Strafrecht overig

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Het hof bevestigt het vonnis onder…

Zaakgegevens

Op 1 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
1 juli 2026
Datum publicatie
3 augustus 2026
Zaaknummer
20-002389-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2113
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het hof bevestigt het vonnis onder verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20 -002389-24

Uitspraak : 1 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-095265-23 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.826,35, waarvan € 4.826,35 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2023 tot aan de dag der voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op € 678,00. Ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Door de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] , alsmede de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van € 4.826,35 aan materiële schade en een bedrag van € 11.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient daarbij in het meer gevorderde niet-ontvankelijk te worden verklaard. De gevorderde proceskosten kunnen volgens de advocaat-generaal worden toegewezen conform het liquidatietarief, waarbij drie punten kunnen worden toegekend.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en hij daardoor dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de raadsman primair bepleit dat de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman enkele schadeposten inhoudelijk betwist.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis onder verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de schadevergoedingsmaatregel te vervallen en zullen deze worden vervangen door hetgeen hierna zal worden overwogen.

Het hof ziet tevens aanleiding de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de rechtbank in zijn geheel te vervangen als hierna vermeld.

Ten slotte ziet het hof aanleiding om de toepasselijke wettelijke voorschriften te verbeteren en opnieuw op te nemen, als hierna te melden.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, zaakregistratienummer PL2000-2023078097, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 10 mei 2023, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-62.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 maart 2023, dossierpagina 7, voor zover inhoudende de verklaring van [aangever] :

Plaats delict: [straatnaam] te Prinsenbeek

Pleegdatum/tijd: 29 maart 2023

Ik doe aangifte van mishandeling. Door deze mishandeling heb ik pijn en letsel. Dit is gedaan door [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). [verdachte] heeft mij een keer geslagen in mijn gezicht. Ik heb hierdoor letsel in mijn gezicht. Door de klap ben ik gevallen. Ik voel mijn rechterbeen niet meer. Het blauwe oog is vrij kort erna komen opzetten.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2023, dossierpagina’s 36-37, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Wij kregen van het Operationeel Centrum de melding om te gaan naar de [straatnaam] te Prinsenbeek. Ter plaatse aangekomen troffen we op de openbare weg liggend voor perceel [nummer] een man aan wiens volledige gegevens waren: [aangever] .

Hij verklaarde dat hij een conflict had gehad met de man waarvan hij een jaar geleden het bedrijf had overgenomen. Vandaag is de verdachte bewust onaangekondigd naar Prinsenbeek gereden en is er een confrontatie gekomen voor de deur van perceel [nummer] op de [straatnaam] te Prinsenbeek. Er ontstond ruzie voor de deur waarbij aangever [aangever] een klap met een gebalde vuist en met kracht tegen zijn linkerzijde van het gelaat kreeg. Door de kracht die werd uitgeoefend en de pijn die werd veroorzaakt viel aangever en bezeerde daarbij zijn heup en been. Dit deed echt enorm zeer.

De verdachte is met zijn voertuig richting [locatie] Prinsenbeek gevlucht. De verdachte werd door aangever genoemd als [verdachte] .

Aangever klaagde over enorme pijn in zijn heup en had geen gevoel in zijn rechterbeen. Hij had tevens een zwelling aan de linkerzijde van zijn gezicht. Deze was ook rood gekleurd en lichtte blauw op. Dit is door ons fotografisch vastgelegd.

Voor het letsel is de ambulance gewaarschuwd en deze vermoedde dat zijn heup gebroken

was en daarvoor is aangever vervoerd naar het ziekenhuis in Breda.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [aangever] bij de raadsheer-commissaris d.d. 4 november 2025, voor zover inhoudende:

Raadsheer-commissaris: Hoe is het met u ondertussen?

Getuige: Ik ben blij dat ik kan wandelen. Dat heeft wel een goede anderhalf jaar geduurd. Er is nog een tweede operatie geweest. Wat ik niet meer kan is versnellen en hardlopen en tegen een bal schoppen. Het was een dubbele breuk in het rechter bovenbeen.

4. Het schriftelijk bescheid, te weten de brief d.d. 29 maart 2023 van [naam 1] , arts assistent chirurgie, en [naam 2] , van het Amphia Ziekenhuis te Breda, dossierpagina’s 23-24, voor zover inhoudende:

Patiënt: [aangever]

Beeldvorming

X-heup/bekken rechts: subtrochantaire fractuur reversed type.

X-bovenbeen rechts: subtrochantaire fractuur reversed type.

Conclusie en Diagnose

Comminutieve subtrochantaire fractuur reversed type rechts.

Beleid

Aanmelden voor lange gamma nagel op AOK.

Operatie aanvraag.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2023, dossierpagina 25, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige] :

Het voorval vond plaats ergens tussen 11.30 uur en 12.00 uur aan de [straatnaam] te Prinsenbeek. Ik fietste over de [straatnaam] . Ik zag dat twee mannen ruzie hadden. Ik zag dat de ene man de andere man op zijn gezicht sloeg. Ik zag dat het slachtoffer op de grond viel en dat de andere man weg rende.

6. De eigen waarneming van dit hof ten aanzien van de camerabeelden met bestandsnaam ‘DVD 02.095265.23_convert’, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende:

Het hof neemt waar dat de verdachte in de richting van [aangever] loopt, waarna zij beiden ongeveer twintig seconden bij elkaar staan. De verdachte draagt een lichtkleurige beige broek en [aangever] draagt een donkerkleurige broek. Wanneer beide personen bij elkaar staan zijn slechts gedeeltelijk schoenen en onderbenen zichtbaar. Vervolgens komt er een fietser, naar uit het dossier blijkt: getuige [getuige] , in beeld die in de richting van de verdachte en [aangever] fietst. Kort daarop valt [aangever] op de grond en nagenoeg gelijktijdig draait de verdachte zich om en rent weg.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de aangifte van [aangever] , zijn letsel, de verklaring van getuige [getuige] en de camerabeelden. Bij de raadsheer-commissaris heeft getuige [getuige] verklaard dat zij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Daarnaast heeft [aangever] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard waarom hij een wisselende verklaring heeft afgelegd over het door de verdachte gepleegde geweld, namelijk omdat er op grond van het letsel vermoedens waren dat hij ook zou zijn getrapt door de verdachte. De door getuige [getuige] en aangever [aangever] direct na de mishandeling afgelegde verklaringen zijn derhalve geloofwaardig. Op grond van de wisselende verklaringen van de verdachte en ook anderszins is een noodweersituatie niet aannemelijk geworden, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verklaringen van aangever [aangever] en getuige [getuige] onbetrouwbaar zijn. Aangever [aangever] heeft immers wisselende verklaringen afgelegd over het door de verdachte gepleegde geweld en of daar wel of geen trap onderdeel van zou hebben gemaakt. Daarnaast heeft getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris een twijfelachtige verklaring afgelegd over hetgeen zij wel en niet heeft gezien en in welke volgorde. Voorts zijn de camerabeelden ontlastend, nu daarop geen klap en/of trap zichtbaar zijn en daarop is te zien dat de verdachte reeds wegrende toen [aangever] viel. Dit sluit het trappen door de verdachte terwijl aangever [aangever] op de grond lag uit. Voorts hebben getuigen gezien dat er door twee mannen gevochten werd, hetgeen duidt op een wederzijdse strijd. Dit past bij de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij door [aangever] met een telefoon in zijn hand tegen zijn schouder is geslagen, waarna hij [aangever] uit reactie een duw heeft gegeven. Aldus bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen, aldus de raadsman.

Daarbij is volgens de raadsman tevens van belang dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de beschikking d.d. 8 juli 2025 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering heeft overwogen dat het beschikbare bewijs onvoldoende is voor een vervolging en veroordeling voor [aangever] . Gelet op de omstandigheid dat er in de strafzaak tegen de verdachte sprake is van hetzelfde beschikbare bewijs, dient dit ook tot de conclusie te leiden dat dit bewijs tevens onvoldoende is om tot een veroordeling van de verdachte te komen.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat er geen medisch bewijs is waaruit vastgesteld kan worden dat het letsel het gevolg is van een geweldshandeling. Het letsel is immers het gevolg van de val en niet van een directe geweldshandeling.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (het hof merkt daarbij op dat een geslaagd beroep op noodweer zal leiden tot vrijspraak van het tenlastegelegde in plaats van ontslag van alle rechtsvervolging). Immers is de verdachte door [aangever] met een telefoon in zijn hand tegen zijn schouder geslagen, waarna hij [aangever] uit reactie een duw heeft gegeven.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat er op 29 maart 2023 in Prinsenbeek tussen de verdachte en aangever [aangever] een incident heeft plaatsgevonden. Daarbij is [aangever] op de grond gevallen en heeft hij letsel opgelopen, bestaande uit meerdere breuken in zijn rechterheup en -bovenbeen en een blauw oog.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd en of [aangever] door deze geweldshandelingen is gevallen.

Het hof stelt vast dat aangever [aangever] direct na het incident, nog liggend op de grond, ten overstaan van de ter plaatse aanwezige politieagent aangifte heeft gedaan van mishandeling. Daarbij heeft [aangever] verklaard dat hij door de verdachte één keer is geslagen in zijn gezicht, waardoor hij is gevallen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij ter plaatse zag dat [aangever] een zwelling aan de linkerzijde van zijn gezicht had. Deze was rood gekleurd en lichtte blauw op. Het hof stelt vast dat dit letsel passend is bij de verklaring van aangever [aangever] , inhoudende dat hij door de verdachte in zijn gezicht is geslagen. Weliswaar heeft aangever [aangever] later bij de politie verklaard dat hij ook door de verdachte zou zijn getrapt, doch heeft hij tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris daarover verklaard dat hij alleen weet dat hij is geslagen en dat de rest door hem is ingevuld door vermoedens. Hij heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat de verdachte hem zou hebben getrapt, maar dat hij zich niet kan voorstellen dat hij enkel door het vallen zijn been op twee plekken zou hebben gebroken en dat de arts of fysiotherapeut heeft gezegd dat zijn letsel een typische verwonding is ten gevolge van een trap. [aangever] benadrukte daarbij dat het een veronderstelling is dat hij zou zijn getrapt. “Het enige dat ik zeker weet is dat ik een kneiter op mijn hoofd heb gehad. Dat weet ik heel zeker. En ik weet dat ik een zwaar letsel eraan overgehouden heb”, aldus de verdachte tegen de raadsheer-commissaris.

Het hof stelt voorts vast dat getuige [getuige] kort na het incident telefonisch tegenover de politie heeft verklaard dat zij fietsend zag dat één man de andere man in het gezicht sloeg. Ze zag dat het slachtoffer op de grond viel en dat de andere man, het hof begrijpt de verdachte, wegrende. Tijdens haar verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft zij verklaard dat de verklaring die zij op de dag van het incident heeft afgelegd de juiste is. Daarnaast verklaarde zij dat de dader geen klap heeft gehad van het slachtoffer. Het slachtoffer is aangevallen en gebruikte geen geweld.

Het hof stelt vast dat de getuigen [aangever] en [getuige] tweeëneenhalf jaar na het incident bij de raadsheer-commissaris weliswaar hebben getwijfeld over hun waarnemingen dan wel hebben verklaard dat zij bepaalde punten hebben verondersteld of ingevuld, maar het hof is van oordeel dat dit redelijkerwijs kan worden verklaard door het tijdsverloop tussen het tenlastegelegde en de verhoren bij de raadsheer-commissaris. Juist de omstandigheid dat beide getuigen bij de raadsheer-commissaris hebben benadrukt dat de door hen op de dag van het tenlastegelegde afgelegde verklaringen juist zijn en zij later stukken van die dag zijn gaan invullen, sterkt het hof in de overtuiging dat de door [aangever] en [getuige] ter plaatse afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn. Daarbij overweegt het hof dat getuige [getuige] een onafhankelijke getuige is die de mishandeling zelf heeft waargenomen toen zij op een rustig tempo richting beide heren fietste. Uit de beelden volgt bovendien dat getuige [getuige] op het moment dat de klap gegeven is zich op korte afstand van het incident bevond en daarop goed zicht had.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof aldus vast dat de verdachte op 29 maart 2023 naar Prinsenbeek is gegaan en aldaar aangever [aangever] met kracht tegen diens gezicht heeft geslagen, ten gevolge waarvan [aangever] met kracht op de grond is gevallen. Liggend op de grond had de verdachte een opkomend blauw linkeroog en het in de medische verklaringen beschreven letsel. De door de verdachte gegeven klap veroorzaakte niet alleen een blauw oog bij [aangever] , het is ook aan te merken als een conditio sine qua non voor de daaropvolgende val van [aangever] omdat die daar direct op volgde. Het gevolg van die val waren meerdere breuken in de rechterheup en het rechterbovenbeen, welk letsel redelijkerwijs aan de verdachte als gevolg van de door hem gegeven klap kan worden toegerekend. Het alternatieve scenario dat de verdachte naar voren heeft gebracht, inhoudende dat het letsel bij [aangever] zou zijn ontstaan doordat hij is gevallen omdat hij achter de verdachte aan probeerde te komen, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de eigen waarneming van het hof van de camerabeelden. Het hof heeft immers op die camerabeelden waargenomen dat [aangever] op de grond viel en de verdachte zich nagenoeg gelijktijdig omdraaide en wegrende.

Het hof stelt vast dat als gevolg van de breuken in de rechterheup en het rechterbovenbeen [aangever] twee operaties heeft ondergaan en gedurende enkele jaren heeft moeten revalideren. Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het langdurige herstel, merkt het hof dit letsel aan als zwaar lichamelijk letsel.

Ten slotte is het hof van oordeel dat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Op grond van het politiedossier is het hof van oordeel dat het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat [aangever] hem met een telefoon in zijn hand zou hebben geslagen waarna hij [aangever] uit reactie een duw heeft gegeven, niet aannemelijk is geworden. Getuige [getuige] heeft immers uitdrukkelijk verklaard dat het slachtoffer dat op de grond is gevallen geen geweld heeft toegepast.

De verdachte heeft nog een beroep gedaan op hetgeen het hof in de artikel 12 Sv-procedure heeft overwogen naar aanleiding van een klacht van de verdachte over het niet vervolgen van aangever [aangever] . Het hof overwoog: ‘De verklaringen die door klager en de beklaagde over de mishandeling zijn afgelegd lopen op diverse punten zodanig uiteen, dat niet eenduidig valt vast te stellen welke lezing de juiste is en welke toedracht de juiste is. Uit de stukken valt aldus niet te concluderen wie is begonnen met het toepassen van geweld en of er sprake is van enige vorm van legitieme zelfverdediging. Daarnaast zijn op de aanwezige video alleen de voeten van klager en de beklaagde zichtbaar en is te zien dat de beklaagde op de grond valt en wegrent. De mishandeling is op de beelden zelf niet te zien.’ Uit deze overweging blijkt niet dat de verklaring van getuige [getuige] is betrokken bij de overweging dat ‘niet eenduidig valt vast te stellen welke toedracht de juiste is’. Juist deze verklaring acht het hof anders dan de verdediging betrouwbaar en in grote mate beslissend voor het bewijs in deze zaak.

Het hof verwerpt aldus het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 45.647,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering viel uiteen in een bedrag van € 34.647,60 aan materiële schade, waarvan € 18.299,44 aan proceskosten, en een bedrag van € 11.000,00 aan immateriële schade.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.826,35, waarvan € 4.826,35 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2023 tot aan de dag der voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op € 678,00.

In hoger beroep is namens de benadeelde partij op 8 juni 2026 door mr. T. Warnsinck een gewijzigde vordering tot schadevergoeding ingediend, welke vordering ter terechtzitting in hoger beroep is toegelicht. De kosten ter hoogte van € 194,21 voor het verwijderen van reclame-uitingen worden in hoger beroep niet langer gehandhaafd. In zoverre is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] verlaagd. Voorts is naar voren gebracht dat de gevorderde proceskosten afzonderlijk, en aldus niet meer onder de materiële schade worden gevorderd, alsook dat de vordering ter zake van de sportschool/revalidatiekosten wordt verhoogd tot een bedrag van € 4.385,55 en dat het gevorderde smartengeld wordt verhoogd tot een bedrag van € 25.000,00.

Het hof stelt in dat kader allereerst voorop dat een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij niet kan worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Ingevolge artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945 en HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279).

De thans voorliggende vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] omvat aldus de volgende schadeposten:

  1. € 96,25 aan schade aan materiaal;

  2. € 210,00 aan kosten ziekenhuisopname;

  3. € 372,34 aan medische kosten;

  4. € 174,29 aan mobiliteitsschade;

  5. € 885,75 aan huishoudelijke hulp;

  6. € 192,01 aan abonnement sportschool;

  7. € 2.896,31 aan huur hulpmiddelen;

  8. € 11.327,00 aan verlies van arbeidsvermogen;

  9. € 11.000,00 aan smartengeld.

Daarnaast vordert de benadeelde partij [benadeelde] een bedrag van € 18.299,44 aan proceskosten.

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman enkele schadeposten inhoudelijk betwist. Daartoe is in de kern bepleit dat:

  1. de vordering voor een bedrag van € 3.201,75 ten aanzien van de toekomstige kosten sportschool/revalidatiekosten niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat toekomstig herstel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert;

  2. de vordering met betrekking tot het verlies van arbeidsvermogen (post viii.) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de complexe bedrijfseconomische analyse is verweven met het civiel geding en aldus behandeling van deze vordering eveneens een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert;

  3. de immateriële schade (post ix.) gematigd dient te worden tot een bedrag van € 5.000,00, waarvan een bedrag van € 2.500,00 reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is vergoed;

  4. e proceskosten voor een bedrag van € 18.299,44 moeten worden afgewezen en dat bij toewijzing van de proceskosten het liquidatietarief moet worden toegepast, en

  5. de vordering voor een bedrag van € 133,84 ten aanzien van de tandschade moet worden afgewezen wegens het ontbreken van een causaal verband en het ontbreken van een medische onderbouwing.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de mishandeling materiële schade (post i.) geleden, waaronder in het ziekenhuis doorgeknipte kledingstukken en kaiserbroodjes die tijdens de mishandeling op de grond zijn gevallen. Daarnaast heeft de benadeelde partij zes dagen in het ziekenhuis moeten verblijven wegens operaties en herstel door de mishandeling (post ii.), heeft hij kosten gemaakt voor huishoudelijke hulp (post v.), heeft hij kosten gemaakt voor zijn abonnement bij de sportschool om te kunnen blijven oefenen en trainen na de operaties (post vi.) en heeft hij hulpmiddelen – waaronder een scootmobiel en een sta-op-stoel – moeten huren (post vii.). Het hof stelt vast dat deze gevorderde schadeposten door de verdediging niet inhoudelijk zijn betwist en dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd met documenten en derhalve geen onevenredige belasting vormen. De kosten staan daarnaast in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Derhalve zal het hof deze materiële schadeposten voor een bedrag van € 4.280,32 toewijzen.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde medische kosten (post iii.) en mobiliteitschade (post iv.) met betrekking tot de tandschade door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij schade heeft opgelopen aan zijn tand, hetgeen is geconstateerd op 6 september 2023, meer dan vijf maanden na het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Voor het hof is derhalve onvoldoende komen vast te staan dat deze schade het gevolg is van verdachtes bewezenverklaarde handelen. De vordering zal dan ook voor een bedrag van € 144,00 (€ 133,84 aan tandheelkundige kosten + € 10,16 aan reiskosten tandarts) worden afgewezen.

De overige gevorderde medische kosten (post iii.) en mobiliteitsschade (post iv.) met betrekking tot de fysiotherapie en controles in het ziekenhuis zijn door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Het hof is van oordeel dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd en dat deze kosten in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte staan. Derhalve zal het hof deze materiële schadeposten voor een bedrag van € 402,63 toewijzen.

Ten slotte is het hof van oordeel dat thans, in het kader van deze strafrechtelijke procedure, een nader onderzoek naar de gegrondheid van de schadepost verlies van het arbeidsvermogen (post viii.) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Mitsdien zal het hof bepalen dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Immateriële schade

Het hof overweegt dat artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft de benadeelde partij mishandeld door hem met kracht tegen diens gezicht te slaan, ten gevolge waarvan de benadeelde op de grond is gevallen. Als gevolg van deze mishandeling heeft de benadeelde meerdere fracturen in de rechterheup en het rechterbeen opgelopen. Het betreft blijkens de toelichting een verbrijzelde (comminutieve) subtrochantaire breuk van heup en bovenbeen, behandeld met een gammanagel en osteosynthesemateriaal en gevolgd door een tweede operatie. De stalen pinnen zijn nog altijd aanwezig. De benadeelde heeft een zeer langdurige revalidatie doorgemaakt, waaronder meer dan 170 fysiotherapiebehandelingen, en een chronische indicatie van in totaal twee jaar. Hij is blijvend aangewezen op oefeningen om het herstel af te ronden. Daarnaast had de klap tegen het gezicht van de benadeelde partij een blauw oog tot gevolg.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde zoals hiervoor omschreven, de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en rekening houdende met de Rotterdamse schaal – waar gering bekken- en heupletsel waarbij herstel plaatsvindt binnen ongeveer twee tot vijf jaar wordt gewaardeerd op een bedrag tussen de € 6.000,00 en € 10.000,00 – begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 11.000,00.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 15.682,95 (€ 4.280,32 + € 402,63 + € 11.000,00). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De vordering van de benadeelde partij zal voor het bedrag van € 11.327,00 niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Ten slotte zal de vordering voor een bedrag van € 144,00 worden afgewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade zal het hof uitgaan van de datum van het indienen van de vordering tot schadevergoeding (7 augustus 2024) en voor wat betreft de immateriële schade van de datum dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden (29 maart 2023).

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Het hof begrijpt dat de benadeelde partij, die in eerste aanleg en hoger beroep werd vertegenwoordigd door een advocaat, proceskosten heeft gemaakt. Het hof zal derhalve met toepassing van het liquidatietarief een proceskostenveroordeling uitspreken.

In het kader van de vaststelling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg sluit het hof aan bij het liquidatietarief kanton per 1 februari 2024, dat gold ten tijde van het wijzen van het vonnis door de rechtbank. In geval van een toegewezen vordering tussen de € 10.000,00 en € 20.000,00 wordt in de regel € 406,00 per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het indienen van de vordering tot schadevergoeding en één punt voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in eerste aanleg derhalve op een bedrag van € 812,00.

Voor de behandeling van de zaak in hoger beroep zal het hof aansluiting zoeken bij het liquidatietarief kanton per 1 februari 2026. In geval van een toegewezen vordering tussen de € 10.000,00 en € 20.000,00 in hoger beroep wordt in de regel € 1.290,00 per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband één punt toe voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de proceskosten begroten op een bedrag van in totaal € 2.102,00 (€ 812,00 + € 1.290,00).

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 15.682,95. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de in het dictum genoemde aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.682,95 (vijftienduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 4.682,95 (vierduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding van materiële schade en € 11.000,00 (elfduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 144,00 (honderdvierenveertig euro) aan materiële schade af;

verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 2.102,00 (tweeduizend honderdtwee euro);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.682,95 (vijftienduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 4.682,95 (vierduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en vijfennegentig cent) materiële schadevergoeding en € 11.000,00 (elfduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 103 (honderddrie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 augustus 2024 en van de immateriële schade op 29 maart 2023;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,

en op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.