar verschillende woningen en panden voor het productieproces. Uit het dossier blijkt dat het productieproces in grote lijnen bestaat uit de volgende stappen:
-
Het vermengen van de grondstofpoeders met een vloeibare kleurstof;
-
Het verwarmen van het mengsel in een grote pan;
-
Het drogen van het ontstane mengsel op metalen platen/op de vloer waardoor verharde plakken en brokken ontstaan;
-
Het vermalen en zeven van de ontstane plakken en brokken;
-
Het verpakken van de gemalen grondstoffen, poeders, in kiloverpakkingen ten behoeve van transport en verdere bewerking.
De verdachten maakten bij het produceren van versnijdingsmiddelen gebruik van de volgende locaties :
-
De twee bedrijfspanden van [bedrijf 1] : een pand aan [adres 2] en een pand aan [adres 3] , beide in [plaatsnaam 2] ;
-
Een woning aan [adres 7] , een woning aan [adres 8] en een bedrijfspand aan [adres 9] .
[adres 2] en [adres 3]
Het bedrijf [bedrijf 1] is een bedrijf dat zich voornamelijk richt op de levering van consumentenartikelen zoals zonnebloemolie en non-alcoholische dranken. Het is gevestigd aan [adres 2] en [medeverdachte 4] is enig aandeelhouder van het bedrijf. Uit het onderzoek blijkt dat zowel [medeverdachte 6] als [verdachte] in het bedrijf [bedrijf 1] werkzaamheden verrichtten. Voor het verrichten van zijn werkzaamheden heeft [medeverdachte 6] de beschikking over een Volkswagen Caddy (met kenteken [kenteken 2] ) gekregen.
Vanaf 29 maart 2016 heeft [medeverdachte 4] het pand aan [adres 3] in gebruik als nevenvestiging. Bij het aangaan van het huurcontract zijn naast [medeverdachte 4] ook [medeverdachte 2] en [verdachte] betrokken. [beroep getuige] [getuige 1] is benaderd door [verdachte] die zei het pand aan [adres 3] te willen huren.
Beide locaties zijn gebruikt als productieplaats voor versnijdingsmiddel. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de in [adres 2] aangetroffen grijze kratten gevuld met gekookte, ingedroogde en verbrokkelde materialen naar [adres 3] werden vervoerd om daar met de maalmachine te worden vermalen en verpakt tot eindproduct.
Uit observaties is gebleken dat vaten en dozen naar de twee panden van [bedrijf 1] werden gereden. Daar werden de goederen in- en uitgeladen en vervolgens bewerkt. Zo is onder andere het volgende vastgesteld :
- Op 4 januari 2016 rijdt het voertuig Citroën Nemo [kenteken 4] naar het pand aan [adres 2] en rijdt daar achteruit naar binnen. [medeverdachte 4] ontvangt daarna een sms met de mededeling ‘dat hij 450 heeft neergezet en dat ze allemaal midden moeten worden’.
- Op 10 februari 2016 om 14.28 uur wordt wederom een witte bestelauto bij het bedrijf aan [adres 2] waargenomen. Vlak voor die waarneming vindt er een sms-conversatie tussen [medeverdachte 4] en een ander plaats waaruit blijkt dat die ander ‘300 moet brengen’. Nadat de ‘300’ zijn gebracht, stuurt [medeverdachte 4] een sms naar [medeverdachte 2] met de vraag ‘wat er moet gebeuren met die 300’. [medeverdachte 2] reageert met ‘ [medeverdachte 4] , alleen 300 van het donkere. De rest allemaal midden 1 beker. Oom niet haasten. Zorg je ervoor dat jullie het deeg goed klein maken’.
-
Uit camerabeelden van de [bedrijf 5] [adres 5] blijkt dat [medeverdachte 6] op 15, 16 en 20 april 2016 ter plaatse komt (op 15 april 2016 in gezelschap van [medeverdachte 2] ) en dat [medeverdachte 6] een aantal malen meerdere drums uit de box in zijn auto heeft ingeladen (p. 13-411 e.v.). Voorts blijkt uit getapte telecommunicatie dat [medeverdachte 2] met [medeverdachte 6] via SMS-berichten op 20 en 21 april 2016 contact heeft waarin gesproken wordt over kookpannen, over het malen, over dat het net deeg is en gaat glimmen, dat [medeverdachte 4] de donkere wel erg dik heeft gegoten en dat het niet te malen is, het malen/trekken van melk, lichtkleurige en over een ontmoeting (p. 13-278 e.v.).
-
Op 21 april 2016 wordt vervolgens waargenomen dat [medeverdachte 6] met zijn Caddy met kenteken [kenteken 2] achteruit het pand bij de [locatie 11] inrijdt. Korte tijd later rijdt hij het pand weer uit en waargenomen wordt dat hij voor het pand een ontmoeting heeft met [medeverdachte 2] . Niet lang daarna rijdt [medeverdachte 6] naar een ondergrondse vuilniscontainer aan de [straatnaam] en gooit hij 5 gevulde vuilniszakken weg.
Die vuilniszakken zijn veiliggesteld en onderzocht. In de zakken zaten o.a.
- 8 versneden vaten met opschrift ‘paracetamol’;
- 3 versneden vaten met opschrift ‘cafeïne’;
- houten deksels en bodems;
- meerdere plastic zakken met wit en bruin poeder.
Vastgesteld wordt dat de weggegooide vaten paracetamol en cafeïne door [bedrijf 2] bij [bedrijf 3] zijn besteld en afgenomen en dat een deel van deze spullen opgeslagen is geweest bij in de opslagbox bij [bedrijf 5] aan [adres 4] .
- Op 28 en 30 mei en 2, 3, 4, 5 en 6 juni 2016 worden zowel [medeverdachte 5] als [medeverdachte 2] bij het pand aan de [locatie 11] waargenomen. Zowel afzonderlijk van elkaar als samen betreden zij het pand. Tevens wordt waargenomen dat zij meermalen goederen uit voertuigen laden en in het pand dragen.
Uit diverse opgenomen telefoongesprekken blijkt dat er onder andere door [medeverdachte 4] (“ [medeverdachte 4] ”) aan [verdachte] (“ [verdachte] ”) en aan [medeverdachte 6] (“ [medeverdachte 6] ”) opdrachten en aanwijzingen worden gegeven met betrekking tot de productie van versnijdingsmiddelen. Ook [medeverdachte 2] heeft meermalen bemoeienis. Daarbij worden termen als “half”, “kilo”, “grammetje”, “weegschalen” genoemd en wordt in versluierd taalgebruik gesproken, zoals “dinges”, “grijs”, “donker”, “die tussen midden en donker”, “witte”, “melk” en “kisten tomaten”. Het voorgaande wijst in de context van het dossier naar het oordeel van het hof op de productie van versnijdingmiddelen.
De woningen aan [adres 7] en [adres 8] en het
bedrijfspand aan [adres 9]
De personen die zijn aangetroffen in voornoemde twee woningen betreffen personen afkomstig uit Bulgarije die zijn benaderd om in deze woningen en in de bedrijfsloods aan de [locatie 2] versnijdingsmiddelen te produceren.
[adres 7]
Op 8 oktober 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan [adres 7] . Bij die doorzoeking is geconstateerd dat de woning werd gebruikt als productieplaats voor versnijdingsmiddelen. Er zijn o.a. vaten en geruite big shoppers met daarin (zakken) poeder, dozen paracetamol, pannen, schalen, weegschalen en verpakkingsmaterialen aangetroffen. Ten tijde van de doorzoeking waren [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] in de woning aanwezig. Zij zijn aangehouden en gehoord. Uit de verklaring van zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 8] kan worden afgeleid dat zij zich beiden bezighielden met de productie van versnijdingsmiddelen.
Op basis van beider verklaringen acht het hof voldoende bewijs aanwezig dat [medeverdachte 2] degene was die in hun verklaring als de chef of baas werd aangeduid. Beiden benoemen in hun verklaring deze persoon als ‘ [medeverdachte 2] ’ of ‘ [medeverdachte 2] ’, zijnde een dikkige man van 30-35 jaar oud met een lengte van 1,65-1,70 meter, die wel eens een meisje van 2 jaar oud en een jongen van 4/5 jaar oud meebracht. [medeverdachte 2] was ten tijde van de feiten ongeveer 30 jaar oud, voldoet aan de door hen in hun verklaringen gegeven omschrijving en had destijds een dochter van 2 jaar oud en een zoon van 4/5 jaar oud.
Ook acht het hof voldoende bewijs aanwezig dat [medeverdachte 5] bij dit feit betrokken was. Een man die grondstoffen langsbracht, werd door [medeverdachte 8] “ [medeverdachte 5] ” genoemd. Bovendien werd op de dag van de doorzoeking van 8 oktober 2014 aan de politie een uit een naburige woning gegooid briefje ter hand gesteld waar kentekens van bij [adres 7] betrokken auto’s worden genoemd. Het daarop genoteerde kenteken [kenteken 5] behoort bij een blauwkleurige Seat Ibiza die vanaf [datum tenaamstelling 1] op naam van [medeverdachte 5] staat; het daarop genoteerde kenteken [kenteken 6] behoort bij een zwarte Hyundai i30 die vanaf [datum tenaamstelling 2] op naam staat van [medeverdachte 2] .
[adres 8]
Op 28 april 2015 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan [adres 8] . Bij die doorzoeking is geconstateerd dat de woning werd gebruikt als productieplaats voor versnijdingsmiddel. Er zijn onder meer een kookinstallatie op
gasflessen met pannen, kookgerei, een jerrycan met donkerbruine vloeistof, zakken met brokken bruin materiaal en zakken met resten wit materiaal, poeder en diverse big shoppers met zakken bruin materiaal, en een maalinstallatie aangetroffen. De stoffen bleken cafeïne en paracetamol te bevatten. Ten tijde van de doorzoeking waren [medeverdachte 9] ( [geboortedag 2] 1974), [medeverdachte 10] ( [geboortedag 3] 1979) en [medeverdachte 11] in de woning aanwezig. Zij zijn aangehouden en gehoord. Uit hun verklaringen kan worden afgeleid dat zij zich bezighielden met de productie van versnijdingsmiddelen.
Op basis van hun verklaringen acht het hof voldoende bewijs aanwezig dat [medeverdachte 2] betrokken was. [medeverdachte 11] beschrijft “de man die ons betaalde” als een jonge man die in een zwarte Hyundai reed en hem een keer heeft gebracht terwijl zijn kind ook in de auto zat. [medeverdachte 2] reed destijds in een zwarte Hyundai. Bovendien stelt het hof vast dat de werkwijze op het adres [adres 8] zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt, sterke gelijkenis vertoont met die op het adres [adres 7] . Die overeenkomsten staan beschreven in het proces-verbaal van 30 september 2015.
[adres 9]
Uit de verklaringen van [medeverdachte 9] ( [geboortedag 2] 1974), [medeverdachte 10] ( [geboortedag 3] 1979) en [medeverdachte 11] kon worden afgeleid dat zij in opdracht van dezelfde personen ook op een tweede productielocatie hebben gewerkt. Dit bleek [adres 9] te zijn. Op 1 mei 2015 is het bedrijfspand aan [adres 9] doorzocht. Ook hier bleek sprake van een productielocatie. In het pand werden grote hoeveelheden versnijdingsmiddel en een weegschaal in beslag genomen. Ook hier vertoonde de werkwijze zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt sterke gelijkenis met die op de adressen [adres 7] en [adres 8] , zoals beschreven in het proces-verbaal van 30 september 2015.
Naast bovengenoemde, voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] belastende omstandigheden werden bovendien drie sporen aangetroffen die een hit opleverden met verdachten:
-
Rechts achter op de vloer van de grote ruimte op de eerste etage is een peuk met daarop DNA van [medeverdachte 5] aangetroffen;
-
Op een Coca Cola fles in de koelkast is een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 5] aangetroffen;
-
Op een leeg blikje Red Bull, dat is aangetroffen in een vuilnisbak nabij de ingang van het pand (in het pand), zat speeksel van [medeverdachte 2] .
Fase 4: het opslaan van het eindproduct (zaaksdossier [locatie 4] )
Na het bewerken van de grondstoffen op de hierboven genoemde locaties tot versnijdingsmiddelen werd een deel van het eindproduct opgeslagen in [adres 10] . Op 7 september 2015 reed [medeverdachte 2] met een bestelbus, kenteken [kenteken 7] , naar [adres 10] . Daar werd het voertuig geparkeerd en werd de laadklep geopend. Ook op 10 november 2015 is [medeverdachte 2] herkend terwijl hij dozen en big shoppers ophaalt. [medeverdachte 5] is eveneens enkele malen gezien terwijl hij de garagebox bezocht. Op 10 november 2015 heeft er een doorzoeking van de garagebox plaatsgevonden. Bij die doorzoeking is geconstateerd dat de garagebox gebruikt werd als opslagplaats voor de grondstoffen zoals paracetamol en cafeïne en voor het eindproduct (mengsel van paracetamol en cafeïne).
Fase 5: het verkopen en afleveren van het eindproduct ten behoeve van vermenging daarvan met harddrugs (zaaksdossiers [locatie 5] , [locatie 6] , [locatie 7] , [locatie 12] , [locatie 9] )
Na het produceren van versnijdingsmiddel en het opslaan daarvan, begon de laatste fase van het verdienmodel van de verdachten, te weten het verkopen en afleveren van het eindproduct.
[medeverdachte 12] heeft bekend dat hij gedurende enige tijd op verschillende adressen versnijdingsmiddelen heeft geleverd. Gebleken is dat hij betrokken was bij afleveringen aan de woningen aan [adres 11] , [adres 12] en [adres 13] . Hoewel het adres [adres 14] hem naar zijn zeggen niets zegt, blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat hij in het bijbehorende zaaksdossier [zaaksdossier 2] gekoppeld kan worden aan levering van versnijdingsmiddelen in de bewuste periode in de omgeving van het adres [adres 14] . Dat [medeverdachte 12] niet in die woning is geweest, doet aan de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet af. Het zaaksdossier [locatie 9] betreft een in het voertuig met kenteken [kenteken 8] aangetroffen hoeveelheid versnijdingsmiddelen (mengsels van paracetamol en cafeïne). [medeverdachte 12] heeft dit feit bekend.
Uit telefoongesprekken en sms-berichten valt af te leiden dat [medeverdachte 12] werd aangestuurd door [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] onderhandelingen heeft gevoerd met verschillende afnemers over de hoeveelheden en de prijzen die werden gehanteerd. Zo blijkt uit gesprekken en sms-contacten dat [medeverdachte 12] en [medeverdachte 2] gesprekken voerden met ene ‘ [naam] ’ over de levering van versnijdingsmiddelen op of nabij het adres [adres 11] . In zaaksdossier [zaaksdossier 2] blijkt eveneens van betrokkenheid van [medeverdachte 2] . Op 29 februari en 1 maart 2016 voert [medeverdachte 2] telefonische gesprekken waaruit volgt dat hij versnijdingsmiddelen moet afleveren op “ [adres 14] ” of “achter [bijnaam 1] ”, hetgeen refereert aan het adres [adres 14] .
Conclusie ten aanzien van de verdachte
Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, komt naar voren dat [verdachte] zich in dienst van [medeverdachte 4] bezighield met het produceren van versnijdingsmiddelen. Ook heeft hij zich beziggehouden met onder meer het huren van het bedrijfspand aan [adres 3] . Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft medegepleegd zoals bewezenverklaard.
Verweren van de verdediging
Wetenschap en de bijdrage van verdachte
De verdediging heeft betwist dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van de werkzaamheden die hij verrichtte. De verdachte heeft verklaard dat hij heeft geholpen bij het laden van houtskool.
Het hof overweegt als volgt.
Het juridische kader met betrekking tot artikel 10a van de Opiumwet
Ook al bevat de delictsomschrijving van artikel 10a, eerste lid Opiumwet niet de term ‘opzet’, voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat bij de verdachte het opzet heeft bestaan op het voorbereiden of bevorderen van de in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet bedoelde misdrijven, door zoals in casu zich en anderen gelegenheid en middelen trachten te verschaffen tot het plegen van de bedoelde misdrijven en het voorhanden hebben van stoffen waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van bedoelde misdrijven. Voorwaardelijk opzet is in dit verband toereikend. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De door de verdachte verrichte voorbereidings- of bevorderingshandelingen dienen aldus niet alleen geschikt te zijn om de in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet bedoelde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, de verdachte zal zich ook van het karakter van die handelingen bewust moeten zijn. Dit brengt met zich dat het weliswaar niet noodzakelijk is dat de tenlastelegging de term ‘opzet’ bevat, maar uit de bewijsvoering moet wel volgen dat sprake is van opzet op de voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet en de daartoe verrichte gedragingen.
Het juridische kader met betrekking tot medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Voor medeplegen geldt voorts het vereiste van dubbel opzet: het opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Voor wat betreft het opzet op de onderlinge samenwerking: een nauwe en bewuste samenwerking hoeft niet altijd te betekenen dat er vooraf expliciet afspraken of plannen zijn gemaakt, dan wel tijdens de uitvoering ervan (kort) overleg is geweest. Onder omstandigheden kan de samenwerking voor een deel ook stilzwijgend plaatsvinden. Medeplegen impliceert tevens de bewuste samenwerking van een ieder van de medeplegers met het oog op het verrichten van een strafbare gedraging. Daarbij is niet vereist dat de verdachte op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van zijn mededader(s). Onder dit opzet is het reeds eerder genoemde voorwaardelijk opzet begrepen.
Conclusie ten aanzien van de verdachte
Het hof overweegt dat de omstandigheid dat het bedrijf [bedrijf 1] zich ook bezighield met de handel in houtskool er niet aan in de weg staat dat er ook versnijdingsmiddelen werden geproduceerd. Naar het oordeel van het hof kan er geen misverstand bestaan over de vraag of de verdachte zich met versnijdingsmiddelen heeft beziggehouden, gelet op hetgeen uit de bewijsmiddelen naar voren komt en de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat houtskool een zwarte tot donkergrijze kleur heeft, in ieder geval een andere kleur dan de stoffen waarmee de versnijdingsmiddelen werden geproduceerd. Uit de tapgesprekken en sms-berichten waar de verdachte aan deelnam, blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte zowel met [medeverdachte 4] als met [medeverdachte 2] regelmatig en uitvoerig overlegde over het productieproces en hoe het verliep. In dit verband kan worden gewezen op de tapgesprekken en de sms-berichten in december 2015 en de tapgesprekken van januari en februari 2016. Uit deze gesprekken en berichten en de wijze waarop de verdachte sprak tegen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] blijkt een veel grotere betrokkenheid van de verdachte bij de inhoud van het proces dan het louter uitvoeren van instructies van een werkgever, dan wel het helpen met de handel in houtskool.
Uit deze (grotere) betrokkenheid bij het productieproces, het contact met zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 2] , de inhoud van de overige tapgesprekken en sms-berichten, bezien in de context van de rest van het dossier acht het hof het verweer van de verdachte inhoudelijk volstrekt onaannemelijk en leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten waar hij daadwerkelijk mee bezig was, dan wel minst genomen gezien de aard van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich bezighield met het bewerken van versnijdingsmiddelen. Bovendien blijkt hieruit van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten waarbij de verdachte een significante bijdrage in het productieproces leverde.
Gelet op het vorenstaande en gelet op de bewijsmiddelen, een en ander in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen waarmee hij werkte bestemd waren tot het plegen van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet en dat de verdachte bovendien in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten handelde.
Het hof acht het verweer van de verdachte dan ook onaannemelijk.
Daaraan doet niet af hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidstoestand en financiële situatie van de verdachte, wat daar ook van zij.
Stemherkenning
De verdediging heeft betoogd dat de stemherkenning ter zake van een aantal in het dossier gebruikte telefoonnummers niet betrouwbaar is, reden waarom de via deze telefoonnummers gevoerde gesprekken en tekstberichten van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daarbij is betoogd dat het aan de verdachte gekoppelde telefoonnummer ook door medeverdachten, meer in het bijzonder door [medeverdachte 4] en zijn zoon, zou zijn gebruikt. Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte op 17 en 18 december 2015, 22 januari, 15 februari en 7 maart 2016 de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
Het hof overweegt als volgt.
Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat (transcripties van) opgenomen gesprekken voor het bewijs worden gebruikt. De inhoud van die gesprekken moet dan wel – op zichzelf of (mede) in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen – redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Tenzij in een opgenomen gesprek ontegenzeggelijk over (verdachtes betrokkenheid bij) het tenlastegelegde delict wordt gesproken, zal de beoordeling van de redengevende kracht van de inhoud van een opgenomen gesprek meestentijds afhangen van de uitleg en interpretatie die aan de inhoud van dat gesprek kan worden gegeven. Bij het geven van die uitleg en interpretatie is, zeker wanneer de verdachte ontkent, de nodige behoedzaamheid geboden om het risico te kunnen ondervangen dat aan een gesprek of een bericht een verkeerde strekking wordt gegeven. In het geval van een voor de verdachte belastende uitleg van een opgenomen gesprek dient dan ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te kunnen worden geconcludeerd dat de inhoud van het opgenomen gesprek redelijkerwijs niet voor een andere uitleg vatbaar is dan die belastende. Bij de beoordeling of van zo een geval sprake is, kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en inhoud van het gesprek, de betekenis van bepaalde bewoordingen, de context waarin het gesprek heeft plaatsgehad, het verband met eventueel andere opgenomen gesprekken, het verband met eventueel ander bewijsmateriaal, wat er over de gespreksdeelnemers of over de personen die in die gesprekken ter sprake komen nog meer is gebleken, alsmede de vraag of – en zo ja eventueel in welk stadium van het geding – de verdachte, in het bijzonder als hij gespreksdeelnemer is geweest, een plausibele uitleg over en voor het gesprek geeft. Als, zoals in het onderhavige geval, de verdachte elke betrokkenheid ontkent en de vaststelling van de betrokkenheid van de verdachte bij een tenlastegelegd delict uitsluitend of in overwegende mate zou moeten worden gebaseerd op de inhoud van opgenomen gesprekken, dan klemt de hiervoor bedoelde toets des te meer.
Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat stemherkenning met de nodige behoedzaamheid dient te worden beoordeeld en dat de stemherkenning bij voorkeur ondersteuning vindt in andere feiten of omstandigheden. Het is echter niet zo dat in het algemeen stemherkenningen die niet aan (alle) door de raadsvrouw genoemde eisen voldoen dienen te worden uitgesloten van bewijs. Een categorische uitsluiting van het bewijs, zoals door de raadsvrouw bepleit, is derhalve niet aan de orde.
Met betrekking tot het telefoonnummer [telefoonnummer 1] geldt voorts het volgende. De verdachte heeft zelf verklaard de gebruiker te zijn geweest van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De verdachte verklaarde hierover bij de politie op 13 juli 2016 dat hij op dit nummer te bereiken was in verband met het werk en dat dit nummer overal bekend was, omdat hij de zaken voor zijn baas ( [medeverdachte 4] ) regelde. Dit vindt bevestiging in het feit dat de [beroep getuige] betrokken bij de huur van het pand aan [adres 3] , in dit verband verklaarde door de verdachte te zijn benaderd en de verdachte daarbij voornoemd telefoonnummer opgaf. Daar komt bij dat de verdachte dit nummer op 16 mei 2013 al opgaf als zijn telefoonnummer voor het doen van aangifte van diefstal uit zijn auto (de Suzuki Swift met kenteken [kenteken 9] ). Wat betreft het gesprek op 17 december 2015 geldt bovendien dat – behalve dat het gesprek wordt gevoerd met het telefoonnummer waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij het in gebruik had – niet alleen ook de stem van de verdachte wordt herkend, maar de gebruiker van het nummer wordt aangesproken met de voornaam van de verdachte en het gesprek bovendien wordt gevoerd met de baas van de verdachte ( [medeverdachte 4] ). [medeverdachte 4] maakt daarbij steeds gebruik van nummer [telefoonnummer 2] . Dat is hetzelfde nummer waarmee [medeverdachte 4] de volgende dag, 18 december 2015, een telefoongesprek met [medeverdachte 2] voert, waarna [medeverdachte 2] diezelfde dag sms’t met het nummer [telefoonnummer 1] , waarvan de verdachte heeft verklaard dat het nummer bij hem in gebruik was en, gelet op vorenstaande, de dag daarvoor in ieder geval ook nog bij de verdachte in gebruik was, maar kennelijk in ieder geval niet bij [medeverdachte 4] in gebruik was. Wat betreft het telefoongesprek van 22 januari 2016 met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] – waarvan de verdachte verklaarde dat hij het in gebruik had – geldt wederom dat de gebruiker met de voornaam van de verdachte werd aangesproken en het gesprek werd gevoerd met [medeverdachte 4] . Voor het telefoongesprek van 15 februari 2016 dat wordt gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] geldt hetzelfde en bovendien wordt de stem van de verdachte hier weer herkend. Ook in de daarop volgende periode vinden er gesprekken plaats met dit telefoonnummer waarbij steeds de stem van de verdachte wordt herkend en bovendien zijn naam wordt genoemd, terwijl de andere beller [medeverdachte 4] blijkt te zijn. Dit geldt ook voor het gesprek op 7 maart 2016, alhoewel dat gesprek overigens niet voor het bewijs wordt of is gebruikt.
Gelet op al het voorgaande stelt het hof vast dat de conclusie dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] niet alleen wordt gebaseerd op stemherkenning, maar op meerdere andere bijkomende feiten en omstandigheden. Gelet daarop is er geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de stemherkenning ten aanzien van dit telefoonnummer, zodat de betreffende tapgesprekken voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] was en hij degene is die de – ook de voor het bewijs gebruikte – tapgesprekken voerde.
Voorhanden hebben
Door de verdediging is betoogd dat in geen der zaaksdossiers kan worden gezegd dat de verdachte de stoffen (grondstoffen dan wel versnijdingsmiddelen) voorhanden heeft gehad.
Het hof overweegt als volgt.
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.
In lijn met wat hiervoor is overwogen over ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt dat van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 10a, eerste lid Opiumwet sprake is als de verdachte feitelijke macht over de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Die voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen aan de verdachte toebehoren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.
Relevant is derhalve dat de verdachte blijkens de bewijsmiddelen betrokken was bij de betreffende locaties uit de zaaksdossiers in verband met de handel in versnijdingsmiddelen en feitelijk kon beschikken over de goederen en stoffen op de betreffende locaties. Uit met name de tapgesprekken waarin de verdachte in versluierd taalgebruik met [medeverdachte 4] spreekt over het productieproces van versnijdingsmiddelen, maar ook uit zijn eigen verklaring bij de politie op 13 juli 2016, zijn betrokkenheid bij het huren van het pand aan [adres 3] , de aanwezigheid van zijn auto (de Suzuki Swift met kenteken [kenteken 9] ) op de locatie [adres 3] op 1 juni 2016 en op verschillende momenten op de [locatie 10] te [plaatsnaam 2] in de directe omgeving van het bedrijfspand van [bedrijf 1], is gebleken dat de verdachte op beide locaties fysiek aanwezig was en met beide locaties intensieve betrokkenheid had. Daarmee kan hij ook verantwoordelijk worden gehouden voor de aangetroffen hoeveelheden op de klapdag. Daarvoor is niet noodzakelijk dat kan worden vastgesteld dat hij daar op die specifieke dag ook aanwezig was.
Hetgeen de verdediging overigens nog heeft aangevoerd doet aan al hetgeen hiervoor is overwogen niet af.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer in al zijn onderdelen.
Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen naar voren gekomen die moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, het tenlastegelegde feit onder 2 heeft gepleegd zoals bewezenverklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander trachten daartoe gelegenheid te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft gedurende een halfjaar samen met anderen aanzienlijke hoeveelheden (grondstoffen van) versnijdingsmiddelen (paracetamol en cafeïne) voorhanden gehad en bewerkt terwijl hij ernstige reden had om te vermoeden dat deze stoffen gebruikt zouden worden om te worden versneden met harddrugs, zoals heroïne. Daarbij is hij actief betrokken geweest bij de huur van een van de productielocaties en heeft hij zelf ook – in een uitvoerende, ondergeschikte rol – versnijdingsmiddelen geproduceerd. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van harddrugs met het doel om het volume van de aan gebruikers/verslaafden te leveren harddrugs te vergroten en de drugswinsten voor leveranciers te verhogen. Aldus heeft de verdachte met zijn handelen de handel in harddrugs bevorderd. Daarbij heeft de verdachte zich niet bekommerd om de nadelige effecten op de gezondheid, die sommige van de gebruikte versnijdingsmiddelen – ook tijdens het productieproces daarvan – met zich brengen en ook niet om het feit dat de handel in verdovende middelen veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft. Kennelijk heeft de verdachte slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.
Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden, zoals opgelegd door de rechtbank, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gebracht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In eerste aanleg is bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden. Als ingangsdatum geldt 12 juli 2016 en het vonnis is gewezen op 14 november 2019, hetgeen betekent dat bij het wijzen van vonnis de termijnoverschrijding 16 maanden bedroeg.
In hoger beroep is bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in aanzienlijke mate geschonden. Het hoger beroep is ingesteld op 18 november 2019, hetgeen betekent dat bij het wijzen van arrest de termijnoverschrijding ruim vierenhalf jaar bedraagt.
Het hof acht, zoals hiervoor overwogen, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.
Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is sinds het tenlastegelegde niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen. De verdachte is doorgegaan met zijn leven; hij is kostwinner voor zijn gezin met twee minderjarige kinderen en dreigt bij detentie zijn onderneming kwijt te raken. Hij heeft afgerekend met zijn schulden uit het verleden door een WSNP-traject met succes te voltooien.
Deze persoonlijke omstandigheden maken, dat het hof het niet geraden voorkomt de verdachte te veroordelen tot een straf die onvoorwaardelijke detentie met zich brengt. In plaats daarvan zal het hof de verdachte veroordelen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest zodat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft, alsmede tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Beslag
Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.400,- is het hof met de rechtbank van oordeel dat dit bedrag aan de verdachte dient te worden teruggegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 162 (honderdtweeënzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
3400 euro ibg 13-11-15 onder bvh 2015402549
Dit arrest is gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, als voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras en mr. E.G. Ouwens, griffiers,
en op 20 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.M. Koevoets en mr. E.G. Ouwens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.